Bijzondere bijstand als vangnet, ook bij loonbeslag!

12 januari 2019 - Schuldinfo

Bij een verzoek om bijzondere bijstand voor bepaalde kosten zal het college van B&W vaststellen hoeveel betrokkene zelf van deze kosten kan betalen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in een uitspraak op 28 maart 2006 bepaald dat bij deze zogenaamde draagkrachtberekening het deel van het inkomen waar beslag op ligt, niet meegenomen mag worden, omdat je over dat deel redelijkerwijze niet kunt beschikken. Een mooie uitspraak die recht doet aan bijstand als vangnet. De CRvB oordeelde echter op 14 februari 2017 anders. Er zou geen rekening hoeven worden gehouden met loonbeslag. Volgens de rechtbank Oost-Brabant kan echter uit deze laatste uitspraak, gedaan door een enkelvoudige kamer en niet goed onderbouwd, niet de conclusie worden getrokken dat sprake is van een koerswijziging van de CRvB.


Wat vooraf ging
Betrokkene is vanwege schulden onder bewind gesteld. De bewindvoerder heeft bij de gemeente Helmond bijzondere bijstand aangevraagd voor griffierecht, intakekosten en de maandelijkse kosten voor beschermingsbewind. Aangezien er beslag op zijn inkomen is gelegd is betrokkene niet in staat deze kosten zelf te betalen.
De gemeente Helmond wijst de aanvraag af en verklaart het bezwaarschrift ongegrond. Volgens het college moet het deel van het inkomen waar beslag op ligt ook meegenomen worden bij het berekenen van de draagkracht, omdat dit anders zou leiden tot het indirect verstrekken van bijstand voor schulden. Dat is in strijd met artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw.
Het college beroept zich daarbij op een uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017. Met die uitspraak is de CRVB volgens het college teruggekomen van eerdere vaste rechtspraak op basis waarvan inkomen waar beslag op ligt niet mag worden betrokken bij de vaststelling van de draagkracht, zoals bijvoorbeeld de uitspraak van de CRVB van 28 maart 2006.

De bewindvoerder heeft beroep aangetekend en de rechtbank Oost-Brabant oordeelt als volgt:

Beoordeling

13. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat uit de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017 niet kan worden afgeleid dat daarmee is beoogd af te wijken van de tot dan toe gehanteerde lijn van de CRVB zoals die is verwoord in de uitspraak van 28 maart 2006. In deze uitspraak heeft de CRvB over het in beschouwing nemen van het inkomen voor zover daarop executoriaal beslag is gelegd overwogen dat niet kan worden gezegd dat de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over zijn inkomen voor zover daarop executoriaal beslag is gelegd omdat de betrokkene dat inkomensdeel immers niet feitelijk kan besteden, ter zake niet beschikkingsbevoegd is noch zijn werkgeefster aan kan spreken om, in weerwil van het gelegde beslag, bedoeld inkomensdeel aan hem uit te betalen. De CRvB heeft daarbij expliciet vermeld dat het bepaalde in artikel 15 van de destijds vigerende Algemene Bijstandswet (ABW) aan het vorenstaande niet afdeed. De strekking van artikel 15 van de ABW was vrijwel identiek aan het huidige artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw.

14. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank niet in de rede dat de CRvB ongemotiveerd, in enkelvoudig verband en zonder aan te geven dat sprake is van een fundamentele koerswijziging van de hiervoor bedoelde vaste rechtspraak zou afwijken. De rechtbank volgt daarom verweerder niet in de conclusie dat, gelet op de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017, een aanvrager van bijzondere bijstand voor de bepaling van zijn draagkracht, anders dan voorheen, nu wel geacht wordt redelijkerwijs te kunnen beschikken over het deel van zijn inkomen waarop executoriaal beslag ligt. De rechtbank hecht aan de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017 dus niet de betekenis die verweerder daaraan gehecht wenst te zien.

15. Gelet op bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder het gedeelte van eisers inkomen waar beslag op is gelegd ten onrechte heeft aangemerkt als inkomen dat moet worden meegenomen bij de berekening van de draagkracht van eiser. Het beroep is dan ook gegrond wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb, en het bestreden besluit wordt vernietigd.

Naschrift
Deze jurisprudentie is ook van belang wanneer betrokkene is toegelaten tot de Wsnp. Er zal dan bij de draagkrachtberekening alleen rekening mogen worden gehouden met het ‘vrij te laten bedrag’. Het is verdedigbaar dat ook bij een minnelijke schuldregeling, hierbij aansluiting wordt gezocht.

Meer informatie
Rechtbank Oost-Brabant 21 december 2018, zaaknummer SHE18/522
CRVB van 28 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006: AV8374
CRvB van 14 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:501
CRvB van 18 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1556
Bijzondere bijstand kosten curator, bewindvoerder en mentor