Het Amsterdamse Incassobureau Juristu handelde in strijd met de wet. Dat oordeelt de kantonrechter. Bij herhaling heeft zij haar opdrachtgever nodeloos op kosten gejaagd en hem foutief en misleidend geïnformeerd. De rechter bepaalt dat het incassobureau de volledige proceskosten ad. € 3.344,38 moet betalen omdat er onrechtmatig is gehandeld.


Betaling debiteuren bleef onvermeld
De klant van het incassobureau, een  administratie- en advieskantoor, schakelde in juli 2019 Juristu in voor het innen van openstaande rekeningen bij drie klanten. Nadat het incassobureau de drie debiteuren had aangeschreven, betaalden zij alle drie alsnog hun openstaande rekeningen binnen de gestelde termijn. Het incassobureau meldde zijn klant echter dat de rekeningen nog niet waren betaald en adviseerde om gerechtelijke stappen te ondernemen. De kosten daarvoor moest het administratiekantoor voorschieten, maar zouden volgens het incassobureau later worden verhaald op de debiteuren.

Schikking niet nagekomen
Het administratiekantoor volgde het advies op en ontdekte pas later dat de rekeningen al waren betaald. Het incassokantoor weigerde hierover vragen te beantwoorden. Pas na tussenkomst van een advocaat kwamen de twee partijen tot een schikking. Het incassokantoor kwam haar betalingsverplichting echter niet na, waarop het administratiekantoor naar de rechter stapte.

Willens en wetens misleid
De kantonrechter is van oordeel dat het incassobureau willens en wetens foutieve informatie heeft verstrekt over verschillende onderdelen van het proces. Omdat het in dit geval om drie afzonderlijke dossiers gaat, wijst dit eerder op een structurele werkwijze, dan op een omissie, zoals het incassobureau zelf stelde. Daarnaast bracht het bureau onder andere te hoge bedragen in rekening bij zijn klant. Tot slot rekent de kantonrechter het Juristu aan dat er onnodig gebruik is gemaakt van rechtsmiddelen. Het bureau wordt daarom veroordeeld tot het betalen van alle proceskosten en het vergoeden van de rente  over het te laat betaalde schikkingsbedrag.

Meer informatie
Rb Amsterdam 7 september 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4228

In het regeerakkoord is afgesproken dat er wordt gekeken naar de juridische afhandeling van schulden. Daarom onderzochten onderzoekers van het Lectoraat Schulden en Incasso van de Hogeschool Utrecht, de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden en Panteia in opdracht van het WODC in welke mate private schuldeisers (haalbare) betalingsregelingen treffen en hoe een gang naar de rechter kan worden voorkomen. De onderzoekers constateerden dat een betalingsregeling geen vanzelfsprekendheid is en dat schuldeisers dit middel heel verschillend toepassen.


Wanneer een schuld niet wordt betaald lopen de vorderingen snel op. Hoewel een groeiende groep schuldeisers graag maatwerk zou willen leveren in het afspreken van een betalingsregeling, hebben zij hiervoor vaak te weinig inzicht in de omstandigheden van de debiteur. Zo komt het voor dat een schuldeiser beslag legt op het inkomen terwijl er bij een andere schuldeiser een betalingsregeling loopt die dan niet meer nagekomen kan worden. Schuldeisers die de afgelopen jaren meer ruimte zijn gaan geven in het opstellen van een haalbare betaalregeling merken dat de ruimte die zij geven vaak direct wordt ingenomen door andere schuldeisers die wel druk zetten.

Kwetsbaarheden
Problematische schuldenproblematiek gaat vaak samen met één of meerdere kwetsbaarheden, zoals laaggeletterdheid, een licht verstandelijke beperking, sociale of gezondheidsproblemen. Mensen met problematische schulden stellen zich vaak passief op en hebben lang niet altijd een financieel overzicht, al helemaal niet als er sprake is van meerdere schuldeisers. Zonder financieel overzicht is het nagenoeg niet mogelijk om tot een passende betalingsregeling te komen die ook wordt nagekomen. Bij het niet nakomen van een regeling komt een zaak alsnog voor de rechter en neemt de schuld nog verder toe.

Voor de rechter
Als een zaak toch voor de rechter komt laat 70 tot 80 procent van de debiteuren verstek gaan. Debiteuren die wel komen, hebben vaak de hoop dat zij daar alsnog een betalingsregeling krijgen en staan na afloop teleurgesteld buiten als blijkt dat dit niet mogelijk is en de vordering enkel in omvang is toegenomen na de zitting. Rechters kunnen in de zaak formeel niet anders dan een vonnis toewijzen. Daarbij toetsen ze enkel of de debiteur formeel moet betalen, niet of de debiteur kan betalen.

Denkrichtingen
De onderzoekers noemen verschillende denkrichtingen om een betalingsregeling te stimuleren en een rechtsgang te voorkomen. De denkrichtingen gaan gepaard met voor- en nadelen voor zowel crediteuren als debiteuren. Een hiervan is het instellen van een recht op een betalingsregeling voordat er incassokosten gerekend mogen worden. Met het verhogen van het griffierecht wordt de drempel om naar de rechter te stappen mogelijk hoger, stellen de onderzoekers. Ook het hulp zoeken wanneer er meerdere schuldeisers zijn, zodat de schuldeisers elk een deel van de aflossingscapaciteit krijgen en er passende regelingen kunnen worden getroffen kan debiteuren volgens de onderzoekers mogelijk helpen.

Lees het volledige rapport
Betalingsregelingen – bevorderen van haalbare betalingsregelingen bij private schuldeisers

24 augustus 2020 - Schuldinfo

Het komt met enige regelmaat voor dat wanneer een schuldhulpverlener of een bewindvoerder uitstel vraagt voor het opstellen van een schuldregeling er toch nog snel even loonbeslag wordt gelegd. Het is dan moeilijk om de situatie stabiel te krijgen en de schuldregeling op te starten. Bovendien kan er niet voor de gezamenlijke schuldeisers gereserveerd worden. Wat kun je hieraan doen? Een voorlopige voorziening wsnp kan uitkomst bieden. De rechter kan er voor zorgen dat het beslag wordt opgeschort. Neem als voorbeeld een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake schuldeiser Hoist.

Wat vooraf ging
X is bij vonnis van 7 oktober 2013 veroordeeld tot betaling van € 3.034,51 aan Hoist. Op 27 januari 2020 is betrokkene onder beschermingsbewind gesteld. De beschermingsbewindvoerder heeft in maart 2020 de haar bekende schuldeisers – waaronder Hoist – verzocht geen verdere kosten te maken in verband met het incasseren van vorderingen. Bij brief van 25 april 2020 heeft de beschermingsbewindvoerder alle haar bekende crediteuren (waaronder Hoist) in het kader van een minnelijk traject een voorstel tegen finale kwijting gedaan. Op 29 mei 2020 heeft GGN namens Hoist loonbeslag gelegd onder de werkgever. Op 17 juni 2020 is X een overeenkomst tot schuldregeling aangegaan met Noordzij bewindvoerders.
Op 23 juni 2020 heeft X verzocht om een voorlopige voorziening wsnp. Tevens heeft X een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat Hoist het loonbeslag gedurende zes maanden niet ten uitvoer mag leggen.

Beoordeling
Het is de rechtbank gebleken dat voorafgaand aan de beslaglegging een positief budgetplan was waarbij € 621,00 kan worden gespaard voor alle crediteuren. De financiële situatie is, in die zin, zodanig stabiel dat vaste lasten kunnen worden voldaan, zonder dat er nog nieuwe schulden ontstaan. Door het loonbeslag, dat is gelegd ná aanvang van het minnelijk traject, wordt het budgetplan van X negatief. Dit houdt in dat er nieuwe schulden zullen ontstaan. Bovendien komt het dienstverband van X in gevaar, omdat zij bij een negatief budgetplan geen geld heeft om haar woon-werk verkeer te bekostigen. Een en ander betekent dat de huidige stabiliteit, die ook nodig is voor toelating tot de WSNP, wordt doorbroken. Dat is niet in het belang van de gezamenlijke crediteuren, zeker niet nu ook het werk – en daarmee het inkomen – van verzoekster in gevaar komt.

De rechtbank is van oordeel dat tegen de hiervoor geschetste achtergrond, waarbij de financiële situatie van X inmiddels stabiel was en inmiddels een minnelijk traject was gestart, het belang van X zwaarder dient te wegen dan het belang van Hoist bij het gelegde beslag. Dat geldt te meer nu dat beslag is gelegd nádat het minnelijk traject was opgestart. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen. Gelet op het verzoek tot toepassing van WSNP en het daarmee te bereiken doel, zal de rechtbank de gevraagde voorziening uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

De schuldsaneringsregeling
Een voorlopige voorziening wsnp wordt niet toegewezen, indien onaannemelijk is dat betrokkene  tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten. Dat laatste is voorshands niet het geval.
Het verzoek tot toelating van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan nog niet worden afgedaan, nu het minnelijke traject nog niet is afgerond. De verdere behandeling van dit verzoek zal plaatsvinden op 15 december 2020 om 09:30 uur, indien twee weken voor voornoemde datum een compleet verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of tot het opleggen van een dwangakkoord (inclusief bijlagen) is aangeleverd.


De beslissing

De rechtbank:

  • verbiedt de tenuitvoerlegging van het namens Hoist gelegde executoriaal derdenbeslag onder RDW;
  • bepaalt dat de werkgever van verzoekster (RDW) in afwijking van artikel 476 Rv geen gelden onder zich hoeft te houden en het loon uitbetaalt aan de beschermingsbewindvoerder van verzoekster, zulks zonder enige inhouding of reservering wegens het namens Hoist gelegde beslag;
  • bepaalt dat de genoemde voorziening geldt totdat de uitspraak op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in kracht van gewijsde is gegaan of dit verzoek is ingetrokken;
  • bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt na verloop van zes maanden;
  • bepaalt dat de voortgezette behandeling van het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal plaatsvinden op 15 december 2020 om 09:30 uur, indien twee weken voor voornoemde datum een compleet verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of tot het opleggen van een dwangakkoord (inclusief bijlagen) is aangeleverd;
  • bepaalt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Onbekend maakt onbemind
De mogelijkheid om in dit soort situaties een voorlopige voorziening wsnp aan te vragen wordt nog weinig benut. Het is niet ingewikkeld en je hoeft het niet zelf te doen. Wsnp-bewindvoerders kunnen net als advocaten, hiervoor door de overheid gefinancierde rechtsbijstand verlenen.

Meer informatie
Rechtbank Den Haag 29 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6548
Toevoegen bewindvoerders wsnp

Zie ook:
Rechtbank Noord-Holland 29 augustus 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:7801
Rechtbank Noord-Nederland 9 februari 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:771 
Rechtbank Noord-Nederland 17 augustus 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:5192

Deurwaarders zijn onderworpen aan tuchtrechtspraak, uitgevoerd door de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders en in hoger beroep door het Hof Amsterdam. Hierbij een selectie van uitspraken gepubliceerd in de maanden april t/m juni 2020.

Bij bankbeslag geen rekening gehouden met beslagvrije voet
Gelet op de hoogte van het bij het bankbeslag getroffen bedrag en in aanmerking genomen de bedragen die stonden vermeld op de toegezonden bankafschriften, had de deurwaarder onverwijld moeten overgaan tot toepassing van de beslagvrije voet.
Met de kamer is het hof van oordeel dat de deurwaarder zich daarbij niet kan verschuilen achter het feit dat de opdrachtgever volhardde in doorbetaling van de uit het beslag ontvangen gelden. Een deurwaarder dient rekening te houden met de belangen van zijn opdrachtgever, maar ook met de gerechtvaardigde belangen van de beslagdebiteur, in dit geval dus met de belangen van [X]. Daarmee gaat de deurwaarder niet op de stoel van de rechter zitten, maar past hij de regels uit de civielrechtelijke en tuchtrechtelijke jurisprudentie toe. Dat is ook aan zijn opdrachtgever uit te leggen. Klacht voor dit onderdeel gegrond. Maatregel: berisping en veroordeling in de proceskosten. >>>Uitspraak

Leggen van loonbeslag terwijl vordering is voldaan
Een klacht tegen een deurwaarderskantoor kan worden behandeld als ware dit een klacht tegen alle aan dat kantoor verbonden deurwaarders. Mag een deurwaarder overgaan tot executie van een (vermeende) titel? Het is aan de deurwaarder om op basis van een marginale toetsing te beslissen of de aan hem verstrekte gegevens voldoende grond bieden voor het te leggen van loonbeslag. De deurwaarder heeft in dit geval een onjuiste afweging gemaakt. Onder de geschetste omstandigheden hadden de deurwaarders niet op grond van het enkele feit dat klager na zovele jaren niet in staat of bereid was betalingsbewijzen over te leggen, mogen besluiten de verweren van klager en diens advocaten te passeren en over te gaan tot inning van de betwiste vordering door middel van het ingrijpende middel van loonbeslag. Dat zij dat toch hebben gedaan is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klacht gedeeltelijk gegrond. Maatregel berisping. Geen proceskostenveroordeling in hoger beroep. Wel bevestiging proceskostenveroordeling eerste aanleg. >>>Uitspraak
 

