Gemeente Velsen stuurt dwangbevel niet ook naar bewindvoerder

5 augustus 2018

Een bewindvoerder beheert de financiën van een man met schulden die dat niet zelf kan. Hij krijgt van de gemeente Velsen bericht over een belastingaanslag die nog open staat en uitstel van betaling. De bewindvoerder reageert niet op die brief. Vervolgens krijgt de cliënt een dwangbevel per post thuisbezorgd. De bewindvoerder krijgt hiervan geen kopie. Volgens de gemeente is dit technisch niet mogelijk. Daarover dient hij een klacht bij de ombudsman in. De ombudsman vindt het van belang dat de bewindvoerder op de hoogte is van alles wat de bewindvoering aangaat. Door het dwangbevel niet naar de bewindvoerder te sturen, heeft de gemeente gehandeld in strijd met het vereiste van maatwerk


Verzoeker is door de rechter benoemd als bewindvoerder van de heer Verbeek.*
Verzoeker informeert de gemeente over het bewind. De gemeente laat hem
daarna weten dat de heer Verbeek nog een belastingaanslag aan de
gemeente moet betalen en biedt daarvoor uitstel van betaling tot eind
juli 2016. Als betaling uitblijft stuurt een deurwaarderskantoor in
opdracht van de gemeente in november 2016 voor het openstaande bedrag
een dwangbevel per post naar het adres van de heer Verbeek. Verzoeker
dient over die gang van zaken een klacht in, waarna de gemeente een
betalingsregeling met hem treft. De kosten voor het dwangbevel hoeft hij niet te betalen.

Verzoeker, bewindvoerder, klaagt erover dat de
gemeente Velsen een dwangbevel voor de inning van een belastingschuld
van een persoon die onder zijn bewind staat, aan deze persoon heeft
toegestuurd en niet (ook) aan hem als bewindvoerder.

De ombudsman vindt dat van de gemeente c.q. de deurwaarder verwacht had mogen worden dat zij het dwangbevel naar verzoeker zou sturen en in kopie naar de
heer Verbeek. Personen die onder bewind staan, vormen een kwetsbare
groep. Het gaat om mensen die hun financiële zaken niet meer zelf kunnen regelen. Het is belangrijk dat overheden oog hebben voor het
perspectief van die burger. Een bewindvoerder neemt tijdens het bewind
beslissingen over geld en goederen van de onder zijn bewind gestelde
persoon. Ook vertegenwoordigt hij deze persoon bij de vervulling van
zijn taak in en buiten rechte. Het dwangbevel is een executoriale titel
en kan daardoor gevolgen hebben voor de goederen van de onder bewind
gestelde persoon. Het is van belang dat de bewindvoerder op de hoogte is van al datgene wat de bewindvoering aangaat.

De gemeente heeft gehandeld in strijd met het vereiste van maatwerk.

De Nationale ombudsman heeft met instemming kennisgenomen van het feit dat de gemeente in deze zaak heeft gezorgd voor een goede maatwerkoplossing door alsnog een betalingsregeling te treffen zonder verdere kosten voor de heer Verbeek. Ook heeft de ombudsman met instemming kennis genomen
van het feit dat de gemeente haar werkwijze en de Leidraad op dit punt
gaat aanpassen. De ombudsman geeft de gemeente daarbij in overweging om
het dwangbevel zelf naar de bewindvoerder te sturen en de kopie ervan
naar de onder bewindgestelde persoon.

* naam is gefingeerd

Meer informatie
Rapport Nationale ombudsman 10 april 2018, nr. 2018/018
Achtergrondinfo: curator c.q. bewindvoerder is aanspreekpunt

Gebrek aan informatie tijdens traject schuldhulpverlening

29 juli 2018

Een vrouw vraagt twee keer vlak na elkaar schuldhulpverlening aan bij de gemeente Tilburg. De gemeente beëindigt het tweede traject zonder een beëindigingsregeling te treffen. Ze klaagt erover dat de gemeente haar tijdens de klachtbehandeling onvoldoende informatie heeft verstrekt en te traag heeft gehandeld. De Nationale ombudsman vindt dat de gemeente inderdaad tekort is geschoten in de informatieverstrekking en in het tweede traject niet voortvarend heeft gehandeld. De klacht is deels gegrond.


Verzoekster doorloopt twee trajecten schuldhulpverlening bij de gemeente Tilburg.
Tijdens het eerste traject houdt verzoekster volgens de gemeente vol dat zij geen minnelijke regeling wil. De schuldhulp blijft daarom beperkt
tot enkele gesprekken met de frontoffice. Het traject wordt na vijf
maanden afgesloten met een brief waarin staat dat het dossier wordt
gesloten omdat verzoekster geen minnelijke regeling wil. Verzoekster
meldt zich kort daarna opnieuw aan voor schuldhulp.

In het tweede traject wordt haar aanvankelijk opnieuw alleen hulp verleend door de
frontoffice. De reden hiervan is dat verzoekster volgens de gemeente ook nu volhoudt dat zij geen minnelijke regeling wil. Ze is zelf bezig met
initiatieven om geld bij elkaar te krijgen. Deze initiatieven staan in
de weg aan het treffen van een schuldregeling. Volgens verzoekster wilde zij echter wel een minnelijke regeling. Ze wilde daarnaast kijken wat
zij in eigen kring kon regelen. Als de gemeente haar uiteindelijk laat
weten dat zij tot een duidelijke keuze moet komen: wel of niet een
minnelijke regeling, kiest zij voor een minnelijke regeling. Haar
dossier wordt dan alsnog overgedragen aan de backoffice.

