Basic-Fit mag na opschorting abonnement geen kosten rekenen

14 juli 2019 - Schuldinfo

Zolang het abonnementsgeld niet wordt betaald kun je bij Basic-Fit geen gebruik maken van de sportfaciliteiten. De mogelijkheid om gebruik te maken van de sportfaciliteiten wordt opgeschort. Op zich logisch. Minder logisch is dat wanneer je alsnog betaalt, de abonnementsperiode niet wordt verlengd met de periode dat je niet kon sporten. De rechtbank Den Haag wees om die reden een vordering af nu in de algemene voorwaarden geen andere grond te vinden was om de kosten in rekening te brengen. Om dit uit te zoeken moest de rechtbank een extra zitting inlassen. De rechtbank Den Haag heeft aangekondigd dit voortaan niet meer te doen. Vanaf 1 oktober 2019 geldt een nieuw beleid: de dagvaarding moet alle informatie bevatten die nodig is om de algemene voorwaarden ambtshalve te toetsen. Gebeurt dit niet dan wordt de vordering afgewezen.

Wat vooraf ging
X is op 27 februari 2017 met Basic-Fit een overeenkomst aangegaan voor de prijs van € 23,98 per maand. X heeft niet alle termijnen betaald met als gevolg dat Basic-Fit de overeenkomst per 13 juni 2017 heeft opgeschort (te weten het aan X toegang verlenen tot de sportfaciliteiten) tot dat X de achterstand heeft voldaan.

Basic-Fit heeft, bijgestaan door Van Arkel Gerechtsdeurwaarders, X voor een totaalbedrag van € 245,52 (inclusief € 40,- incassokosten) gedagvaard. X is niet verschenen.

Ambtshalve toetsing
Aangezien X een consument is zal de rechter op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie (o.a. 4 juni 2009, C 243/08) moeten beoordelen of de algemene voorwaarden waarop Basic-Fit zich beroept onredelijk bezwarend zijn. Om dit te kunnen doen had de rechter meer informatie nodig.

  • de hoedanigheid van de wederpartij, is X inderdaad een consument;
  • het contract dan wel de schriftelijke bevestiging van de inschrijving;
  • de algemene voorwaarden;
  • een opgave van de looptijd van het abonnement en de maandelijks verschuldigde abonnementsprijs;
  • de factu(u)r(en) waarvan betaling wordt gevorderd;
  • de gevolgen en de duur van het niet, niet tijdig of niet volledig voldoen van de abonnementsgelden voor het gebruik van de sportfaciliteiten voor gedaagde partij.

De rechter heeft dit bij tussenuitspraak bepaald.

De einduitspraak
“Eisende partij beroept zich op een opschortingsrecht. Opschorting is een bevoegdheid van een partij om de nakoming van zijn prestatie uit te stellen totdat de wederpartij aan zijn verplichtingen heeft voldaan.
Voor zover eisende partij op grond van haar algemene voorwaarden een beroep doet op opschorting, heeft het volgende te gelden. Eisende partij heeft in de dagvaarding noch in de akte concreet gemaakt op welke bepaling uit de algemene voorwaarden zij een beroep doet, zodat de vordering voor zover deze op de algemene voorwaarden is gegrond als onvoldoende onderbouwd afgewezen dient te worden.

Voor zover eisende partij een beroep doet op de wettelijke opschortingsbevoegdheid heeft het volgende te gelden. Uit hetgeen eisende partij heeft gesteld, blijkt niet dat er sprake is van een uitgestelde prestatie aan de zijde van eisende partij. Immers, gesteld noch gebleken is dat eisende partij aan gedaagde partij, nadat deze aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, een periode ter beschikking heeft gesteld waarin gedaagde partij alsnog gebruik kon maken van de sportfaciliteiten, welke periode gelijk is aan de periode dat gedaagde partij geen toegang had tot de sportfaciliteiten wegens de wanbetaling. Eisende partij komt dan ook geen beroep op het wettelijke opschortingsrecht toe.
Het voorgaande brengt mee dat de vordering van eisende partij zal worden afgewezen. De gevorderde abonnementsgelden over de periode vanaf augustus 2017 zien namelijk op de periode na het moment (13 juni 2017) waarop eisende partij haar verplichtingen (ten onrechte) heeft opgeschort.”

De kantonrechter overweegt ten overvloede nog het volgende:
“Eisende partij is een zogenaamde ‘repeat player’. Dat wil zeggen dat zij in het recente verleden (zeer) veel met de onderhavige zaak vergelijkbare zaken heeft aangebracht. Daarvan is het grootste gedeelte door de kantonrechter bij verstek afgedaan. Echter niet eerder dan nadat eisende partij iedere keer de gelegenheid is geboden om nadere informatie te verschaffen en zich ter zake over een mogelijk beroep op oneerlijke bedingen en strijdigheid met dwingend consumentenrecht uit te laten en zo nodig haar stellingen aan te passen. Eisende partij mag daarom bekend worden verondersteld met de informatie die ontbreekt in de (standaard)dagvaardingen in zaken als de onderhavige en eisende partij is dienaangaande als voldoende gehoord en geïnformeerd te beschouwen. Tot op heden heeft eisende partij haar (standaard)dagvaarding evenwel niet (in voldoende mate) aangepast. Daarmee voldoet zij niet aan de stelplicht en handelt zij in strijd met de goede procesorde. Voorts frustreert zij daarmee de waarheidsvinding en de toetsing van de vordering aan dwingend consumentenrecht en consumentenbeschermende bepalingen.

Door de kantonrechter te Den Haag zal dan ook met ingang van 1 oktober 2019 in vergelijkbare verstekzaken van alle zogenaamde ‘repeat players’ waarin de waarheidsvinding en de toetsing van de vordering aan dwingend consumentenrecht en consumentenbeschermende bepalingen wordt gefrustreerd op bovenvermelde wijze, beslissen op basis van de dagvaarding. Een gelegenheid om nadere informatie te verschaffen en zich uit te laten over een mogelijk beroep op oneerlijke bedingen en strijdigheid met dwingend consumentenrecht en zo nodig stellingen aan te passen zal niet langer worden geboden. De eventuele gevolgen daarvan voor de vordering komen voor rekening van de eisende partijen.”

Meer informatie
Rb Den Haag 1 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6396 (eindvonnis)
Rb Den Haag 6 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6332 (tussenvonnis)