Dagvaarding onvoldoende onderbouwd
Opdrachtgever beklaagt zich er over dat de deurwaarder de dagvaarding niet voldoende heeft onderbouwd, waardoor zijn positie in de procedure sterk is verzwakt. De deurwaarder heeft de dagvaarding bovendien ingediend zonder voorafgaand overleg met klaagster over de inhoud ervan.
Het enkele gegeven dat een omissie (in de dagvaarding) later in de procedure herstelt kan worden, maakt niet dat de deurwaarder lichtvaardig mag omgaan met de wettelijke eisen die gesteld worden aan de dagvaarding. Daarbij speelt een rol dat de deurwaarder nergens heeft verklaard hoe de situatie als zodanig is komen te ontstaan. Klacht gegrond. Maatregel: geldboete ad. € 750 en veroordeling proceskosten ad. € 1500. >>>Uitspraak

Dagvaarding buiten achtergelaten
Klaagster beklaagt zich erover dat de dagvaarding niet op de juiste wijze aan haar adres is betekend, nu de deurwaarder de dagvaarding buiten heeft achtergelaten. Bij afwezigheid van de betrokkene, in samenhang met de onmogelijkheid om gebruik te maken van de (te kleine) brievenbus, dient de deurwaarder de best mogelijke manier te zoeken om de dagvaarding niettemin op de juiste plaats te bezorgen. De gekozen methode was naar het oordeel van de kamer in de gegeven omstandigheden juist. Klacht ongegrond. >>>Uitspraak

Onvoldoende informeren, niet reageren
In de situatie dat de deurwaarder helderheid probeert te verkrijgen over de vordering bij zijn opdrachtgever, kan het niet zo zijn dat hij klager daar gedurende het proces niet over informeert. Deze manier van opereren wordt echter tuchtrechtelijk laakbaar als de deurwaarder bewust niet reageert op schrijven van klager, die al die tijd in het ongewis wordt gelaten. Klacht gegrond. Maatregel: berisping. Proceskostenveroordeling. >>>Uitspraak

Correspondentie niet naar bewindvoerder
Het uitgangspunt in geval van een onderbewindstelling is dat er gecorrespondeerd wordt met de bewindvoerder, omdat een onderbewindgestelde juist onder bewind is gesteld omdat hij, als gevolg van zijn geestelijke en/of lichamelijk toestand, tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Hier heeft de deurwaarder geen gevolg aan gegeven. Nu de deurwaarder heeft verklaard de interne procedures te hebben aangescherpt om herhaling te voorkomen acht de kamer geen termen aanwezig een maatregel op te leggen. Klacht (gedeeltelijk) gegrond. Geen maatregel. >>>Uitspraak

Te snel bankbeslag gelegd
Het had op de weg van de deurwaarder gelegen om klaagster (nogmaals) in de gelegenheid te stellen om tot betaling van de restantvordering over te gaan, nadat het beslag op het inkomen van haar ex-partner was mislukt. Door gelijk over te gaan tot het leggen van beslag op de bankrekening van de ex-partner van klaagster zijn de kosten opgelopen. Deze kosten hadden eventueel voorkomen kunnen worden als klaagster nogmaals was aangeschreven. Verzet en klacht gegrond. Maatregel van waarschuwing. Geen proceskostenveroordeling. >>>Uitspraak

Ondanks betalingsvoorstel beslag onder Belastingdienst gelegd
De deurwaarder heeft ondanks het betalingsvoorstel van klaagster beslag onder de Belastingdienst gelegd. Niet duidelijk is geworden of de deurwaarder iets met het betalingsvoorstel van klaagster heeft gedaan. Verder is ten onrechte geen beslagvrije voet toegepast bij het beslag. De klacht is op deze onderdelen gegrond, voor het overige ongegrond. Maatregel van waarschuwing. Geen proceskostenveroordeling. >>>Uitspraak

Niet binnen redelijke termijn op e-mails gereageerd
De deurwaarder heeft meerdere malen niet binnen een redelijke termijn op e-mails heeft gereageerd, dan wel pas nadat een rappel aan de deurwaarder is verzonden. Uit de mondelinge toelichting van klaagster ter zitting kwam duidelijk naar voren dat het uitblijven van reacties tot veel stress leidde. De deurwaarder was voor een inhoudelijke reactie op de e-mailberichten van klaagster weliswaar afhankelijk van de opdrachtgever, maar van de deurwaarder had wel mogen worden verwacht dat hij in ieder geval de ontvangst van de e-mailberichten had bevestigd en daarbij had vermeld dat de e-mailberichten zouden worden doorgezonden naar de opdrachtgever. Dit is door de deurwaarder ook erkend. Klacht gedeeltelijk gegrond. Maatregel van berisping en veroordeling proceskosten ad. € 1500. >>>Uitspraak

Beslag op auto, derde beweert eigenaar te zijn
Wanneer een deurwaarder beslag legt op zaken waarop een derde eigendom pretendeert, is het aan die derde om zich tegen het beslag te verzetten. De enkele pretentie van derden noopt de deurwaarder niet tot het buiten het beslag houden van die zaken. Het moment waarop beslag wordt gelegd leent zich immers niet voor een uitgebreid onderzoek naar de eigendomsverhoudingen van in beslaggenomen zaken. Naderhand hebben klagers aan de deurwaarder geen stukken overgelegd alsmede niet als productie toegevoegd aan de klacht waaruit het eigendom van klager sub 2 op de auto blijkt. De tenaamstelling van de auto is onvoldoende om de eigendom te kunnen vaststellen. Klacht ongegrond. >>>Uitspraak

Geen beslagvrije voet, niet in Nederland wonen of vast verblijven?
De deurwaarder heeft op basis van artikel 475e Rv geen beslagvrije voet toegepast . Op grond van dat artikel geldt dat geen beslagvrije voet van toepassing is op vorderingen van een schuldenaar die niet in Nederland woont of vast verblijft. Vaststaat dat het adres van klaagster na de ontruiming in onderzoek was bij de gemeente. Alleen al op grond daarvan kan niet worden gezegd dat klaagster niet in Nederland woonachtig was of verbleef.
De deurwaarder heeft echter adequaat gereageerd op het verzoek tot onverwijlde aanpassing van de beslagvrije voet met terugwerkende kracht van 26 februari 2018 en de gelden aan klaagster gerestitueerd. De kamer komt om die reden tot het oordeel dat dit handelen van de deurwaarder geen tuchtrechtelijk verwijt oplevert. Klacht ongegrond. >>>Uitspraak

Geen beslagvrije voet toegepast bij eigenbeslag
Nu uit artikel 479i lid 2 Rv volgt dat de bepalingen omtrent de beslagvrije voet uit het derdenbeslag (475b-475g Rv) van overeenkomstige toepassing moeten worden verklaard, had de deurwaarder ook bij het eigenbeslag (alimentatieplichtige legt beslag onder zichzelf op de te verstrekken kinderalimentatie) de beslagvrije voet moeten toepassen. Het vaststellen van de beslagvrije is een kerntaak van de deurwaarder. De onbekendheid met betrekking tot de materie van het eigenbeslag ontslaat de deurwaarder niet van zijn verplichtingen uit de wet. Klacht gegrond. Maatregel: berisping en veroordeling proceskosten ad. € 1500. >>>Uitspraak
 

Meer informatie
overzichten tuchtrechtspraak deurwaarders
website tuchtrechtspraak

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) gaat bij het vaststellen van de hoogte van de boete in bijstandszaken niet langer uit van een beslagvrije voet van 90% maar van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm. De CRvB loopt hiermee vooruit op de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. Deze uitspraak heeft tot gevolg dat ook bestuursorganen die een boete opleggen en rechters die zelf een boete vaststellen vanaf nu zullen moeten anticiperen op de invoering van deze wet.

Het geschil
In deze zaak ging het om een man die bijstand ontving. De gemeente had hem een boete opgelegd, omdat hij de zogenoemde inlichtingenverplichting had geschonden. De rechtbank heeft eerder de opgelegde boete in stand gelaten. De man is tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij de CRvB. Het gaat in deze zaak om het vaststellen van de hoogte van de boete.

Lagere boete
De gemeente heeft bij de vaststelling van de boete een onjuist, namelijk te hoog, benadelingsbedrag als uitgangspunt genomen. Daarom neemt de CRvB zelf een beslissing over de hoogte van de boete. Hierbij heeft de CRvB, anders dan de gemeente, rekening gehouden met de huidige financiële omstandigheden van de man. Ook is, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, uitgegaan van een beslagvrije voet van 95%. De gemeente ging nog uit van 90%. De boete die de man nu opgelegd krijgt, is hierdoor lager geworden.

Vooruitlopen op nieuwe wet
Bij de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet wordt de beslagvrije voet voor mensen met een schuld die een inkomen op of onder bijstandsniveau hebben – kort gezegd – veranderd van 90% naar een vast percentage van 95% van het netto inkomen inclusief vakantietoeslag. Deze wet beoogt een eenvoudiger systeem te scheppen en mensen met een schuld te beschermen tegen een te laag inkomen. De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief aan de Tweede Kamer op 13 februari 2019 aangekondigd gemeenten op te roepen alvast vooruit te lopen op de invoering van deze wet.

De CRvB heeft in deze oproep aanleiding gezien om vanaf de datum van deze uitspraak, 4 augustus 2020, vooruit te lopen op de nieuwe wet. Daarvoor is van belang dat de invoering van de wet niet om inhoudelijke, maar om praktische en technische redenen is uitgesteld. Verder wordt zo een verschil voorkomen met door gemeenten opgelegde boetes waarbij aan de oproep van de staatsecretaris gehoor is gegeven.

Gevolg van deze uitspraak
Deze uitspraak heeft tot gevolg dat de rechter, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, vanaf vandaag in bijstandszaken waarin hij zelf de boete vaststelt en waarbij hij rekening moet houden met de financiële omstandigheden (de draagkracht) van de betrokkene, uitgaat van een beslagvrije voet van 95%. Bestuursorganen zoals gemeenten en de Sociale Verzekeringsbank zullen ook vanaf vandaag bij het opleggen van boetes in deze zaken niet langer moeten uitgaan van een beslagvrije voet van 90% maar van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Naschrift SchuldInfo
De CRvB heeft eerder bepaald dat bij de vaststelling van de hoogte van de boete rekening moet worden gehouden met de draagkracht van betrokkene. Voor mensen die bijstand ontvangen wordt hiervoor aansluiting gezocht bij de beslagvrije voet. In deze uitspraak loopt de CRvB vooruit op een wetswijziging waarbij de beslagvrije voet voor mensen met een minimum inkomen vastgesteld wordt op 95% van het ontvangen inkomen in plaats van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm.
Afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid komt dit bij een alleenstaande neer op de volgende maximale boetes:

Opzet
100% van het benadelingsbedrag, maar maximaal 24 maanden 5% van de bijstandsnorm: € 1271

Grove schuld
75% van het benadelingsbedrag, maar maximaal 18 maanden 5% van de bijstandsnorm: € 953

Geen opzet of grove schuld
50% van het benadelingsbedrag, maar maximaal 12 maanden 5% van de bijstandsnorm: € 635

Verminderde verwijtbaarheid
25% van het benadelingsbedrag, maar maximaal 6 maanden 5% van de bijstandsnorm:€ 317

De CRvB wijkt overigens wel af van de nieuwe regels voor berekening van de beslagvrije voet. De CRvB is uitgegaan van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm, in dit geval een lagere kostendelersnorm. Volgens de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is de beslagvrije voet bij een minimum inkomen gelijk aan 95% van het ontvangen inkomen. De wetgever heeft er voor gekozen om de kostendelersnorm bij de berekening van de beslagvrije voet niet toe te passen.


Meer informatie

CRvB 4 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1525

Wanneer je onder bewind staat krijg je twee bankrekeningen: een beheerrekening en een leefgeldrekening. Op de beheerrekening komt het inkomen binnen en de bewindvoerder betaalt via deze bankrekening de vaste lasten, zorgt voor de noodzakelijke reserveringen en maakt het leefgeld over op de leefgeldrekening. Over deze laatstgenoemde rekening kan de onder bewind gestelde zelf beschikken. Overzichtelijk en prettig geregeld. Althans als het goed gaat. De Centrale Raad van Beroep moest oordelen over een kwestie waarbij de gemeente de bijstandsuitkering op de leefgeldrekening heeft gestort, ondanks dat het bankrekeningnummer van de beheerrekening was doorgegeven. De onderbewindgestelde heeft het geld opgemaakt. Moet de gemeente de uitkering opnieuw betalen?

Wat voorafging
De kantonrechter heeft alle goederen die het echtpaar X en Y toebehoren en gaan toebehoren onder bewind gesteld, omdat ze zelf niet in staat zijn hun vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. De aangestelde bewindvoerder Beschermingsbewind Oost-Nederland B.V. heeft het college per brief van de onderbewindstelling op de hoogte gesteld en daarbij verzocht de bijstand voortaan over te maken op de beheerrekening. Bij besluit van 8 september 2016 heeft het college aan X en Y meegedeeld dat de bijstand met ingang van 1 september 2016 op de beheerrekening zal worden overgemaakt.