Door
capaciteitsproblemen bij de backoffice wordt haar dossier pas vijf
maanden later opgepakt. Twee maanden daarna blijkt dat de belangrijkste
schuldeiser niet akkoord gaat en dat er dus geen minnelijke regeling tot stand komt. Verzoekster heeft intussen een klacht ingediend over de
trage werkwijze van de gemeente. Tijdens het gesprek over haar klacht
krijgt zij te horen dat het voorstel voor de minnelijke regeling is
afgewezen. Verzoekster is boos over het feit dat zij dit niet direct te
horen heeft gekregen. Zij dient haar klacht in bij de Nationale
ombudsman. De klacht van verzoekster gaat over de trage werkwijze van de gemeente, over de slechte informatievoorziening en over de
klachtbehandeling die volgens haar niet professioneel is verlopen.

De Nationale ombudsman is van mening dat de gemeente in het tweede traject heeft gehandeld in strijd met het vereiste van voortvarendheid.
Verzoekster heeft tijdens dat traject te lang in onzekerheid verkeerd
over waar zij aan toe was.

Zowel in het eerste als in het tweede
traject heeft de gemeente ook gehandeld in strijd met het vereiste van
goede informatieverstrekking. Door niet te voorzien in algemene
informatie op schrift bij de start van de schuldhulpverlening gaat de
gemeente Tilburg er ten onrechte van uit dat burgers die in de schulden
zitten de informatie die zij tijdens de eerste gesprekken ontvangen
kunnen bevatten en vasthouden. Daarmee doet de gemeente geen recht aan
de realiteit van mensen die in de schulden zitten. De gemeente had
voorts op beslissende momenten aan verzoekster een gemotiveerde
beschikking moeten toezenden. Daarmee had de gemeente kunnen en moeten
voorkomen dat verschillende inzichten ontstonden over het doel en de
aard van de schuldhulpverlening. Ook had de gemeente verzoekster met
enige regelmaat schriftelijk moeten informeren over de stand van zaken
in haar dossier, over welke hulp haar wel en niet kon worden geboden en
over wat van haar werd verwacht als zij meer of andere schuldhulp
wenste.

Ten slotte is de Nationale ombudsman van mening dat de
gemeente de formele klachtenprocedure had moeten volgen toen verzoekster aangaf niet tevreden te zijn met de informele reactie op haar klacht.
Door dit niet te doen heeft de gemeente ook gehandeld in strijd met het
vereiste van fair play.

Meer informatie
rapport Nationale ombudsman, 23 mei 2018
achtergrondinfo schuldhulpverlening

Schuldhulpverlening uitbesteed? Gemeente blijft verantwoordelijk!

25 juli 2018

Een bewindvoerder klaagt namens een stel over de schuldhulpverlening die de gemeente De Ronde Venen heeft uitbesteed aan een gespecialiseerd bedrijf. Omdat er na twee jaar geen voortgang is, vinden zij de schuldhulpverlening onvoldoende professioneel en voortvarend en de gemeente neemt hiervoor volgens hen geen verantwoordelijkheid. Het stel heeft door de trage schuldhulpverlening extra kosten gemaakt en vraagt om een schadevergoeding. De Nationale ombudsman acht de klacht gegrond en doet de gemeente de aanbeveling om persoonlijk contact op te nemen met het stel om een schadevergoeding te bespreken.


De heer en mevrouw R. ontvangen van de gemeente schuldhulpverlening. De gemeente heeft de schuldhulpverlening uitbesteed aan Onderneming X. De heer en mevrouw R. hebben op 2 maart 2015 een aanvraag ingediend voor schuldhulpverlening. De bewindvoerder heeft op 29 september 2016 een klacht ingediend bij de gemeente. Op dat moment was er namelijk nog geen schuldenregeling tot stand gekomen en geen vooruitgang geboekt in het dossier van de heer en mevrouw R. Dit was voor de heer en mevrouw R. heel vervelend, omdat zij al die tijd samen met hun drie kinderen moesten rondkomen van een klein bedrag aan leefgeld per week, terwijl hun schuldhulpverlening niet van de grond kwam.

De bewindvoerder van de heer en mevrouw R. klaagt bij de Nationale ombudsman dat de schuldhulpverlening aan de heer en mevrouw R., uitgevoerd door Onderneming X in opdracht van de gemeente, onvoldoende voortvarend en professioneel is geweest en de gemeente hiervoor onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen.

De Nationale ombudsman overweegt dat de schuldhulpverlening aan de heer en mevrouw R. onvoldoende voortvarend is geweest en daarom in strijd is met het vereiste van voortvarendheid. De gemeente heeft ná de klachten van de bewindvoerder zich wel voldoende ingespannen om het dossier van de heer en mevrouw R. weer naar behoren te laten behandelen, maar de gemeente heeft de bewindvoerder aanvankelijk niet goed geïnformeerd over de ondernomen acties. Dat is in strijd met het vereiste van een goede informatieverstrekking. Verder heeft de gemeente het verzoek om schadevergoeding van de heer en mevrouw R. afgewezen. Dit is in strijd met het vereiste van een coulante opstelling. De Nationale ombudsman overweegt dat de gemeente ook bij uitbestede schuldhulpverlening verantwoordelijk blijft voor de kwaliteit ervan en dat het gelet op de in deze zaak geschonden behoorlijkheidsnormen en de nadelige gevolgen hiervan voor de heer en mevrouw R. beter zou zijn als de gemeente hen een passende vergoeding aanbiedt.