En dan gaat het mis. Op 28 september 2016 heeft het college de helft van de bijstand over de maand september 2016, een bedrag van € 663,07, overgemaakt op de leefgeldrekening, in plaats van op de beheerrekening. De bewindvoerder heeft namens betrokkene het college per brief verzocht het bedrag alsnog over te maken op de beheerrekening.

Het college heeft de brief van de bewindvoerder aangemerkt als bezwaarschrift tegen een op de wijze van betaling van de bijstand betrekking hebbende handeling als bedoeld in artikel 79 van de PW. Het college heeft het bezwaar vervolgens ongegrond verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld bevrijdend te hebben betaald. Het geld is overgemaakt op een rekening die aan X en Y toekwam en zij hebben de betaling niet geweigerd. Zij konden over het bedrag van € 663,07 beschikken en hebben dat ook gedaan. Zij hebben het geld immers opgenomen en voor eigen doeleinden gebruikt. Dit bedrag hoeft daarom niet nog een keer te worden betaald.

De bewindvoerder is het hier niet mee eens en vindt dat het college met betaling op de leefgeldrekening niet bevrijdend heeft betaald. De bewindvoerder heeft beroep bij de rechtbank ingediend. Dit beroep is ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de bewindvoerder hoger beroep ingesteld.

Beantwoording drie juridische vragen
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) beoordeelt aan de hand van drie juridische vragen of het college bevrijdend heeft betaald. Als dat het geval is hoeft het college niet opnieuw aan de bewindvoerder te betalen.

1. Is het bedrag in de beschikkingsmacht van de bewindvoerder gekomen?
Voor de vraag of het college bevrijdend heeft betaald door het geld over te maken op de leefgeldrekening is niet van belang of X en Y over dit geld konden beschikken. Zij waren immers onder bewind gesteld en daarmee niet inningsbevoegd. Het college moest op grond van artikel 1:438 van het BW betalen aan de bewindvoerder. Dat heeft het college ook gedaan. Het college heeft het bedrag van € 663,07 immers doen bijschrijven op de leefgeldrekening en de bewindvoerder heeft ook het beheer over die rekening. De omstandigheid dat X en Y het volledige bedrag hebben opgenomen en uitgegeven, nog voordat de bewindvoerder kennis had genomen van de betaling op de leefgeldrekening, doet er niet aan af dat het bedrag in de beschikkingsmacht van de bewindvoerder is gekomen.

2. Heeft de bewindvoerder betaling op de leefgeldrekening geldig uitgesloten?
De bewindvoerder heeft het college per brief van de onderbewindstelling op de hoogte gesteld en daarbij verzocht de bijstand voortaan over te maken op de beheerrekening in plaats van de leefgeldrekening. De bewindvoerder heeft daarmee betaling op de leefgeldrekening uitgesloten (6:114, eerste lid, BW).

3. Heeft de bewindvoerder betaling op de leefgeldrekening geweigerd?
Wanneer de gemeente het geld heeft overgemaakt op de leefgeldrekening, terwijl deze door de bewindvoerder geldig is uitgesloten, mag de bewindvoerder deze betaling weigeren. Indien hij dat doet, zal de gemeente het bedrag alsnog moeten overmaken. Is het bedrag ondanks de uitsluiting van de rekening toch volledig of ten dele ter beschikking van de bewindvoerder gekomen, dan zal de bewindvoerder de betaling op die rekening in beginsel slechts kunnen weigeren met terugbetaling van dat waarmee hij aldus is verrijkt. Zie het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7207. De bewindvoerder heeft het bedrag van € 663,07 niet terugbetaald aan het college. Hij heeft de betaling op de leefgeldrekening dan ook niet geweigerd.

Toetsing aan het zorgvuldigheidsbeginsel
De beantwoording van bovenstaande vragen leidt ertoe dat het college bevrijdend zou hebben betaald door het bedrag van € 663,07 over te maken op de leefgeldrekening. De CRvB komt echter toch tot een ander oordeel met een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel.

“Het college heeft echter gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door de bijstand te doen bijschrijven op deze rekening. Het college was immers bekend met het bewind en ook met het feit dat de bewindvoerder betaling van bijstand op de leefgeldrekening had uitgesloten. Toch heeft het college het bedrag van € 663,07, in strijd met het besluit van 8 september 2016 om de bijstand met ingang van 1 september 2016 op de beheerrekening over te maken, op de leefgeldrekening doen bijschrijven. Het college kon weten dat dit afbreuk zou kunnen doen aan de bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van appellant, met het oog waarop de kantonrechter het bewind nu juist heeft uitgesproken. Die vermogensrechtelijke belangen van appellant zijn hier ook daadwerkelijk in de knel geraakt. Appellant en X, die zelf niet in staat waren hun vermogensrechtelijke belangen op een behoorlijke manier waar te nemen, hadden het bedrag van € 663,07 al opgenomen en uitgegeven voordat de bewindvoerder kennis had genomen van de bijschrijving. Indien de bewindvoerder dat bedrag zou hebben moeten terugbetalen, dan zou dit met zich hebben gebracht dat de bewindvoerder dat bedrag niet zou hebben kunnen gebruiken voor de uitgaven die hij volgens het opgestelde budgetplan moest voldoen. De Raad ziet in deze omstandigheden aanleiding om, voor het antwoord op de vraag of het college bevrijdend heeft betaald, bepalend te achten of het betaalde appellant en X tot werkelijk voordeel heeft gestrekt. De Raad zoekt hierbij aansluiting bij artikel 6:31 van het BW. Aan dat artikel ligt immers een met het instellen van beschermingsbewind vergelijkbare beschermingsgedachte ten grondslag.”

In art. 6:31 BW staat:
“Betaling aan een onbekwame schuldeiser bevrijdt de schuldenaar, voor zover het betaalde de onbekwame tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of in de macht is gekomen van diens wettelijke vertegenwoordiger.”

Deze bepaling die van toepassing is bij betaling aan een onder curatele gestelde of een minderjarige is bij toepassing op onderhavige situatie als volgt te lezen:
Betaling aan de onderbewindgestelde bevrijdt het college, voor zover het betaalde de onderbewindgestelde tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of in de macht is gekomen van diens bewindvoerder.

De Raad vervolgt:

“4.4.3.
Van werkelijk voordeel als bedoeld in
artikel 6:31 van het BW is niet al sprake als het geld in het vermogen van de onbekwame is gevloeid. Nagegaan moet worden wat er verder met het betaalde is gebeurd. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 6:31 van het BW zal het betaalde met name tot voordeel van de onbekwame hebben gestrekt als de onbekwame het betaalde heeft besteed ter bekostiging van levensonderhoud of studie, of van wat verder voor zijn geestelijk of lichamelijk welzijn dienstig kon zijn (zie daartoe de Memorie van Antwoord, Kamerstukken II, zitting 1975-1976, 7729, nrs. 6-7, p. 34). De Raad gaat er daarom van uit dat van werkelijk voordeel in dit geval sprake is geweest als appellant en X het op de leefgeldrekening betaalde bedrag hebben besteed aan hun levensonderhoud, dan wel hebben uitgegeven aan andere bestaanskosten, en de bewindvoerder met die uitgaven zou hebben ingestemd. Omdat het college zich op bevrijdende betaling beroept, ligt de bewijslast op dat punt bij het college.

4.4.4.
Dat appellant en X het bedrag van € 663,07 op de in 4.4.3 omschreven wijze hebben besteed, heeft het college niet aannemelijk gemaakt. Het college heeft ter zitting niet betwist dat, zoals van de kant van appellant is gesteld, appellant en X het bedrag van € 663,07 hebben opgenomen en verkwist. Gelet daarop, en gelet op het tijdsverloop, is er geen aanleiding het college toe te staan nader bewijs te leveren. Als vaststaand moet daarom worden aangenomen dat het betaalde niet tot werkelijk voordeel van appellant en X heeft gestrekt. Dit betekent dat het college alsnog tot uitbetaling van het bedrag van € 663,07 aan de bewindvoerder had moeten overgaan. Het college heeft ter zitting verklaard dat, indien nogmaals moet worden betaald, het niet tot terugvordering van het eerder betaalde bedrag van € 663,07 zal overgegaan.”

Vervolgens beslist de CRvB dat het college alsnog een bedrag van € 663,07 overmaakt op de beheerrekening.

Conclusie
Wanneer het college bekend is met het bewind en de bewindvoerder betaling op de leefgeldrekening heeft uitgesloten (het nummer van de beheerrekening heeft doorgegeven), handelt het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel wanneer het geld toch overgemaakt wordt op de leefgeldrekening.
Het college dient het bedrag dat overgemaakt is op de leefgeldrekening nogmaals over te maken op de beheerrekening, tenzij en voor zover:

  • het geld in de macht van de bewindvoerder is gekomen (de bewindvoerder heeft het tijdig kunnen onderscheppen);
  • het geld door de onderbewindgestelde is besteed ter bekostiging van levensonderhoud of studie, of van wat verder voor zijn geestelijk of lichamelijk welzijn dienstig kon zijn.

Meer informatie
Centrale Raad van Beroep 7 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1433

Wanneer beslag op een bijstandsuitkering voor samenwonenden wordt gelegd, terwijl slechts één van de partners een schuld heeft, wordt er vaak teveel aan de deurwaarder afgedragen. Hetzelfde is aan de orde wanneer de gemeente een vordering op de uitkering verrekent. In feite betaalt de partner die niets met de schuld te maken heeft er wel aan mee en dat is niet correct. Slechts de helft moet worden afgedragen.


Beslag op de uitkering
Wanneer een deurwaarder beslag op de uitkering legt wordt in juridische termen beslag gelegd op de vordering die de schuldenaar op de derde heeft. In het beslagexploot staat het ingewikkeld geformuleerd. Er staat dan bijvoorbeeld:

“EXECUTORIAAL BESLAG GELEGD:
Op alle vorderingen en roerende zaken, niet zijnde registergoederen, die de derde-beslagene verschuldigd mocht zijn en/of uit een bestaande rechtsverhouding verschuldigd mocht worden aan of onder berusting mocht hebben, meer in het bijzonder maar niet uitsluitend op het loon emolumenten / de uitkering van: X, geboren te…”

Op welke vordering van de schuldenaar op de sociale dienst wordt nu precies beslag gelegd wanneer het een bijstandsuitkering voor samenwonenden betreft?

Ondeelbaar, maar gesplitst uitbetaald
De bijstandsuitkering verstrekt aan samenwonenden is afhankelijk van het inkomen en vermogen van beiden en wordt aan beiden gezamenlijk toegekend. Het betreft een gezamenlijk recht op uitkering en dat recht is niet deelbaar. Je kunt niet zeggen “Doe mij maar een halve uitkering want mijn partner wil geen uitkering”.
Nadat het recht is vastgesteld wordt de uitkering gesplitst uitbetaald. Art. 45 lid 4 Pw bepaalt:

“De algemene bijstand wordt uitbetaald aan ieder van de rechthebbende echtgenoten voor de helft dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan een van hen voor het geheel.”

Deze bepaling spreekt van ‘echtgenoten’. Voor de Participatiewet worden samenwonenden aangemerkt als echtgenoten.

De vordering die de schuldenaar op de uitkeringsinstantie heeft betreft dus de helft van de uitkering en in de maand mei de helft van het opgebouwde vakantiegeld. Wanneer de schuldenaar de andere helft bij de uitkeringsinstantie zou opeisen, zou de gemeente dit weigeren. Dit kan immers alleen op gezamenlijk verzoek.

Nemo plus-regel
Voor het beslagrecht geldt de zogenaamde ‘nemo plus-regel’ hetgeen betekent dat de beslaglegger niet méér rechten en bevoegdheden kan uitoefenen dan de beslagdebiteur, zijn schuldenaar, zelf jegens de derde toekomt.
Dit betekent dat als de schuldenaar bij de gemeente niet méér kan vorderen dan de helft van de maandelijkse uitkering en de helft van het vakantiegeld, de beslaglegger dit ook niet kan doen.

Een uitzondering op de nemo plus-regel is dat de beslaglegger een beroep kan doen op de zogenaamde actio pauliana, omdat er sprake is van benadeling van de schuldeiser (art. 3:45 BW). Dit zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn wanneer de uitkering op gezamenlijk verzoek wordt uitbetaald aan degene die geen schulden heeft, met als bedoeling dat er niets onder het beslag zal vallen. Dit gezamenlijk verzoek kan dan door de beslaglegger worden vernietigd.

Omgekeerd kan echter niet. Degene zonder schulden kan niet gedwongen worden in te stemmen met een gezamenlijk verzoek tot uitbetaling van de uitkering aan degene met schulden.

Verrekenen
Wanneer een vordering op de uitkering wordt verrekend gelden in feite dezelfde regels als bij beslag. In art. 4:93 lid 4 Awb staat:

“De schuldenaar is niet bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn.”

Ingevuld voor onderhavige situatie staat er;
De uitkeringsinstantie is niet bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de uitkering van de uitkeringsgerechtigde nietig zou zijn.