De Nationale ombudsman ondersteunt de aanbeveling van de klachtcoördinatoren van de gemeente om voortaan over de voortgang van de verschillende dossiers regelmatig gesprekken te voeren met de schuldhulpverlener. Verder beveelt de Nationale ombudsman de gemeente aan om alsnog persoonlijk contact op te nemen met de heer en mevrouw R. en een passende vergoeding voor de geleden schade aan te bieden.

Meer informatie
rapport Nationale ombudsman 16 juli 2018
achtergrondinfo schuldhulpverlening

Overzicht tuchtrechtspraak deurwaarders april t/m juni 2018

22 juli 2018

Deurwaarders zijn onderworpen aan tuchtrechtspraak, uitgevoerd door de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders en in hoger beroep door het Hof Amsterdam. Hierbij een selectie van uitspraken gepubliceerd in de maanden april t/m juni 2018.


Omzeilen beslagvrije voet door bankbeslag te leggen
Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij door het leggen van het bankbeslag bewust de beslagvrije voet heeft omzeild, het bankbeslag niet onverwijld heeft opgeheven, ten onrechte geen informatie heeft verstrekt, het derdenbeslag niet heeft overbetekend en ten onrechte de door klager geleden schade slechts gedeeltelijk heeft vergoed. Het hof verklaart de klacht op 4 onderdelen. Voor de schade verwijst het hof naar de civiele rechter.
T,a,v, het bankbeslag overweegt het hof het volgende:
“Uit de stukken in deze procedure is gebleken dat klager ten tijde van het beslag op zijn bankrekening een bijstandsuitkering ontving. Op deze uitkering was door meer gerechtsdeurwaarders, onder wie de gerechtsdeurwaarder zelf, beslag gelegd met toepassing van een beslagvrije voet. De gerechtsdeurwaarder ontving daaruit maandelijks een geringe afdracht. Er was onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de beslagen bankrekening door andere inkomsten dan de uitkering van klager werd gevoed of dat er nog andere inkomsten zouden zijn. Door onder deze omstandigheden beslag te leggen op de bankrekening naast het gelegde beslag op de uitkering, heeft de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dit klachtonderdeel treft doel, anders dan de kamer heeft geoordeeld.”
Het hof legt de deurwaarder de maatregel van berisping met aanzegging op. >>>Uitspraak

Bij verkeerde beslagvrije voet naar eerste beslagleggende deurwaarder verwijzen
Klager verwijt de deurwaarder dat hij de beslagvrije voet ten onrechte op nihil heeft gesteld en daarna heeft geweigerd om de beslagvrije voet aan te passen. De kamer heeft de klacht gegrond verklaard en aan de deurwaarder de maatregel van berisping opgelegd. Het hof is van oordeel dat het door de deurwaarder tegenover de klager ingenomen standpunt dat op het beslag onder de belastingdienst op de vordering tot voorlopige teruggaaf geen beslagvrije voet van toepassing is, zonder meer onjuist is, want in strijd met de duidelijke tekst van de wet. Het innemen van een tegengesteld standpunt is onder die omstandigheden tuchtrechtelijke laakbaar. De klacht is op dit onderdeel dus gegrond. De deurwaarder had daarnaast niet mogen volstaan met de bij e-mailbericht van 13 juni 2016 aan klager gedane mededeling dat klager zijn verzoek om toepassing en aanpassing van de beslagvrije voet diende voor te leggen aan de deurwaarder die eerder beslag had gelegd op zijn inkomen. Het is van groot belang dat de beslagvrije voet die voor de desbetreffende schuldenaar geldt zorgvuldig wordt vastgesteld en zo nodig wordt aangepast. Dit geldt in het bijzonder in geval de beslagvrije voet op nihil wordt/is gesteld. Het hof ziet daarom evenals de kamer aanleiding om aan de deurwaarder de maatregel van berisping op te leggen. De bestreden beslissing wordt bevestigt. >>>Uitspraak

Ook kosten gedekt door toevoeging moeten op debiteur worden verhaald
Klaagster verwijt de deurwaarder dat hij ten onrechte kosten in rekening brengt die worden gedekt door de toevoeging, tussentijdse afdrachten heeft gedaan zonder zijn kosten daarvan af te trekken, weigert een gespecificeerde nota te verstrekken en klaagster als contractspartij beschouwt terwijl de cliënt van klaagster de wederpartij is.
De kamer heeft in de verzetprocedure de klacht van klaagster deels gegrond verklaard en de deurwaarder de maatregel van een geldboete van €2.500,- opgelegd.
Het hof vernietigt de bestreden beslissing en verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond. Ook in het geval dat de deurwaarder executiemaatregelen treft op verzoek van een schuldeiser die over een toevoeging beschikt, mag en zal de deurwaarder de executiekosten (trachten te) verhalen op de schuldenaar. >>>Uitspraak

Tegelijk beslag op uitkering en zorgtoeslag
De deurwaarder heeft voor de invordering van een achterstand bestuursrechtelijke premie beslag op een bijstandsuitkering gelegd en hierbij ten ontrechte de beslagvrije voet gehalveerd. Het totale inkomen is bij een bijstandsuitkering immers bekend. Daarnaast heeft de de deurwaarder tevens beslag op de zorgtoeslag gelegd hetgeen onnodig kosten met zich meebracht. Door het beslag op de zorgtoeslag kwam betrokkene € 83 onder de beslagvrije voet, wat de deurwaarder wist, omdat hij zelf het eerdere beslag op de uitkering had gelegd. Volgens het hof is deze handelwijze tuchtrechtelijk laakbaar.
Het niet toepassen van een beslagvrije voet bij het beslag op de zorgtoeslag is volgens het hof op zichzelf niet tuchtrechtelijk laakbaar, omdat de jurisprudentie verdeeld is over de vraag of het toepassen van de beslagvrije voet bij beslag op een toeslag mogelijk is. Zie samenvatting. Zie uitspraak.

Saniet is bevoegd klacht in te dienen tegen deurwaarder
Op het moment dat klaagster verzet instelde bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders, was zij toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en had zij een WSNP-bewindvoerder. Een dergelijke bewindvoerder heeft de verantwoordelijkheid voor de boedel en uitgaven binnen het schuldsaneringstraject. De saniet blijft echter wel handelingsbevoegd in rechte op te treden (in dit geval: verzet in te stellen) in een tuchtzaak als de onderhavige, die immers geen betrekking heeft op een goed dat tot de boedel behoort. Het door de deurwaarder aangehaalde wetsartikel bepaalt enkel dat de bewindvoerder in het kader van een schuldsanering toestemming behoeft van de rechter-commissaris wanneer in rechte wordt opgetreden. Gelet op het vorenstaande kan niet worden geconcludeerd dat de kamer hier een procedurele fout heeft gemaakt, zodat het hoger beroep op dit punt faalt. >>>Uitspraak

Beslagvrije voet op nihil en dreigen met beslag op inboedel
Klaagster maakt bezwaar tegen het bankbeslag en de daarbij in rekening gebrachte kosten. De kamer is van oordeel dat deurwaarder op dit onderdeel niet tuchtrechtelijk laakbaar heft gehandeld. Wel heft de deurwaarder de beslagvrije voet bij het gelegde beslag onder de belastingdienst ten onrechte op nihil gesteld. Hij heeft onvoldoende voortvarend gehandeld nadat klaagster hem hierop heeft gewezen. Bovendien heeft de deurwaarder in strijd met artikel 8 van de Verordening Beroeps- en Gedragsregels Gerechtsdeurwaarders gehandeld, door maatregelen aan te kondigen die hij niet van plan was te nemen. Hij had namelijk in een brief gedreigd met beslag op inboedel, maar in het verweerschrift aangegeven dat hij niet voornemens was beslag op inboedel te leggen.
Klacht gedeeltelijk gegrond, maatregel van berisping. >>>Uitspraak

Kosten voor beslag onder bank waar betrokkene niet bankiert
Klager stelt dat de deurwaarder ten onrechte beslag heeft gelegd onder een bank waar hij geen rekening heeft lopen en hiervoor kosten in rekening heeft gebracht. Ten aanzien daarvan overweegt de Kamer dat er in het geval van beslaglegging onder een derde een gerechtvaardigd vermoeden moet zijn van een relatie tussen de derde en de schuldenaar. De deurwaarder heeft in opdracht van de schuldeiser beslag heeft gelegd onder de bank. Uit de overgelegde producties blijkt dat het schuldeiser die heeft aangegeven dat klager (onder meer) bij deze bank zou bankieren. Aan de mededeling van de schuldeiser kon de deurwaarder een redelijk vermoeden ontlenen dat klager een rekening bij de betreffende bank aanhoudt. De deurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door beslag onder de bank te leggen en de kosten hiervoor in rekening te brengen. >>>Uitspraak

Minderjarige had geen toestemming voor opdracht gegeven
De deurwaarder heeft geen uitdrukkelijke (schriftelijke) toestemming van het kind om de alimentatie na maart 2016, de maand waarin het kind meerderjarig werd, te vorderen. De opdracht is aangenomen via de moeder, waarbij de deurwaarder is uitgegaan van de mededelingen van de moeder. Anders dan de overtuiging van de deurwaarder dat de (impliciete) toestemming is gelegen in de familiebetrekkingen, was de uitdrukkelijke toestemming van het (inmiddels) meerderjarig kind wel degelijk vereist. Maatregel: waarschuwing. >>>Uitspraak

Geen schending privacy door bij werkgever loonbeslag te leggen op basis van strafvonnis
Klager stelt schending van zijn privacy, doordat de deurwaarder zijn werkgever op de hoogte heeft gebracht van zijn veroordeling door de meervoudige strafkamer, waardoor hij mogelijk zijn baan zou verliezen. Bij het leggen van loonbeslag, dient de deurwaarder het proces-verbaal van beslaglegging, een afschrift van de titel (i.c. het dwangbevel) en een door de werkgever in te vullen derdenverklaring mee te betekenen op grond van artikel 475 lid 2 Rv. Uitvoering volgens dit artikel kan dus niet leiden tot tuchtrechtelijk onbehoorlijk handelen. Een (mogelijke) gevolg van het gelegde beslag kan de deurwaarder niet worden aangerekend. >>>Uitspraak

Klacht afdoende afgehandeld via interne klachtregeling
De deurwaarder heeft de klachten van klager afdoende in de interne klachtenregeling doorlopen en onderdelen van de klacht als juist erkend. De deurwaarder heeft klager gecompenseerd door het totaalbedrag van de door klager verrichte betalingen tevens in mindering te brengen in het nieuwe dossier. Ook heeft de deurwaarder de kosten van het bankbeslag afgeboekt. Klacht ongegrond. >>>Uitspraak
 

Deurwaarder mag klager naar bewindvoerder verwijzen
De deurwaarder wel degelijk binnen een redelijke termijn steeds op de verzoeken van klager om informatie heeft gereageerd. De deurwaarder is bij een onder bewind gestelde in beginsel verplicht om met of via de bewindvoerder te communiceren. De deurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door klager naar zijn bewindvoerder te verwijzen voor (verzoeken om) informatie terzake zijn dossiers. Klacht ongegrond. >>>Uitspraak
 