Dit betekent derhalve dat ook hier geldt dat als de gemeente een vordering heeft op slechts één van de partners er alleen op dat deel van de uitkering verrekend kan worden.

Het kan hier gaan om invordering van teveel ontvangen uitkering, opgelegde boetes vanwege schending van de inlichtingenplicht, maar ook om de invordering van leenbijstand.

Gehuwden
De hier beschreven situatie betreft samenwonenden, maar het kan ook gaan om gehuwden getrouwd onder huwelijkse voorwaarden, of getrouwd in beperkte gemeenschap van goederen. Deze laatste huwelijksvorm is ingevoerd per 1 januari 2018. Een voorhuwelijkse schuld kan dan voor de helft verhaald worden op de gemeenschap van goederen, in dit geval de helft van het verschil tussen de uitkering en de beslagvrije voet.
Veel mensen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen (getrouwd vóór 1 januari 2018). Dan kan wel op de volledige uitkering beslag worden gelegd, ook al heeft de echtgenoot niets met de schuld te maken.

Proefprocedure
Of de volledige uitkering onder het beslag valt of slechts de helft, maakt veel uit. Bij een ‘kale beslagvrije voet’, dus zonder verhoging vanwege woonkosten en premie ziektekosten, gaat het op jaarbasis om € 908,-.
Er is geen jurisprudentie bekend over dit onderwerp. Om uitsluitsel te krijgen over deze interpretatie van de wetgeving willen we een aantal proefprocedures opstarten.

3 juli 2020 - Schuldinfo

André Moerman zet zich al jaren in voor mensen met schulden. Zijn website Schuldinfo.nl is toegankelijk voor iedereen en geeft brede en objectieve informatie. Daarnaast zijn er onder meer handleidingen, berekeningen, jurisprudentie en voorbeeldbrieven te vinden. De informatie op de website is praktisch goed toepasbaar waardoor bewindvoerders hun cliënten effectiever kunnen ondersteunen. De website is daarnaast gebruiksvriendelijk voor burgers die wél zelfredzaam zijn en op zoek zijn naar handvatten voor het oplossen van hun problemen (met schulden).

De NBPB award is een nieuw initiatief dat door de NBPB in het leven is geroepen met als doel een persoon, organisatie of instelling die veel betekent voor de (financieel) kwetsbare mens in de samenleving in het zonnetje te zetten. De award is bedoeld als compliment aan de ontvanger die zich optimaal inzet voor een betere ondersteuning, dienstverlening en/of meer begrip voor onze doelgroep. Het uitgangspunt is dat de inspanningen en werkzaamheden van deze persoon of organisatie een landelijk karakter hebben.

Tijdens de Algemene Ledenvergadering van de NBPB -in februari j.l.- hebben de leden unaniem gestemd voor het toekennen van de NBPB award 2020 aan André Moerman. Zijn medewerking aan onderzoeken, bijdragen aan de beeldvorming over schuldenproblematiek en de objectieve informatie op schuldinfo.nl worden zeer gewaardeerd door onze leden. Het heeft enige tijd geduurd voordat de award kon worden uitgereikt, vanwege de RIVM-maatregelen die ingesteld zijn na de uitbraak van COVID-19.

André Moerman is maatschappelijk relevant door zijn medewerking en input aan onderzoeken in het vakgebied. Hiermee wordt de landelijke schulden-problematiek met succes op de kaart gezet. Hiernaast levert André als voorzitter van de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR) een bijdrage aan de algemene beeldvorming en het in beeld brengen van knelpunten van de schuldenproblematiek.

Gemeenten moeten bij de invordering van teveel verstrekte uitkering rekening houden met de beslagvrije voet. Dat is ook het geval wanneer dit met de uitkering wordt verrekend. Verschillende gemeenten lopen alvast vooruit op invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet door 5% op de uitkering in te houden. Vaak is dat gunstig, maar niet altijd. Wanneer de huidige beslagvrije voet voor de debiteur gunstiger is, moet deze worden toegepast. Zo oordeelt ook rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Geen beslag- of verrekenruimte
De huidige beslagvrije voet is gelijk aan 90% van de toepasselijke bijstandsnorm verhoogt met een deel van de huur, premie ziektekosten en kindgebonden budget. Het komt regelmatig voor dat bij mensen met een minimum inkomen de beslagvrije voet hoger is dan het inkomen waardoor er geen beslag- of verrekenruimte is. Dit kan bijvoorbeeld het geval bij:

  • hoge woonlasten;
  • een dure aanvullende zorgverzekering;
  • een bijstandsuitkering waarbij de kostendelersnorm wordt toegepast (de hoogste kostendelersnorm is gelijk aan de halve echtparennorm en dus altijd lager dan de beslagvrije voet);
  • een bijstandsuitkering bij jongeren tot 21 jaar (de beslagvrije voet is sinds 1 januari 2020 gelijk aan die van 21 jaar en ouder en sindsdien altijd hoger dan de bijstandsnorm).

Nieuwe beslagvrije voet: de 5%-regel
Na invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet zal er altijd sprake zijn van een beslag- of verrekenruimte. Bij een minimum inkomen is de minimale afdracht 5% van het inkomen dat je ontvangt. Het is een bewuste keus van de wetgever dat schulden moeten worden afgelost, ook al is het slechts met een klein bedrag.
Aangezien de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet meerdere keren is uitgesteld, heeft staatssecretaris Van Ark begin 2019 een aantal ‘tussenmaatregelen’ genomen. Eén daarvan was een oproep aan de gemeenten om bij verrekening, anticiperend op de wet, minimaal uit te gaan van een percentage gelijk aan 95% van de bijstandsnorm voor respectievelijk een alleenstaande of gehuwde.

Gemeente op de vingers getikt
Aangezien de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet nog niet van kracht is zal de gemeente, mocht de huidige beslagvrije voet hoger zijn dan 95% van het inkomen, altijd uit moeten van dit hogere bedrag. Zo oordeelt ook rechtbank Zeeland-West-Brabant:

“De rechtbank is van oordeel dat op het moment dat Orionis kiest voor verrekening, Orionis gebonden is aan de regels die in de Awb aan verrekening van bestuursrechtelijke geldschulden worden gesteld. De regeling van artikel 4:93, vierde lid van de Awb houdt in dat Orionis niet bevoegd is tot verrekening als daarmee onder de beslagvrije voet wordt gekomen. Orionis is dus gehouden aan die regeling en dient het te verrekenen bedrag zodanig vast te stellen dat niet onder de beslagvrije voet wordt gekomen. Onder verwijzing naar de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet heeft Orionis zich op het standpunt gesteld dat het maandelijks te verrekenen bedrag 5% van de op eiseres van toepassing zijnde uitkeringsnorm dient te zijn. Zoals de commissie bezwaarschriften van Orionis ook al terecht heeft opgemerkt is deze wet nog niet in werking getreden. Voor een nadelige werking die eiseres van deze wet zou ondervinden, is dan ook (nog) geen plaats. Dit betekent dat de rechtbank uit zal gaan van de huidige wet. Omdat op grond van de huidige regelgeving voor de rechtbank niet vast staat dat eiseres na verrekening van de door Orionis gewenste 5% over een inkomen boven de beslagvrije voet beschikt, zal het bestreden besluit in zoverre worden vernietigd. Ook het primaire besluit zal in zoverre worden herroepen. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen, omdat Orionis de hoogte van de beslagvrije voet en daaraan gekoppeld de hoogte van het bedrag dat eventueel kan worden verrekend zal moeten vaststellen in een nieuw te nemen besluit. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 4 weken.

5. Omdat het beroep op het punt van de verrekening gegrond zal worden verklaard, moet Orionis aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Daarnaast zal de rechtbank Orionis in de door eiseres gemaakte proceskosten veroordelen, zowel in bezwaar als in beroep. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).”

En zo komt het negeren van het advies van de commissie bezwaarschriften de gemeente duur te staan.

Meer informatie
Rb Zeeland-West-Brabant 17 april 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:1870
Kamerbrief voortgang implementatie Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en Verbreding beslagregister
Gemeentenieuws van SZW 2019-4

Per saldo komen steeds minder burgers in aanmerking voor een schuldenvrije toekomst. De Nationale ombudsman maakt zich hier ernstig zorgen over. Uit onderzoek blijkt dat burgers die hun weg proberen te vinden naar de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) op verschillende terreinen knelpunten en belemmeringen tegenkomen.

Reinier van Zutphen: “Steeds meer burgers blijven met hun schulden zitten, hebben geen toekomstperspectief en belanden financieel en maatschappelijk – vaak voor lange tijd – op een zijspoor. Door de coronacrisis komen nog veel meer burgers in problematische schulden terecht. Hierdoor zal de behoefte aan een goed toegankelijk Wsnp-traject verder toenemen. Dat maakt de dalende instroom nog alarmerender en moeilijker te accepteren.”

Knelpunten toegang tot Wsnp
Worden burgers wel voldoende op weg geholpen om uit de schulden te kunnen komen? De ombudsman heeft onderzoek gedaan naar de praktische en formele knelpunten die de toegang tot de Wsnp belemmeren.

De gemeentelijke schuldhulpverlening
Burgers worden niet altijd voorgelicht over de mogelijkheden van de Wsnp. Of soms schildert een schuldhulpverlener de Wsnp ten onrechte als een kansloze optie af. Ook krijgen burgers niet altijd begeleiding bij het indienen van een Wsnp-verzoek. Terwijl dat voor de meeste burgers te ingewikkeld is. Gemeenten behoren in de toeleiding naar, tijdens en na het Wsnp-traject professionele ondersteuning aan te bieden.

De wetgever van de sociale zekerheidswetgeving
Mensen met een zogenaamde ‘fraudeschuld’ bij UWV, SVB of gemeenten worden voor tien jaar uitgesloten van het minnelijk traject. Hierdoor worden niet alleen echte fraudeurs bestraft maar ook burgers die te goeder trouw zijn en een vergissing maken. Volgens de ombudsman zou deze onredelijk lange tienjaarstermijn verkort en gelijkgesteld moeten worden aan de termijn van de goede trouw binnen de Wsnp-regeling (nu vijf jaar). Ook mag een burger verwachten dat deze termijn (en het verbod om mee te werken aan het minnelijk traject) alleen geldt voor terugvorderingen die zijn ontstaan door opzet of grove schuld (met een boete van 75% of hoger). Voor terugvorderingen met een boete van 50% of minder (bij geen opzet/grove schuld of bij verminderde verwijtbaarheid) zouden deze instanties de mogelijkheid moeten krijgen om mee te werken aan het minnelijk traject.

Deze maatregelen zouden veel burgers een snellere route verschaffen naar een schone lei. Het zou het minnelijk traject effectiever maken en veel tijd, geld en moeite besparen.

De wetgever van de Wsnp-regeling
Veel schuldenaren kunnen niet voldoen aan de toelatingseisen van de Wsnp. De regeling heeft een strenge en beladen reputatie. Daarom schrikken veel burgers terug en dienen geen verzoek in.

Als een schuldenaar het traject tussentijdse beëindigt, moet hij tien jaar wachten om opnieuw een verzoek in te kunnen indienen. De rechter kan hier niet van afwijken. Hierdoor zitten burgers een onmenselijk lange tijd in de ‘wachtkamer’ van de Wsnp. De ombudsman vindt dat deze tienjaarstermijn moet worden verkort. Daarnaast moet de Wsnp-rechter altijd de ruimte krijgen om maatwerk te leveren en rekening te houden met de omstandigheden en de belangen van de verzoeker. Ook is het wenselijk dat burgers onder voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de Wsnp als de gemeente er niet in slaagt om binnen een redelijke termijn (van bijvoorbeeld zes maanden) een minnelijke schuldregeling tot stand te brengen.

Schuldenbewindvoerders
Sinds de invoering in 2014 van schuldenbewind hebben veel burgers met problematische schulden bescherming gezocht bij een bewindvoerder. Burgers hebben theoretisch gezien op die manier meer kans om toegelaten te worden tot het minnelijk of wettelijk traject. Zij hebben tenslotte hulp van een bewindvoerder die hun financiële situatie stabiliseert, de administratie op orde brengt en houdt en een aanvraag voor een schuldregeling kan indienen en begeleiden. Toch staan sommige burgers al jaren onder bewind en doet de bewindvoerder niets aan hun schulden. De ombudsman vindt het wenselijk dat bewindvoerders hun cliënten actiever gaan doorgeleiden naar het minnelijk traject zodra dat kan én hiervoor een streefnorm (van bijvoorbeeld twaalf maanden) gaan hanteren. Nauwere samenwerkingsafspraken met de gemeentelijke schuldhulpverlening zijn hiervoor nodig. En ten slotte: ook de kantonrechter aan wie de bewindvoerder periodiek verantwoording moet afleggen zou er ook actief op moeten toezien dat de bewindvoerder voldoende inspanning levert om zijn cliënten een schuldenvrije toekomst te bezorgen.