Deurwaarder had geen betalingsregeling mogen treffen
De kamer overweegt dat de opdracht een vonnis te betekenen, betaling aan te zeggen en beslag te leggen niet zonder meer een vrijbrief was om zonder overleg een betalingsregeling overeen te komen Te meer nu klaagster in haar brief van 29 juni 2016 expliciet heeft opgenomen dat zij verzoekt om beslag te leggen op alles wat mogelijk is en op de hoogte wil blijven van alle stappen die de deurwaarder gaat nemen. Klacht gedeeltelijk gegrond, geen reden voor opleggen maatregel. >>>Uitspraak

Betaling zonder dossiernummer, afgeboekt op ander dossier
Klaagster heeft zich niet aan de afspraak gehouden dat zij bij alle aflossingen dossiernummers zou vermelden. Gelet op de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 31 mei 2011 (ECLI:NL:TGDKG:2010:108) is het niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm dat de deurwaarder daarom de betalingen zonder dossiernummers heeft geboekt in andere dossiers dan door klaagster was bedoeld. Klacht ongegrond. >>>Uitspraak

Te late overbetekening van derdenbeslag
De deurwaarder heeft het gelegde derdenbeslag niet binnen de wettelijke termijn van acht dagen aan klager betekend. Klacht gegrond met maatregel van waarschuwing. >>>Uitspraak
 

Meerdere adresverificaties vanwege eerdere adreswijzigingen geoorloofd
De klacht betreft het volgens klager ten onrechte gebruik maken van de BRP gegevens in de pre-justitiële fase. Op een adresverificatie door een deurwaarder is de “Gedragscode gerechtsdeurwaarders ter bescherming persoonsgegevens” van toepassing. De Gedragscode beoogt onnodige raadpleging van het BRP te voorkomen. Het doel van de Gedragscode is niet de schuldeiser en schuldenaar te beperken in het uitvoeren van een volwaardig minnelijk incassotraject. In de onderhavige zaak werd de deurwaarder twee maal met een adreswijziging van klager geconfronteerd. Dat deed veronderstellen dat eerdere aanmaningen klager niet hadden bereikt. Dat de deurwaarder verschillende keren een adresverificatie heeft genomen acht de kamer onder deze omstandigheden niet tuchtrechtelijk laakbaar. >>>Uitspraak

Meer informatie
Overzichten tuchtrechtspraak deurwaarders
Website tuchtrechtspraak

Kwijtschelding boetepremie

15 juli 2018

Per 1 augustus 2018 gelden nieuwe regels voor de wanbetalersregeling zorgverzekering. Dan zal ook kwijtschelding worden verleend van de zogenaamde eindafrekening van de bestuursrechtelijke premie wanneer de volledige schuld aan de zorgverzekeraar is betaald. Daarnaast kondigt minister Bruins voor Medische Zorg een regeling aan voor onder bewind gestelden.


Boetepremie
Bij een premieachterstand van minimaal 6 maanden meldt de zorgverzekeraar de verzekeringnemer aan bij het CAK. Vanaf dat moment is de verzekeringnemer geen premie meer aan de verzekeraar verschuldigd, maar moet hij een bestuursrechtelijke premie aan het CAK betalen. Deze premie bedraagt 125% van de gemiddelde zorgpremie (in 2018: € 136,67).

Vijf gronden voor afmelding CAK
Er zijn vijf situaties waarbij de zorgverzekeraar de verzekeringnemer moet afmelden bij het CAK:

  • volledig betalen van de schuld aan de zorgverzekeraar (premie, eigen risico en kosten);
  • treffen van een betalingsregeling met de zorgverzekeraar;
  • sluiten van een stabilisatieovereenkomst;
  • totstandkoming van een minnelijke schuldregeling;
  • toelating tot de wsnp.

Na afmelding is de verzekeringnemer geen bestuursrechtelijke premie meer verschuldigd en dient hij de nominale premie in het vervolg weer aan de verzekeraar te betalen.

Kwijtschelding eindafrekening
Volgens de huidige regels wordt een eventueel restant aan bestuursrechtelijke premie (de eindafrekening) kwijtgescholden bij een minnelijk traject, een wsnp-traject en bij de uitstroomregeling bijstandsgerechtigden. Vanaf 1 augustus 2018 zal het CAK de eindafrekening ook kwijtschelden wanneer de schuld aan de zorgverzekeraar is voldaan. De minister zegt hierover:

“Als de schuld bij de zorgverzekeraar is voldaan volgt soms nog een
eindafrekening van het CAK met nog openstaande bestuursrechtelijke premie. Dit
is gemiddeld € 1.500,- en komt voor een wanbetaler vaak onverwacht. Er kan
bestuursrechtelijke premie openstaan als broninhouding niet mogelijk was, de
zorgtoeslag niet voldoende was en de deurwaarder geen verhaal heeft kunnen
halen. Op dit moment wordt standaard tenminste een deel (de opslag) van de
eindafrekening kwijtgescholden.

In de praktijk leidt de eindafrekening regelmatig tot nieuwe betalingsproblemen en recidive. Het incassopercentage van de eindafrekeningen is dan ook beperkt (minder dan 20%). Het gaat vaak om verzekerden die met moeite de betalingsregeling van de zorgverzekeraar hebben voldaan. Zij overzien vaak niet dat er bij meerdere partijen nog vorderingen openstaan. In overleg met zorgverzekeraars en het CAK heb ik besloten standaard de gehele eindafrekening kwijt te schelden. De maatregel houdt in dat voor iedere verzekerde die de schuld bij de zorgverzekeraar heeft voldaan (premie, eigen risico en incassokosten), de eindafrekening bestuursrechtelijke premie wordt kwijtgescholden. (…) Het kwijtschelden van de eindafrekening biedt een positief vooruitzicht voor schuldenaren die op het punt zijn gekomen dat ze in actie willen komen en hun schuld aan hun zorgverzekeraar willen voldoen. Een bezoek van een schuldhulpverlener of een maatschappelijk werker kan het zetje zijn dat mensen nodig hebben.

Ik heb het CAK verzocht vanaf 1 augustus 2018 geen eindafrekeningen meer te versturen en vorderingen op nog openstaande eindafrekeningen kwijt te schelden. Het CAK zal daartoe de Beleidsregels inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 2018 aanpassen.”

Uitstroomregeling wanbetalers onder bewind
Voor bijstandsgerechtigden bestaat de mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden, versneld terug te keren naar het normale premieregime van de zorgverzekeraar. Gemeenten en zorgverzekeraars kunnen zelf beslissen of ze een overeenkomst willen sluiten om dit mogelijk te maken. Gedurende 36 maanden moet dan naast de nominale premie een vast bedrag worden betaald aan de zorgverzekeraar ter aflossing van de schuld (36 maanden  € 35). Wanneer de verzekeringnemer zich aan deze regeling houdt worden de resterende schulden bij de zorgverzekeraar en het CAK kwijtgescholden. 
De minister geeft aan in gesprek te zijn met zorgverzekeraars en koepels van bewindvoerders om een vergelijkbare regeling mogelijk te maken voor onder bewind gestelden. De minister zal hierover in het najaar berichten.

Betalingsregeling onder de beslagvrije voet
De betalingsregeling als uitstroommogelijkheid gaat geheel voorbij aan het knelpunt dat er vaak ook sprake is van loonbeslag. Er is dan veelal geen financiële ruimte voor een betalingsregeling. Weliswaar is er na het treffen van de betalingsregeling een lagere premie verschuldigd. Deze lagere premie heeft bij loonbeslag echter tot gevolg dat de beslagvrije voet ook omlaag gaat en er via loonbeslag meer aan de schuldeisers wordt afgedragen. Er ontstaat dus geen extra aflossingsruimte.

Mocht de zorgverzekeraar de beslaglegger zijn dat biedt aanbeveling 38 uit het rapport “Knellende schuldenwetgeving” uitkomst:

“Pas art. 18d lid 2 onder c Zorgverzekeringswet aan zodat naast de vrijwillige aflossing ook de niet vrijwillige aflossing (via beslag) als uitstroomreden in de wet wordt opgenomen.”

Meer informatie
Brief van de minister voor Medische Zorg, 6 juli 2018
Gegijzeld in de wanbetalersregeling zorgverzekering
Achtergrondinformatie wanbetalersregeling zorgverzekering

Knellende schuldenwetgeving

5 juli 2018

Tweede Kamerleden van de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) kregen dinsdag 3 juli 2018 een eerste exemplaar van het rapport, ‘Knellende schuldenwetgeving’ uitgereikt. Na de aanhoudende stroom berichten over de hardnekkigheid van schulden in Nederland wilde de commissie namelijk uitgezocht hebben waar de knelpunten zitten in de schuldhulpverlening. Dat was dan ook de opdracht van de commissie aan vier onderzoekers die zich al jaren bezighouden met armoede en schulden in Nederland: André Moerman van Schuldinfo en de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR/Sociaal Werk Nederland) en de lectoren Nadja Jungmann en Tamara Madern (beiden Schulden & Incasso, Hogeschool Utrecht) Roeland van Geuns (Armoede Interventies, Hogeschool van Amsterdam).

Tegenstrijdige regels
Een burger die aanklopt bij de schuldhulpverlening staat gemiddeld bij veertien schuldeisers in het krijt. Dat maakt het op zich al lastig om uit de rode cijfers te komen, maar daar komt nog bij dat het innen en aflossen van schulden is omgeven door een woud van regels. Soms zijn die regels ook nog eens met elkaar in tegenspraak. Dat is alles is al ingewikkeld genoeg voor de gemiddelde Nederlander, maar zeker ook voor mensen met een Licht Verstandelijke Beperking (LVB) die met schulden kampen.

Bij hun inventarisatie van knelpunten hebben de onderzoekers allereerst gekeken naar het juridische kader rond schulden. Welke partijen zijn betrokken bij de aanpak van schulden? En wat is het tijdpad van de huidige schuldhulpverlening (aanloop- en uitvoeringsfase)?

Anders gezegd:

1. Met welke wetten krijg je te maken rond schulden?

  • Welke partijen zijn betrokken bij schulden en welke bevoegdheden hebben zij?
  • Wat is het tijdpad bij schuldhulpverlening (aanloop- en uitvoeringsfase)?
  • Welke tegenstrijdigheden zitten er in de wet- en regelgeving?
  • Hoe kan het juridische kader worden verbeterd? Welke wet- en regelgeving moet hoe worden aangepast?