Meer informatie
Rapport Hindernisbaan zonder finish
Stroomschema Wsnp
Hindernisbaan Wsnp

Het Amsterdamse Incassobureau Juristu handelde in strijd met de wet. Dat oordeelt de kantonrechter. Bij herhaling heeft zij haar opdrachtgever nodeloos op kosten gejaagd en hem foutief en misleidend geïnformeerd. De rechter bepaalt dat het incassobureau de volledige proceskosten ad. € 3.344,38 moet betalen omdat er onrechtmatig is gehandeld.


Betaling debiteuren bleef onvermeld
De klant van het incassobureau, een  administratie- en advieskantoor, schakelde in juli 2019 Juristu in voor het innen van openstaande rekeningen bij drie klanten. Nadat het incassobureau de drie debiteuren had aangeschreven, betaalden zij alle drie alsnog hun openstaande rekeningen binnen de gestelde termijn. Het incassobureau meldde zijn klant echter dat de rekeningen nog niet waren betaald en adviseerde om gerechtelijke stappen te ondernemen. De kosten daarvoor moest het administratiekantoor voorschieten, maar zouden volgens het incassobureau later worden verhaald op de debiteuren.

Schikking niet nagekomen
Het administratiekantoor volgde het advies op en ontdekte pas later dat de rekeningen al waren betaald. Het incassokantoor weigerde hierover vragen te beantwoorden. Pas na tussenkomst van een advocaat kwamen de twee partijen tot een schikking. Het incassokantoor kwam haar betalingsverplichting echter niet na, waarop het administratiekantoor naar de rechter stapte.

Willens en wetens misleid
De kantonrechter is van oordeel dat het incassobureau willens en wetens foutieve informatie heeft verstrekt over verschillende onderdelen van het proces. Omdat het in dit geval om drie afzonderlijke dossiers gaat, wijst dit eerder op een structurele werkwijze, dan op een omissie, zoals het incassobureau zelf stelde. Daarnaast bracht het bureau onder andere te hoge bedragen in rekening bij zijn klant. Tot slot rekent de kantonrechter het Juristu aan dat er onnodig gebruik is gemaakt van rechtsmiddelen. Het bureau wordt daarom veroordeeld tot het betalen van alle proceskosten en het vergoeden van de rente  over het te laat betaalde schikkingsbedrag.

Meer informatie
Rb Amsterdam 7 september 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4228

In het regeerakkoord is afgesproken dat er wordt gekeken naar de juridische afhandeling van schulden. Daarom onderzochten onderzoekers van het Lectoraat Schulden en Incasso van de Hogeschool Utrecht, de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden en Panteia in opdracht van het WODC in welke mate private schuldeisers (haalbare) betalingsregelingen treffen en hoe een gang naar de rechter kan worden voorkomen. De onderzoekers constateerden dat een betalingsregeling geen vanzelfsprekendheid is en dat schuldeisers dit middel heel verschillend toepassen.


Wanneer een schuld niet wordt betaald lopen de vorderingen snel op. Hoewel een groeiende groep schuldeisers graag maatwerk zou willen leveren in het afspreken van een betalingsregeling, hebben zij hiervoor vaak te weinig inzicht in de omstandigheden van de debiteur. Zo komt het voor dat een schuldeiser beslag legt op het inkomen terwijl er bij een andere schuldeiser een betalingsregeling loopt die dan niet meer nagekomen kan worden. Schuldeisers die de afgelopen jaren meer ruimte zijn gaan geven in het opstellen van een haalbare betaalregeling merken dat de ruimte die zij geven vaak direct wordt ingenomen door andere schuldeisers die wel druk zetten.

Kwetsbaarheden
Problematische schuldenproblematiek gaat vaak samen met één of meerdere kwetsbaarheden, zoals laaggeletterdheid, een licht verstandelijke beperking, sociale of gezondheidsproblemen. Mensen met problematische schulden stellen zich vaak passief op en hebben lang niet altijd een financieel overzicht, al helemaal niet als er sprake is van meerdere schuldeisers. Zonder financieel overzicht is het nagenoeg niet mogelijk om tot een passende betalingsregeling te komen die ook wordt nagekomen. Bij het niet nakomen van een regeling komt een zaak alsnog voor de rechter en neemt de schuld nog verder toe.

Voor de rechter
Als een zaak toch voor de rechter komt laat 70 tot 80 procent van de debiteuren verstek gaan. Debiteuren die wel komen, hebben vaak de hoop dat zij daar alsnog een betalingsregeling krijgen en staan na afloop teleurgesteld buiten als blijkt dat dit niet mogelijk is en de vordering enkel in omvang is toegenomen na de zitting. Rechters kunnen in de zaak formeel niet anders dan een vonnis toewijzen. Daarbij toetsen ze enkel of de debiteur formeel moet betalen, niet of de debiteur kan betalen.

Denkrichtingen
De onderzoekers noemen verschillende denkrichtingen om een betalingsregeling te stimuleren en een rechtsgang te voorkomen. De denkrichtingen gaan gepaard met voor- en nadelen voor zowel crediteuren als debiteuren. Een hiervan is het instellen van een recht op een betalingsregeling voordat er incassokosten gerekend mogen worden. Met het verhogen van het griffierecht wordt de drempel om naar de rechter te stappen mogelijk hoger, stellen de onderzoekers. Ook het hulp zoeken wanneer er meerdere schuldeisers zijn, zodat de schuldeisers elk een deel van de aflossingscapaciteit krijgen en er passende regelingen kunnen worden getroffen kan debiteuren volgens de onderzoekers mogelijk helpen.

Lees het volledige rapport
Betalingsregelingen – bevorderen van haalbare betalingsregelingen bij private schuldeisers

24 augustus 2020 - Schuldinfo

Het komt met enige regelmaat voor dat wanneer een schuldhulpverlener of een bewindvoerder uitstel vraagt voor het opstellen van een schuldregeling er toch nog snel even loonbeslag wordt gelegd. Het is dan moeilijk om de situatie stabiel te krijgen en de schuldregeling op te starten. Bovendien kan er niet voor de gezamenlijke schuldeisers gereserveerd worden. Wat kun je hieraan doen? Een voorlopige voorziening wsnp kan uitkomst bieden. De rechter kan er voor zorgen dat het beslag wordt opgeschort. Neem als voorbeeld een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake schuldeiser Hoist.

Wat vooraf ging
X is bij vonnis van 7 oktober 2013 veroordeeld tot betaling van € 3.034,51 aan Hoist. Op 27 januari 2020 is betrokkene onder beschermingsbewind gesteld. De beschermingsbewindvoerder heeft in maart 2020 de haar bekende schuldeisers – waaronder Hoist – verzocht geen verdere kosten te maken in verband met het incasseren van vorderingen. Bij brief van 25 april 2020 heeft de beschermingsbewindvoerder alle haar bekende crediteuren (waaronder Hoist) in het kader van een minnelijk traject een voorstel tegen finale kwijting gedaan. Op 29 mei 2020 heeft GGN namens Hoist loonbeslag gelegd onder de werkgever. Op 17 juni 2020 is X een overeenkomst tot schuldregeling aangegaan met Noordzij bewindvoerders.
Op 23 juni 2020 heeft X verzocht om een voorlopige voorziening wsnp. Tevens heeft X een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat Hoist het loonbeslag gedurende zes maanden niet ten uitvoer mag leggen.

Beoordeling
Het is de rechtbank gebleken dat voorafgaand aan de beslaglegging een positief budgetplan was waarbij € 621,00 kan worden gespaard voor alle crediteuren. De financiële situatie is, in die zin, zodanig stabiel dat vaste lasten kunnen worden voldaan, zonder dat er nog nieuwe schulden ontstaan. Door het loonbeslag, dat is gelegd ná aanvang van het minnelijk traject, wordt het budgetplan van X negatief. Dit houdt in dat er nieuwe schulden zullen ontstaan. Bovendien komt het dienstverband van X in gevaar, omdat zij bij een negatief budgetplan geen geld heeft om haar woon-werk verkeer te bekostigen. Een en ander betekent dat de huidige stabiliteit, die ook nodig is voor toelating tot de WSNP, wordt doorbroken. Dat is niet in het belang van de gezamenlijke crediteuren, zeker niet nu ook het werk – en daarmee het inkomen – van verzoekster in gevaar komt.

De rechtbank is van oordeel dat tegen de hiervoor geschetste achtergrond, waarbij de financiële situatie van X inmiddels stabiel was en inmiddels een minnelijk traject was gestart, het belang van X zwaarder dient te wegen dan het belang van Hoist bij het gelegde beslag. Dat geldt te meer nu dat beslag is gelegd nádat het minnelijk traject was opgestart. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen. Gelet op het verzoek tot toepassing van WSNP en het daarmee te bereiken doel, zal de rechtbank de gevraagde voorziening uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

De schuldsaneringsregeling
Een voorlopige voorziening wsnp wordt niet toegewezen, indien onaannemelijk is dat betrokkene  tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten. Dat laatste is voorshands niet het geval.
Het verzoek tot toelating van de wettelijke schuldsaneringsregeling kan nog niet worden afgedaan, nu het minnelijke traject nog niet is afgerond. De verdere behandeling van dit verzoek zal plaatsvinden op 15 december 2020 om 09:30 uur, indien twee weken voor voornoemde datum een compleet verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of tot het opleggen van een dwangakkoord (inclusief bijlagen) is aangeleverd.


De beslissing

De rechtbank:

  • verbiedt de tenuitvoerlegging van het namens Hoist gelegde executoriaal derdenbeslag onder RDW;
  • bepaalt dat de werkgever van verzoekster (RDW) in afwijking van artikel 476 Rv geen gelden onder zich hoeft te houden en het loon uitbetaalt aan de beschermingsbewindvoerder van verzoekster, zulks zonder enige inhouding of reservering wegens het namens Hoist gelegde beslag;
  • bepaalt dat de genoemde voorziening geldt totdat de uitspraak op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in kracht van gewijsde is gegaan of dit verzoek is ingetrokken;
  • bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt na verloop van zes maanden;
  • bepaalt dat de voortgezette behandeling van het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal plaatsvinden op 15 december 2020 om 09:30 uur, indien twee weken voor voornoemde datum een compleet verzoekschrift tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling of tot het opleggen van een dwangakkoord (inclusief bijlagen) is aangeleverd;
  • bepaalt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Onbekend maakt onbemind
De mogelijkheid om in dit soort situaties een voorlopige voorziening wsnp aan te vragen wordt nog weinig benut. Het is niet ingewikkeld en je hoeft het niet zelf te doen. Wsnp-bewindvoerders kunnen net als advocaten, hiervoor door de overheid gefinancierde rechtsbijstand verlenen.

Meer informatie
Rechtbank Den Haag 29 juni 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6548
Toevoegen bewindvoerders wsnp

Zie ook:
Rechtbank Noord-Holland 29 augustus 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:7801
Rechtbank Noord-Nederland 9 februari 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:771 
Rechtbank Noord-Nederland 17 augustus 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:5192

Deurwaarders zijn onderworpen aan tuchtrechtspraak, uitgevoerd door de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders en in hoger beroep door het Hof Amsterdam. Hierbij een selectie van uitspraken gepubliceerd in de maanden april t/m juni 2020.

Bij bankbeslag geen rekening gehouden met beslagvrije voet
Gelet op de hoogte van het bij het bankbeslag getroffen bedrag en in aanmerking genomen de bedragen die stonden vermeld op de toegezonden bankafschriften, had de deurwaarder onverwijld moeten overgaan tot toepassing van de beslagvrije voet.
Met de kamer is het hof van oordeel dat de deurwaarder zich daarbij niet kan verschuilen achter het feit dat de opdrachtgever volhardde in doorbetaling van de uit het beslag ontvangen gelden. Een deurwaarder dient rekening te houden met de belangen van zijn opdrachtgever, maar ook met de gerechtvaardigde belangen van de beslagdebiteur, in dit geval dus met de belangen van [X]. Daarmee gaat de deurwaarder niet op de stoel van de rechter zitten, maar past hij de regels uit de civielrechtelijke en tuchtrechtelijke jurisprudentie toe. Dat is ook aan zijn opdrachtgever uit te leggen. Klacht voor dit onderdeel gegrond. Maatregel: berisping en veroordeling in de proceskosten. >>>Uitspraak

Leggen van loonbeslag terwijl vordering is voldaan
Een klacht tegen een deurwaarderskantoor kan worden behandeld als ware dit een klacht tegen alle aan dat kantoor verbonden deurwaarders. Mag een deurwaarder overgaan tot executie van een (vermeende) titel? Het is aan de deurwaarder om op basis van een marginale toetsing te beslissen of de aan hem verstrekte gegevens voldoende grond bieden voor het te leggen van loonbeslag. De deurwaarder heeft in dit geval een onjuiste afweging gemaakt. Onder de geschetste omstandigheden hadden de deurwaarders niet op grond van het enkele feit dat klager na zovele jaren niet in staat of bereid was betalingsbewijzen over te leggen, mogen besluiten de verweren van klager en diens advocaten te passeren en over te gaan tot inning van de betwiste vordering door middel van het ingrijpende middel van loonbeslag. Dat zij dat toch hebben gedaan is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klacht gedeeltelijk gegrond. Maatregel berisping. Geen proceskostenveroordeling in hoger beroep. Wel bevestiging proceskostenveroordeling eerste aanleg. >>>Uitspraak
 