2. Welke belemmeringen zijn er in de praktijk, bijvoorbeeld inzake privacy en gegevensuitwisseling?

Schuldeisers moeten meewerken aan schuldhulpverlening
Op grond van eerdere rapporten, aanvullende interviews met specialisten en oproepen tot het melden van knelpunten op LinkedIn en Twitter, kwamen de onderzoekers tot vijftig verbetervoorstellen. Soms zijn die overkoepelend: “Ontwikkel een eenduidig kader over hoe schuldhulpverlening van goede kwaliteit eruit ziet. Gemeenten kunnen dan hun eigen uitvoering daarmee vergelijken en er komt een landelijk beeld van de gemiddelde kwaliteit.”

Soms gaat het om aanvullende wetgeving. Bijvoorbeeld in het geval dat een schuldregeling strandt omdat een van de schuldeisers weigert mee te werken en daarmee het hele traject blokkeert. Verplicht hem om wél mee te werken als de meerderheid van de schuldeisers dat ook wil, is daarom ook een aanbeveling van de onderzoekers.

Meer informatie
Rapport Knellende schuldenwetgeving
Onderzoek commissie SZW over schulden besproken

Besluit treedt niet in werking omdat het niet naar de bewindvoerder is gestuurd

1 juli 2018

De gemeente stuurt een beslissing waarbij ze de uitkering vanwege het toepassen van de kostendelersnorm verlaagt, naar de onderbewindgestelde en niet naar de bewindvoerder. Dit terwijl de gemeente wel op de hoogte was van de onderbewindstelling. Maanden later krijgt de bewindvoerder het wijzigingsbesluit in handen en dient hij een bezwaarschrift in. De gemeente verklaart het bezwaar niet ontvankelijk, maar de rechtbank en in hoger beroep de Centrale Raad van Beroep oordelen anders. Zij komen tot het verstrekkende oordeel dat het wijzigingsbesluit niet in werking is getreden omdat het niet naar de bewindvoerder is gestuurd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.
Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift de niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.1.2.
Ingevolge artikel 1:431, eerste lid, van het BW kan, voor zover van belang, indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

4.1.3.
Ingevolge artikel 1:441, eerste lid, van het BW vertegenwoordigt tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende. De bewindvoerder kan voorts voor de rechthebbende alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen.

4.1.4.
Uit artikel 1:438, eerste lid, van het BW volgt dat tijdens het bewind het beheer over de onder bewind staande goederen niet toekomt aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder.

4.2.
De beroepsgrond dat het wijzigingsbesluit op de juiste wijze bekend is gemaakt door toezending aan betrokkene omdat in dit geval met de bewindvoerder geen afspraken zijn gemaakt over de toezending van post en deze niet te kennen heeft gegeven de stukken te willen ontvangen, slaagt niet. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [naam] op 26 november 2014 tot bewindvoerder van betrokkene is benoemd en dat appellant daarmee voorafgaand aan het wijzigingsbesluit bekend was. De aan betrokkene verleende bijstand is een aan haar toebehorend vermogensbestanddeel dat onder het ingestelde beschermingsbewind valt. Dit heeft appellant ook niet betwist. Het wijzigingsbesluit, waarbij met ingang van 1 juli 2015 op de aan betrokkene verleende bijstand de kostendelersnorm wordt toegepast, heeft invloed op de inkomsten en/of het vermogen van betrokkene.

4.4.
Nu appellant ermee bekend was dat de goederen van betrokkene (waartoe ook haar bijstand behoort) onder bewind zijn gesteld, vloeit uit het samenstel van de bepalingen van de artikelen 1:431, 1:438 en 1:441 van het BW voort dat appellant het wijzigingsbesluit om het in werking te laten treden aan de bewindvoerder had moeten toezenden. Het beheer van de bijstand komt namelijk op grond van een ter bescherming van het vermogen van betrokkene getroffen rechterlijke maatregel niet toe aan betrokkene maar aan de bewindvoerder, waarbij de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak betrokkene in en buiten rechte vertegenwoordigt. Dat betekent dat het wijzigingsbesluit, door toezending daarvan uitsluitend aan betrokkene, niet op de juiste wijze is bekend gemaakt als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid van de Awb. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat hieruit volgt dat de bezwaartermijn op 21 april 2015 geen aanvang heeft genomen.

4.5.
Gelet op de van de zijde van betrokkene in bezwaar en ter zitting geschetste omstandigheden staat genoegzaam vast dat de bewindvoerder pas op 9 september 2015 kennis heeft genomen van het wijzigingsbesluit. De bewindvoerder heeft het vervolgens aan de gemachtigde toegezonden, met het verzoek daartegen bezwaar te maken. Dit betekent dat het door appellant op 17 september 2015 ontvangen bezwaarschrift tijdig is ingediend. Appellant heeft het bezwaar namens betrokkene tegen het wijzigingsbesluit ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

4.6.
Of betrokkene mogelijk op andere wijze op de hoogte is geraakt met de toepassing van de kostendelersnorm op haar bijstand per 1 juli 2015, is niet relevant. Het wijzigingsbesluit treedt slechts in werking met bekendmaking aan de bewindvoerder en niet in geschil is dat bewindvoerder eerst op 9 september 2015 op andere wijze bekend is geraakt met het wijzigingsbesluit.

4.7.
Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Meer informatie
CRvB 12 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1831
Achtergrondinfo beschermingsmaatregelen

Zinloze kostenverhogende beslagcombinaties

24 juni 2018

Wanneer een deurwaarder tegelijk of na elkaar op meerdere inkomsten beslag legt is de kans groot dat het om een zinloos kostenverhogend beslag gaat, waarbij betrokkene in bepaalde gevallen ook nog onder het bestaansminimum terecht kan komen. Eerder hebben we op Schuldinfo aandacht besteed aan een tuchtuitspraak van hof Amsterdam over een deurwaarder die voor de zekerheid (want betrokkene zou de baan kunnen verliezen) naast beslag op loon, ook beslag op een voorlopige teruggaaf belastingen heeft gelegd. Dit met een berisping tot gevolg. Dit keer besteden we aandacht aan een tuchtuitspraak van het hof Amsterdam over een deurwaarder die voor de invordering van een achterstand bestuursrechtelijke premie zowel beslag op een bijstandsuitkering als beslag op de zorgtoeslag heeft gelegd.