Dagvaarding onvoldoende onderbouwd
Opdrachtgever beklaagt zich er over dat de deurwaarder de dagvaarding niet voldoende heeft onderbouwd, waardoor zijn positie in de procedure sterk is verzwakt. De deurwaarder heeft de dagvaarding bovendien ingediend zonder voorafgaand overleg met klaagster over de inhoud ervan.
Het enkele gegeven dat een omissie (in de dagvaarding) later in de procedure herstelt kan worden, maakt niet dat de deurwaarder lichtvaardig mag omgaan met de wettelijke eisen die gesteld worden aan de dagvaarding. Daarbij speelt een rol dat de deurwaarder nergens heeft verklaard hoe de situatie als zodanig is komen te ontstaan. Klacht gegrond. Maatregel: geldboete ad. € 750 en veroordeling proceskosten ad. € 1500. >>>Uitspraak

Dagvaarding buiten achtergelaten
Klaagster beklaagt zich erover dat de dagvaarding niet op de juiste wijze aan haar adres is betekend, nu de deurwaarder de dagvaarding buiten heeft achtergelaten. Bij afwezigheid van de betrokkene, in samenhang met de onmogelijkheid om gebruik te maken van de (te kleine) brievenbus, dient de deurwaarder de best mogelijke manier te zoeken om de dagvaarding niettemin op de juiste plaats te bezorgen. De gekozen methode was naar het oordeel van de kamer in de gegeven omstandigheden juist. Klacht ongegrond. >>>Uitspraak

Onvoldoende informeren, niet reageren
In de situatie dat de deurwaarder helderheid probeert te verkrijgen over de vordering bij zijn opdrachtgever, kan het niet zo zijn dat hij klager daar gedurende het proces niet over informeert. Deze manier van opereren wordt echter tuchtrechtelijk laakbaar als de deurwaarder bewust niet reageert op schrijven van klager, die al die tijd in het ongewis wordt gelaten. Klacht gegrond. Maatregel: berisping. Proceskostenveroordeling. >>>Uitspraak

Correspondentie niet naar bewindvoerder
Het uitgangspunt in geval van een onderbewindstelling is dat er gecorrespondeerd wordt met de bewindvoerder, omdat een onderbewindgestelde juist onder bewind is gesteld omdat hij, als gevolg van zijn geestelijke en/of lichamelijk toestand, tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Hier heeft de deurwaarder geen gevolg aan gegeven. Nu de deurwaarder heeft verklaard de interne procedures te hebben aangescherpt om herhaling te voorkomen acht de kamer geen termen aanwezig een maatregel op te leggen. Klacht (gedeeltelijk) gegrond. Geen maatregel. >>>Uitspraak

Te snel bankbeslag gelegd
Het had op de weg van de deurwaarder gelegen om klaagster (nogmaals) in de gelegenheid te stellen om tot betaling van de restantvordering over te gaan, nadat het beslag op het inkomen van haar ex-partner was mislukt. Door gelijk over te gaan tot het leggen van beslag op de bankrekening van de ex-partner van klaagster zijn de kosten opgelopen. Deze kosten hadden eventueel voorkomen kunnen worden als klaagster nogmaals was aangeschreven. Verzet en klacht gegrond. Maatregel van waarschuwing. Geen proceskostenveroordeling. >>>Uitspraak

Ondanks betalingsvoorstel beslag onder Belastingdienst gelegd
De deurwaarder heeft ondanks het betalingsvoorstel van klaagster beslag onder de Belastingdienst gelegd. Niet duidelijk is geworden of de deurwaarder iets met het betalingsvoorstel van klaagster heeft gedaan. Verder is ten onrechte geen beslagvrije voet toegepast bij het beslag. De klacht is op deze onderdelen gegrond, voor het overige ongegrond. Maatregel van waarschuwing. Geen proceskostenveroordeling. >>>Uitspraak

Niet binnen redelijke termijn op e-mails gereageerd
De deurwaarder heeft meerdere malen niet binnen een redelijke termijn op e-mails heeft gereageerd, dan wel pas nadat een rappel aan de deurwaarder is verzonden. Uit de mondelinge toelichting van klaagster ter zitting kwam duidelijk naar voren dat het uitblijven van reacties tot veel stress leidde. De deurwaarder was voor een inhoudelijke reactie op de e-mailberichten van klaagster weliswaar afhankelijk van de opdrachtgever, maar van de deurwaarder had wel mogen worden verwacht dat hij in ieder geval de ontvangst van de e-mailberichten had bevestigd en daarbij had vermeld dat de e-mailberichten zouden worden doorgezonden naar de opdrachtgever. Dit is door de deurwaarder ook erkend. Klacht gedeeltelijk gegrond. Maatregel van berisping en veroordeling proceskosten ad. € 1500. >>>Uitspraak

Beslag op auto, derde beweert eigenaar te zijn
Wanneer een deurwaarder beslag legt op zaken waarop een derde eigendom pretendeert, is het aan die derde om zich tegen het beslag te verzetten. De enkele pretentie van derden noopt de deurwaarder niet tot het buiten het beslag houden van die zaken. Het moment waarop beslag wordt gelegd leent zich immers niet voor een uitgebreid onderzoek naar de eigendomsverhoudingen van in beslaggenomen zaken. Naderhand hebben klagers aan de deurwaarder geen stukken overgelegd alsmede niet als productie toegevoegd aan de klacht waaruit het eigendom van klager sub 2 op de auto blijkt. De tenaamstelling van de auto is onvoldoende om de eigendom te kunnen vaststellen. Klacht ongegrond. >>>Uitspraak

Geen beslagvrije voet, niet in Nederland wonen of vast verblijven?
De deurwaarder heeft op basis van artikel 475e Rv geen beslagvrije voet toegepast . Op grond van dat artikel geldt dat geen beslagvrije voet van toepassing is op vorderingen van een schuldenaar die niet in Nederland woont of vast verblijft. Vaststaat dat het adres van klaagster na de ontruiming in onderzoek was bij de gemeente. Alleen al op grond daarvan kan niet worden gezegd dat klaagster niet in Nederland woonachtig was of verbleef.
De deurwaarder heeft echter adequaat gereageerd op het verzoek tot onverwijlde aanpassing van de beslagvrije voet met terugwerkende kracht van 26 februari 2018 en de gelden aan klaagster gerestitueerd. De kamer komt om die reden tot het oordeel dat dit handelen van de deurwaarder geen tuchtrechtelijk verwijt oplevert. Klacht ongegrond. >>>Uitspraak

Geen beslagvrije voet toegepast bij eigenbeslag
Nu uit artikel 479i lid 2 Rv volgt dat de bepalingen omtrent de beslagvrije voet uit het derdenbeslag (475b-475g Rv) van overeenkomstige toepassing moeten worden verklaard, had de deurwaarder ook bij het eigenbeslag (alimentatieplichtige legt beslag onder zichzelf op de te verstrekken kinderalimentatie) de beslagvrije voet moeten toepassen. Het vaststellen van de beslagvrije is een kerntaak van de deurwaarder. De onbekendheid met betrekking tot de materie van het eigenbeslag ontslaat de deurwaarder niet van zijn verplichtingen uit de wet. Klacht gegrond. Maatregel: berisping en veroordeling proceskosten ad. € 1500. >>>Uitspraak
 

Meer informatie
overzichten tuchtrechtspraak deurwaarders
website tuchtrechtspraak

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) gaat bij het vaststellen van de hoogte van de boete in bijstandszaken niet langer uit van een beslagvrije voet van 90% maar van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm. De CRvB loopt hiermee vooruit op de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. Deze uitspraak heeft tot gevolg dat ook bestuursorganen die een boete opleggen en rechters die zelf een boete vaststellen vanaf nu zullen moeten anticiperen op de invoering van deze wet.

Het geschil
In deze zaak ging het om een man die bijstand ontving. De gemeente had hem een boete opgelegd, omdat hij de zogenoemde inlichtingenverplichting had geschonden. De rechtbank heeft eerder de opgelegde boete in stand gelaten. De man is tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij de CRvB. Het gaat in deze zaak om het vaststellen van de hoogte van de boete.

Lagere boete
De gemeente heeft bij de vaststelling van de boete een onjuist, namelijk te hoog, benadelingsbedrag als uitgangspunt genomen. Daarom neemt de CRvB zelf een beslissing over de hoogte van de boete. Hierbij heeft de CRvB, anders dan de gemeente, rekening gehouden met de huidige financiële omstandigheden van de man. Ook is, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, uitgegaan van een beslagvrije voet van 95%. De gemeente ging nog uit van 90%. De boete die de man nu opgelegd krijgt, is hierdoor lager geworden.

Vooruitlopen op nieuwe wet
Bij de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet wordt de beslagvrije voet voor mensen met een schuld die een inkomen op of onder bijstandsniveau hebben – kort gezegd – veranderd van 90% naar een vast percentage van 95% van het netto inkomen inclusief vakantietoeslag. Deze wet beoogt een eenvoudiger systeem te scheppen en mensen met een schuld te beschermen tegen een te laag inkomen. De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief aan de Tweede Kamer op 13 februari 2019 aangekondigd gemeenten op te roepen alvast vooruit te lopen op de invoering van deze wet.

De CRvB heeft in deze oproep aanleiding gezien om vanaf de datum van deze uitspraak, 4 augustus 2020, vooruit te lopen op de nieuwe wet. Daarvoor is van belang dat de invoering van de wet niet om inhoudelijke, maar om praktische en technische redenen is uitgesteld. Verder wordt zo een verschil voorkomen met door gemeenten opgelegde boetes waarbij aan de oproep van de staatsecretaris gehoor is gegeven.

Gevolg van deze uitspraak
Deze uitspraak heeft tot gevolg dat de rechter, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, vanaf vandaag in bijstandszaken waarin hij zelf de boete vaststelt en waarbij hij rekening moet houden met de financiële omstandigheden (de draagkracht) van de betrokkene, uitgaat van een beslagvrije voet van 95%. Bestuursorganen zoals gemeenten en de Sociale Verzekeringsbank zullen ook vanaf vandaag bij het opleggen van boetes in deze zaken niet langer moeten uitgaan van een beslagvrije voet van 90% maar van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Naschrift SchuldInfo
De CRvB heeft eerder bepaald dat bij de vaststelling van de hoogte van de boete rekening moet worden gehouden met de draagkracht van betrokkene. Voor mensen die bijstand ontvangen wordt hiervoor aansluiting gezocht bij de beslagvrije voet. In deze uitspraak loopt de CRvB vooruit op een wetswijziging waarbij de beslagvrije voet voor mensen met een minimum inkomen vastgesteld wordt op 95% van het ontvangen inkomen in plaats van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm.
Afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid komt dit bij een alleenstaande neer op de volgende maximale boetes:

Opzet
100% van het benadelingsbedrag, maar maximaal 24 maanden 5% van de bijstandsnorm: € 1271

Grove schuld
75% van het benadelingsbedrag, maar maximaal 18 maanden 5% van de bijstandsnorm: € 953

Geen opzet of grove schuld
50% van het benadelingsbedrag, maar maximaal 12 maanden 5% van de bijstandsnorm: € 635

Verminderde verwijtbaarheid
25% van het benadelingsbedrag, maar maximaal 6 maanden 5% van de bijstandsnorm:€ 317

De CRvB wijkt overigens wel af van de nieuwe regels voor berekening van de beslagvrije voet. De CRvB is uitgegaan van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm, in dit geval een lagere kostendelersnorm. Volgens de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is de beslagvrije voet bij een minimum inkomen gelijk aan 95% van het ontvangen inkomen. De wetgever heeft er voor gekozen om de kostendelersnorm bij de berekening van de beslagvrije voet niet toe te passen.


Meer informatie

CRvB 4 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1525

Wanneer je onder bewind staat krijg je twee bankrekeningen: een beheerrekening en een leefgeldrekening. Op de beheerrekening komt het inkomen binnen en de bewindvoerder betaalt via deze bankrekening de vaste lasten, zorgt voor de noodzakelijke reserveringen en maakt het leefgeld over op de leefgeldrekening. Over deze laatstgenoemde rekening kan de onder bewind gestelde zelf beschikken. Overzichtelijk en prettig geregeld. Althans als het goed gaat. De Centrale Raad van Beroep moest oordelen over een kwestie waarbij de gemeente de bijstandsuitkering op de leefgeldrekening heeft gestort, ondanks dat het bankrekeningnummer van de beheerrekening was doorgegeven. De onderbewindgestelde heeft het geld opgemaakt. Moet de gemeente de uitkering opnieuw betalen?

Wat voorafging
De kantonrechter heeft alle goederen die het echtpaar X en Y toebehoren en gaan toebehoren onder bewind gesteld, omdat ze zelf niet in staat zijn hun vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. De aangestelde bewindvoerder Beschermingsbewind Oost-Nederland B.V. heeft het college per brief van de onderbewindstelling op de hoogte gesteld en daarbij verzocht de bijstand voortaan over te maken op de beheerrekening. Bij besluit van 8 september 2016 heeft het college aan X en Y meegedeeld dat de bijstand met ingang van 1 september 2016 op de beheerrekening zal worden overgemaakt.

En dan gaat het mis. Op 28 september 2016 heeft het college de helft van de bijstand over de maand september 2016, een bedrag van € 663,07, overgemaakt op de leefgeldrekening, in plaats van op de beheerrekening. De bewindvoerder heeft namens betrokkene het college per brief verzocht het bedrag alsnog over te maken op de beheerrekening.

Het college heeft de brief van de bewindvoerder aangemerkt als bezwaarschrift tegen een op de wijze van betaling van de bijstand betrekking hebbende handeling als bedoeld in artikel 79 van de PW. Het college heeft het bezwaar vervolgens ongegrond verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld bevrijdend te hebben betaald. Het geld is overgemaakt op een rekening die aan X en Y toekwam en zij hebben de betaling niet geweigerd. Zij konden over het bedrag van € 663,07 beschikken en hebben dat ook gedaan. Zij hebben het geld immers opgenomen en voor eigen doeleinden gebruikt. Dit bedrag hoeft daarom niet nog een keer te worden betaald.

De bewindvoerder is het hier niet mee eens en vindt dat het college met betaling op de leefgeldrekening niet bevrijdend heeft betaald. De bewindvoerder heeft beroep bij de rechtbank ingediend. Dit beroep is ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de bewindvoerder hoger beroep ingesteld.

Beantwoording drie juridische vragen
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) beoordeelt aan de hand van drie juridische vragen of het college bevrijdend heeft betaald. Als dat het geval is hoeft het college niet opnieuw aan de bewindvoerder te betalen.

1. Is het bedrag in de beschikkingsmacht van de bewindvoerder gekomen?
Voor de vraag of het college bevrijdend heeft betaald door het geld over te maken op de leefgeldrekening is niet van belang of X en Y over dit geld konden beschikken. Zij waren immers onder bewind gesteld en daarmee niet inningsbevoegd. Het college moest op grond van artikel 1:438 van het BW betalen aan de bewindvoerder. Dat heeft het college ook gedaan. Het college heeft het bedrag van € 663,07 immers doen bijschrijven op de leefgeldrekening en de bewindvoerder heeft ook het beheer over die rekening. De omstandigheid dat X en Y het volledige bedrag hebben opgenomen en uitgegeven, nog voordat de bewindvoerder kennis had genomen van de betaling op de leefgeldrekening, doet er niet aan af dat het bedrag in de beschikkingsmacht van de bewindvoerder is gekomen.

2. Heeft de bewindvoerder betaling op de leefgeldrekening geldig uitgesloten?
De bewindvoerder heeft het college per brief van de onderbewindstelling op de hoogte gesteld en daarbij verzocht de bijstand voortaan over te maken op de beheerrekening in plaats van de leefgeldrekening. De bewindvoerder heeft daarmee betaling op de leefgeldrekening uitgesloten (6:114, eerste lid, BW).

3. Heeft de bewindvoerder betaling op de leefgeldrekening geweigerd?
Wanneer de gemeente het geld heeft overgemaakt op de leefgeldrekening, terwijl deze door de bewindvoerder geldig is uitgesloten, mag de bewindvoerder deze betaling weigeren. Indien hij dat doet, zal de gemeente het bedrag alsnog moeten overmaken. Is het bedrag ondanks de uitsluiting van de rekening toch volledig of ten dele ter beschikking van de bewindvoerder gekomen, dan zal de bewindvoerder de betaling op die rekening in beginsel slechts kunnen weigeren met terugbetaling van dat waarmee hij aldus is verrijkt. Zie het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7207. De bewindvoerder heeft het bedrag van € 663,07 niet terugbetaald aan het college. Hij heeft de betaling op de leefgeldrekening dan ook niet geweigerd.

Toetsing aan het zorgvuldigheidsbeginsel
De beantwoording van bovenstaande vragen leidt ertoe dat het college bevrijdend zou hebben betaald door het bedrag van € 663,07 over te maken op de leefgeldrekening. De CRvB komt echter toch tot een ander oordeel met een beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel.

“Het college heeft echter gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel door de bijstand te doen bijschrijven op deze rekening. Het college was immers bekend met het bewind en ook met het feit dat de bewindvoerder betaling van bijstand op de leefgeldrekening had uitgesloten. Toch heeft het college het bedrag van € 663,07, in strijd met het besluit van 8 september 2016 om de bijstand met ingang van 1 september 2016 op de beheerrekening over te maken, op de leefgeldrekening doen bijschrijven. Het college kon weten dat dit afbreuk zou kunnen doen aan de bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van appellant, met het oog waarop de kantonrechter het bewind nu juist heeft uitgesproken. Die vermogensrechtelijke belangen van appellant zijn hier ook daadwerkelijk in de knel geraakt. Appellant en X, die zelf niet in staat waren hun vermogensrechtelijke belangen op een behoorlijke manier waar te nemen, hadden het bedrag van € 663,07 al opgenomen en uitgegeven voordat de bewindvoerder kennis had genomen van de bijschrijving. Indien de bewindvoerder dat bedrag zou hebben moeten terugbetalen, dan zou dit met zich hebben gebracht dat de bewindvoerder dat bedrag niet zou hebben kunnen gebruiken voor de uitgaven die hij volgens het opgestelde budgetplan moest voldoen. De Raad ziet in deze omstandigheden aanleiding om, voor het antwoord op de vraag of het college bevrijdend heeft betaald, bepalend te achten of het betaalde appellant en X tot werkelijk voordeel heeft gestrekt. De Raad zoekt hierbij aansluiting bij artikel 6:31 van het BW. Aan dat artikel ligt immers een met het instellen van beschermingsbewind vergelijkbare beschermingsgedachte ten grondslag.”

In art. 6:31 BW staat:
“Betaling aan een onbekwame schuldeiser bevrijdt de schuldenaar, voor zover het betaalde de onbekwame tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of in de macht is gekomen van diens wettelijke vertegenwoordiger.”

Deze bepaling die van toepassing is bij betaling aan een onder curatele gestelde of een minderjarige is bij toepassing op onderhavige situatie als volgt te lezen:
Betaling aan de onderbewindgestelde bevrijdt het college, voor zover het betaalde de onderbewindgestelde tot werkelijk voordeel heeft gestrekt of in de macht is gekomen van diens bewindvoerder.

De Raad vervolgt:

“4.4.3.
Van werkelijk voordeel als bedoeld in
artikel 6:31 van het BW is niet al sprake als het geld in het vermogen van de onbekwame is gevloeid. Nagegaan moet worden wat er verder met het betaalde is gebeurd. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 6:31 van het BW zal het betaalde met name tot voordeel van de onbekwame hebben gestrekt als de onbekwame het betaalde heeft besteed ter bekostiging van levensonderhoud of studie, of van wat verder voor zijn geestelijk of lichamelijk welzijn dienstig kon zijn (zie daartoe de Memorie van Antwoord, Kamerstukken II, zitting 1975-1976, 7729, nrs. 6-7, p. 34). De Raad gaat er daarom van uit dat van werkelijk voordeel in dit geval sprake is geweest als appellant en X het op de leefgeldrekening betaalde bedrag hebben besteed aan hun levensonderhoud, dan wel hebben uitgegeven aan andere bestaanskosten, en de bewindvoerder met die uitgaven zou hebben ingestemd. Omdat het college zich op bevrijdende betaling beroept, ligt de bewijslast op dat punt bij het college.

4.4.4.
Dat appellant en X het bedrag van € 663,07 op de in 4.4.3 omschreven wijze hebben besteed, heeft het college niet aannemelijk gemaakt. Het college heeft ter zitting niet betwist dat, zoals van de kant van appellant is gesteld, appellant en X het bedrag van € 663,07 hebben opgenomen en verkwist. Gelet daarop, en gelet op het tijdsverloop, is er geen aanleiding het college toe te staan nader bewijs te leveren. Als vaststaand moet daarom worden aangenomen dat het betaalde niet tot werkelijk voordeel van appellant en X heeft gestrekt. Dit betekent dat het college alsnog tot uitbetaling van het bedrag van € 663,07 aan de bewindvoerder had moeten overgaan. Het college heeft ter zitting verklaard dat, indien nogmaals moet worden betaald, het niet tot terugvordering van het eerder betaalde bedrag van € 663,07 zal overgegaan.”

Vervolgens beslist de CRvB dat het college alsnog een bedrag van € 663,07 overmaakt op de beheerrekening.

Conclusie
Wanneer het college bekend is met het bewind en de bewindvoerder betaling op de leefgeldrekening heeft uitgesloten (het nummer van de beheerrekening heeft doorgegeven), handelt het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel wanneer het geld toch overgemaakt wordt op de leefgeldrekening.
Het college dient het bedrag dat overgemaakt is op de leefgeldrekening nogmaals over te maken op de beheerrekening, tenzij en voor zover:

  • het geld in de macht van de bewindvoerder is gekomen (de bewindvoerder heeft het tijdig kunnen onderscheppen);
  • het geld door de onderbewindgestelde is besteed ter bekostiging van levensonderhoud of studie, of van wat verder voor zijn geestelijk of lichamelijk welzijn dienstig kon zijn.

Meer informatie
Centrale Raad van Beroep 7 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1433

Wanneer beslag op een bijstandsuitkering voor samenwonenden wordt gelegd, terwijl slechts één van de partners een schuld heeft, wordt er vaak teveel aan de deurwaarder afgedragen. Hetzelfde is aan de orde wanneer de gemeente een vordering op de uitkering verrekent. In feite betaalt de partner die niets met de schuld te maken heeft er wel aan mee en dat is niet correct. Slechts de helft moet worden afgedragen.


Beslag op de uitkering
Wanneer een deurwaarder beslag op de uitkering legt wordt in juridische termen beslag gelegd op de vordering die de schuldenaar op de derde heeft. In het beslagexploot staat het ingewikkeld geformuleerd. Er staat dan bijvoorbeeld:

“EXECUTORIAAL BESLAG GELEGD:
Op alle vorderingen en roerende zaken, niet zijnde registergoederen, die de derde-beslagene verschuldigd mocht zijn en/of uit een bestaande rechtsverhouding verschuldigd mocht worden aan of onder berusting mocht hebben, meer in het bijzonder maar niet uitsluitend op het loon emolumenten / de uitkering van: X, geboren te…”

Op welke vordering van de schuldenaar op de sociale dienst wordt nu precies beslag gelegd wanneer het een bijstandsuitkering voor samenwonenden betreft?

Ondeelbaar, maar gesplitst uitbetaald
De bijstandsuitkering verstrekt aan samenwonenden is afhankelijk van het inkomen en vermogen van beiden en wordt aan beiden gezamenlijk toegekend. Het betreft een gezamenlijk recht op uitkering en dat recht is niet deelbaar. Je kunt niet zeggen “Doe mij maar een halve uitkering want mijn partner wil geen uitkering”.
Nadat het recht is vastgesteld wordt de uitkering gesplitst uitbetaald. Art. 45 lid 4 Pw bepaalt:

“De algemene bijstand wordt uitbetaald aan ieder van de rechthebbende echtgenoten voor de helft dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan een van hen voor het geheel.”

Deze bepaling spreekt van ‘echtgenoten’. Voor de Participatiewet worden samenwonenden aangemerkt als echtgenoten.

De vordering die de schuldenaar op de uitkeringsinstantie heeft betreft dus de helft van de uitkering en in de maand mei de helft van het opgebouwde vakantiegeld. Wanneer de schuldenaar de andere helft bij de uitkeringsinstantie zou opeisen, zou de gemeente dit weigeren. Dit kan immers alleen op gezamenlijk verzoek.

Nemo plus-regel
Voor het beslagrecht geldt de zogenaamde ‘nemo plus-regel’ hetgeen betekent dat de beslaglegger niet méér rechten en bevoegdheden kan uitoefenen dan de beslagdebiteur, zijn schuldenaar, zelf jegens de derde toekomt.
Dit betekent dat als de schuldenaar bij de gemeente niet méér kan vorderen dan de helft van de maandelijkse uitkering en de helft van het vakantiegeld, de beslaglegger dit ook niet kan doen.

Een uitzondering op de nemo plus-regel is dat de beslaglegger een beroep kan doen op de zogenaamde actio pauliana, omdat er sprake is van benadeling van de schuldeiser (art. 3:45 BW). Dit zou bijvoorbeeld aan de orde kunnen zijn wanneer de uitkering op gezamenlijk verzoek wordt uitbetaald aan degene die geen schulden heeft, met als bedoeling dat er niets onder het beslag zal vallen. Dit gezamenlijk verzoek kan dan door de beslaglegger worden vernietigd.

Omgekeerd kan echter niet. Degene zonder schulden kan niet gedwongen worden in te stemmen met een gezamenlijk verzoek tot uitbetaling van de uitkering aan degene met schulden.

Verrekenen
Wanneer een vordering op de uitkering wordt verrekend gelden in feite dezelfde regels als bij beslag. In art. 4:93 lid 4 Awb staat:

“De schuldenaar is niet bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn.”

Ingevuld voor onderhavige situatie staat er;
De uitkeringsinstantie is niet bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de uitkering van de uitkeringsgerechtigde nietig zou zijn.

Dit betekent derhalve dat ook hier geldt dat als de gemeente een vordering heeft op slechts één van de partners er alleen op dat deel van de uitkering verrekend kan worden.

Het kan hier gaan om invordering van teveel ontvangen uitkering, opgelegde boetes vanwege schending van de inlichtingenplicht, maar ook om de invordering van leenbijstand.

Gehuwden
De hier beschreven situatie betreft samenwonenden, maar het kan ook gaan om gehuwden getrouwd onder huwelijkse voorwaarden, of getrouwd in beperkte gemeenschap van goederen. Deze laatste huwelijksvorm is ingevoerd per 1 januari 2018. Een voorhuwelijkse schuld kan dan voor de helft verhaald worden op de gemeenschap van goederen, in dit geval de helft van het verschil tussen de uitkering en de beslagvrije voet.
Veel mensen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen (getrouwd vóór 1 januari 2018). Dan kan wel op de volledige uitkering beslag worden gelegd, ook al heeft de echtgenoot niets met de schuld te maken.

Proefprocedure
Of de volledige uitkering onder het beslag valt of slechts de helft, maakt veel uit. Bij een ‘kale beslagvrije voet’, dus zonder verhoging vanwege woonkosten en premie ziektekosten, gaat het op jaarbasis om € 908,-.
Er is geen jurisprudentie bekend over dit onderwerp. Om uitsluitsel te krijgen over deze interpretatie van de wetgeving willen we een aantal proefprocedures opstarten.

3 juli 2020 - Schuldinfo

André Moerman zet zich al jaren in voor mensen met schulden. Zijn website Schuldinfo.nl is toegankelijk voor iedereen en geeft brede en objectieve informatie. Daarnaast zijn er onder meer handleidingen, berekeningen, jurisprudentie en voorbeeldbrieven te vinden. De informatie op de website is praktisch goed toepasbaar waardoor bewindvoerders hun cliënten effectiever kunnen ondersteunen. De website is daarnaast gebruiksvriendelijk voor burgers die wél zelfredzaam zijn en op zoek zijn naar handvatten voor het oplossen van hun problemen (met schulden).

De NBPB award is een nieuw initiatief dat door de NBPB in het leven is geroepen met als doel een persoon, organisatie of instelling die veel betekent voor de (financieel) kwetsbare mens in de samenleving in het zonnetje te zetten. De award is bedoeld als compliment aan de ontvanger die zich optimaal inzet voor een betere ondersteuning, dienstverlening en/of meer begrip voor onze doelgroep. Het uitgangspunt is dat de inspanningen en werkzaamheden van deze persoon of organisatie een landelijk karakter hebben.

Tijdens de Algemene Ledenvergadering van de NBPB -in februari j.l.- hebben de leden unaniem gestemd voor het toekennen van de NBPB award 2020 aan André Moerman. Zijn medewerking aan onderzoeken, bijdragen aan de beeldvorming over schuldenproblematiek en de objectieve informatie op schuldinfo.nl worden zeer gewaardeerd door onze leden. Het heeft enige tijd geduurd voordat de award kon worden uitgereikt, vanwege de RIVM-maatregelen die ingesteld zijn na de uitbraak van COVID-19.

André Moerman is maatschappelijk relevant door zijn medewerking en input aan onderzoeken in het vakgebied. Hiermee wordt de landelijke schulden-problematiek met succes op de kaart gezet. Hiernaast levert André als voorzitter van de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR) een bijdrage aan de algemene beeldvorming en het in beeld brengen van knelpunten van de schuldenproblematiek.

Gemeenten moeten bij de invordering van teveel verstrekte uitkering rekening houden met de beslagvrije voet. Dat is ook het geval wanneer dit met de uitkering wordt verrekend. Verschillende gemeenten lopen alvast vooruit op invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet door 5% op de uitkering in te houden. Vaak is dat gunstig, maar niet altijd. Wanneer de huidige beslagvrije voet voor de debiteur gunstiger is, moet deze worden toegepast. Zo oordeelt ook rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Geen beslag- of verrekenruimte
De huidige beslagvrije voet is gelijk aan 90% van de toepasselijke bijstandsnorm verhoogt met een deel van de huur, premie ziektekosten en kindgebonden budget. Het komt regelmatig voor dat bij mensen met een minimum inkomen de beslagvrije voet hoger is dan het inkomen waardoor er geen beslag- of verrekenruimte is. Dit kan bijvoorbeeld het geval bij:

  • hoge woonlasten;
  • een dure aanvullende zorgverzekering;
  • een bijstandsuitkering waarbij de kostendelersnorm wordt toegepast (de hoogste kostendelersnorm is gelijk aan de halve echtparennorm en dus altijd lager dan de beslagvrije voet);
  • een bijstandsuitkering bij jongeren tot 21 jaar (de beslagvrije voet is sinds 1 januari 2020 gelijk aan die van 21 jaar en ouder en sindsdien altijd hoger dan de bijstandsnorm).

Nieuwe beslagvrije voet: de 5%-regel
Na invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet zal er altijd sprake zijn van een beslag- of verrekenruimte. Bij een minimum inkomen is de minimale afdracht 5% van het inkomen dat je ontvangt. Het is een bewuste keus van de wetgever dat schulden moeten worden afgelost, ook al is het slechts met een klein bedrag.
Aangezien de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet meerdere keren is uitgesteld, heeft staatssecretaris Van Ark begin 2019 een aantal ‘tussenmaatregelen’ genomen. Eén daarvan was een oproep aan de gemeenten om bij verrekening, anticiperend op de wet, minimaal uit te gaan van een percentage gelijk aan 95% van de bijstandsnorm voor respectievelijk een alleenstaande of gehuwde.

Gemeente op de vingers getikt
Aangezien de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet nog niet van kracht is zal de gemeente, mocht de huidige beslagvrije voet hoger zijn dan 95% van het inkomen, altijd uit moeten van dit hogere bedrag. Zo oordeelt ook rechtbank Zeeland-West-Brabant:

“De rechtbank is van oordeel dat op het moment dat Orionis kiest voor verrekening, Orionis gebonden is aan de regels die in de Awb aan verrekening van bestuursrechtelijke geldschulden worden gesteld. De regeling van artikel 4:93, vierde lid van de Awb houdt in dat Orionis niet bevoegd is tot verrekening als daarmee onder de beslagvrije voet wordt gekomen. Orionis is dus gehouden aan die regeling en dient het te verrekenen bedrag zodanig vast te stellen dat niet onder de beslagvrije voet wordt gekomen. Onder verwijzing naar de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet heeft Orionis zich op het standpunt gesteld dat het maandelijks te verrekenen bedrag 5% van de op eiseres van toepassing zijnde uitkeringsnorm dient te zijn. Zoals de commissie bezwaarschriften van Orionis ook al terecht heeft opgemerkt is deze wet nog niet in werking getreden. Voor een nadelige werking die eiseres van deze wet zou ondervinden, is dan ook (nog) geen plaats. Dit betekent dat de rechtbank uit zal gaan van de huidige wet. Omdat op grond van de huidige regelgeving voor de rechtbank niet vast staat dat eiseres na verrekening van de door Orionis gewenste 5% over een inkomen boven de beslagvrije voet beschikt, zal het bestreden besluit in zoverre worden vernietigd. Ook het primaire besluit zal in zoverre worden herroepen. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen, omdat Orionis de hoogte van de beslagvrije voet en daaraan gekoppeld de hoogte van het bedrag dat eventueel kan worden verrekend zal moeten vaststellen in een nieuw te nemen besluit. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 4 weken.

5. Omdat het beroep op het punt van de verrekening gegrond zal worden verklaard, moet Orionis aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Daarnaast zal de rechtbank Orionis in de door eiseres gemaakte proceskosten veroordelen, zowel in bezwaar als in beroep. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 525,- en wegingsfactor 1).”

En zo komt het negeren van het advies van de commissie bezwaarschriften de gemeente duur te staan.

Meer informatie
Rb Zeeland-West-Brabant 17 april 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:1870
Kamerbrief voortgang implementatie Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en Verbreding beslagregister
Gemeentenieuws van SZW 2019-4

Per saldo komen steeds minder burgers in aanmerking voor een schuldenvrije toekomst. De Nationale ombudsman maakt zich hier ernstig zorgen over. Uit onderzoek blijkt dat burgers die hun weg proberen te vinden naar de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) op verschillende terreinen knelpunten en belemmeringen tegenkomen.

Reinier van Zutphen: “Steeds meer burgers blijven met hun schulden zitten, hebben geen toekomstperspectief en belanden financieel en maatschappelijk – vaak voor lange tijd – op een zijspoor. Door de coronacrisis komen nog veel meer burgers in problematische schulden terecht. Hierdoor zal de behoefte aan een goed toegankelijk Wsnp-traject verder toenemen. Dat maakt de dalende instroom nog alarmerender en moeilijker te accepteren.”

Knelpunten toegang tot Wsnp
Worden burgers wel voldoende op weg geholpen om uit de schulden te kunnen komen? De ombudsman heeft onderzoek gedaan naar de praktische en formele knelpunten die de toegang tot de Wsnp belemmeren.

De gemeentelijke schuldhulpverlening
Burgers worden niet altijd voorgelicht over de mogelijkheden van de Wsnp. Of soms schildert een schuldhulpverlener de Wsnp ten onrechte als een kansloze optie af. Ook krijgen burgers niet altijd begeleiding bij het indienen van een Wsnp-verzoek. Terwijl dat voor de meeste burgers te ingewikkeld is. Gemeenten behoren in de toeleiding naar, tijdens en na het Wsnp-traject professionele ondersteuning aan te bieden.

De wetgever van de sociale zekerheidswetgeving
Mensen met een zogenaamde ‘fraudeschuld’ bij UWV, SVB of gemeenten worden voor tien jaar uitgesloten van het minnelijk traject. Hierdoor worden niet alleen echte fraudeurs bestraft maar ook burgers die te goeder trouw zijn en een vergissing maken. Volgens de ombudsman zou deze onredelijk lange tienjaarstermijn verkort en gelijkgesteld moeten worden aan de termijn van de goede trouw binnen de Wsnp-regeling (nu vijf jaar). Ook mag een burger verwachten dat deze termijn (en het verbod om mee te werken aan het minnelijk traject) alleen geldt voor terugvorderingen die zijn ontstaan door opzet of grove schuld (met een boete van 75% of hoger). Voor terugvorderingen met een boete van 50% of minder (bij geen opzet/grove schuld of bij verminderde verwijtbaarheid) zouden deze instanties de mogelijkheid moeten krijgen om mee te werken aan het minnelijk traject.

Deze maatregelen zouden veel burgers een snellere route verschaffen naar een schone lei. Het zou het minnelijk traject effectiever maken en veel tijd, geld en moeite besparen.

De wetgever van de Wsnp-regeling
Veel schuldenaren kunnen niet voldoen aan de toelatingseisen van de Wsnp. De regeling heeft een strenge en beladen reputatie. Daarom schrikken veel burgers terug en dienen geen verzoek in.

Als een schuldenaar het traject tussentijdse beëindigt, moet hij tien jaar wachten om opnieuw een verzoek in te kunnen indienen. De rechter kan hier niet van afwijken. Hierdoor zitten burgers een onmenselijk lange tijd in de ‘wachtkamer’ van de Wsnp. De ombudsman vindt dat deze tienjaarstermijn moet worden verkort. Daarnaast moet de Wsnp-rechter altijd de ruimte krijgen om maatwerk te leveren en rekening te houden met de omstandigheden en de belangen van de verzoeker. Ook is het wenselijk dat burgers onder voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de Wsnp als de gemeente er niet in slaagt om binnen een redelijke termijn (van bijvoorbeeld zes maanden) een minnelijke schuldregeling tot stand te brengen.

Schuldenbewindvoerders
Sinds de invoering in 2014 van schuldenbewind hebben veel burgers met problematische schulden bescherming gezocht bij een bewindvoerder. Burgers hebben theoretisch gezien op die manier meer kans om toegelaten te worden tot het minnelijk of wettelijk traject. Zij hebben tenslotte hulp van een bewindvoerder die hun financiële situatie stabiliseert, de administratie op orde brengt en houdt en een aanvraag voor een schuldregeling kan indienen en begeleiden. Toch staan sommige burgers al jaren onder bewind en doet de bewindvoerder niets aan hun schulden. De ombudsman vindt het wenselijk dat bewindvoerders hun cliënten actiever gaan doorgeleiden naar het minnelijk traject zodra dat kan én hiervoor een streefnorm (van bijvoorbeeld twaalf maanden) gaan hanteren. Nauwere samenwerkingsafspraken met de gemeentelijke schuldhulpverlening zijn hiervoor nodig. En ten slotte: ook de kantonrechter aan wie de bewindvoerder periodiek verantwoording moet afleggen zou er ook actief op moeten toezien dat de bewindvoerder voldoende inspanning levert om zijn cliënten een schuldenvrije toekomst te bezorgen.

Meer informatie
Rapport Hindernisbaan zonder finish
Stroomschema Wsnp
Hindernisbaan Wsnp

Actueel