Aanleiding
De deurwaarder is door het CJIB belast met de tenuitvoerlegging van een op 25 september 2015 door het Zorginstituut Nederland (voorganger van CAK) ten laste van klager uitgevaardigd dwangbevel. Volgens dit dwangbevel was klager € 73,53 aan hoofdsom verschuldigd.
Het dwangbevel is op 2 oktober 2015 aan betrokkene betekend. Het bedrag is met invorderingskosten en explootkosten opgelopen tot € 196,40. De vader van betrokkene betaalt de hoofdsom ad. € 73,53, maar dat was te laat. De deurwaarder legt beslag op de bijstandsuitkering. Op grond van het beslag is maandelijks vanaf november 2015 € 41,25 aan de gerechtsdeurwaarders afgedragen.
Op 7 januari 2016 heeft de deurwaarder beslag gelegd onder de Belastingdienst op de zorgtoeslag van klager.

Uitspraak Kamer voor gerechtsdeurwaarders
Betrokkene heeft een klacht ingediend bij de Kamer voor gerechtsdeurwaarders, bestaande uit tien klachtonderdelen. De kamer acht vijf klachtonderdelen gegrond en legt de deurwaarders als maatregel een schorsing voor een week op.
De deurwaarders hebben hiertegen beroep aangetekend en het hof Amsterdam oordeelt als volgt (we beperken ons tot drie klachtonderdelen).

Klacht 1: Te lage beslagvrije voet
De deurwaarder heeft bij het beslag op de uitkering een te lage beslagvrije voet vastgesteld ad. € 618,83. Dit is een gehalveerde beslagvrije voet voor echtparen, hetgeen wettelijk toegestaan is wanneer geen informatie is verstrekt over het inkomen van de partner. Betrokkene is echter alleenstaande. Bovendien is de hoogte van het totale inkomen bekend nu dit door de sociale dienst was doorgegeven.
Het hof benadrukt dat beslaglegging op het inkomen van een debiteur een ingrijpend middel is, omdat een debiteur als gevolg daarvan nog slechts een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet overhoudt, waarvan hij de lopende kosten van bestaan moet voldoen. Het is dus van groot belang dat indien een deurwaarder hiertoe overgaat, hij de beslagvrije voet die voor de desbetreffende debiteur geldt zorgvuldig vaststelt en zo nodig direct aanpast. Het hof acht deze klacht gegrond.

Klacht 2: het leggen van beslag op zorgtoeslag (dubbel beslag)
“Op 6 januari 2016 bedroeg het restant verschuldigde € 231,66. Op basis van het beslag op de uitkering van klager zou de totale vordering, inclusief kosten, in juni 2016 geheel zijn voldaan. De gerechtsdeurwaarder heeft op 6 januari 2016 echter ook nog beslag op de zorgtoeslag van klager gelegd. Hij heeft als verantwoording daarvoor aangevoerd dat volgens het contract met zijn opdrachtgever, CJIB, hij de onderhavige vordering binnen zes maanden diende af te wikkelen. Dat zou in dit geval in maart 2016 zijn en dan zou de vordering nog niet geheel zijn geïncasseerd. Als de zorgtoeslag van € 83,- extra zou kunnen worden geïncasseerd, zou dat nog net lukken.

Naar het oordeel van het hof is dit standpunt onbegrijpelijk en de handelwijze ten opzichte van klager tuchtrechtelijk laakbaar. De kosten van beslag, overbetekening en verdeelkosten voor drie maanden zijn immers hoger dan de opbrengst van 3 x € 83,-. Dat de gerechtsdeurwaarder heeft verklaard dat hij de kosten van de tweede beslaglegging voor eigen rekening zou nemen, kan hieraan niet afdoen. Allereerst niet, omdat zulks niet blijkt uit de uitgebrachte exploten, waarin die kosten niet op nihil zijn gesteld, maar voor rekening van klager zijn gebracht. Daarnaast niet, omdat de toegepaste methode voor klager inhield dat hij drie maanden lang zou moeten leven van een inkomen van € 83,- onder de beslagvrije voet, wat de gerechtsdeurwaarder wist, omdat hij zelf het eerdere beslag op de uitkering had gelegd.
Dit klachtonderdeel is daarom gegrond.

Het is niet onbegrijpelijk dat de gerechtsdeurwaarder als ondernemer met (grote) opdrachtgevers aparte prijsafspraken maakt en ook afspraken over de verwerking en afdoening van vorderingen. Daar staat tegenover dat een gerechtsdeurwaarder als zelfstandig openbaar ambtenaar bij de uitvoering van zijn opdrachten een eigen verantwoordelijkheid heeft, waarbij hij zowel met de belangen van zijn opdrachtgever als met die van de wederpartij rekening dient te houden (vgl. ECLI:GHAMS:2016:3122). Daarbij mag van hem een kritische houding worden verwacht. In dat kader is de voorwaarde dat vorderingen in hoofdsom minder dan € 100,- binnen zes maanden moeten zijn geïncasseerd onaanvaardbaar. Het zal veelal gaan om schuldenaren met een minimuminkomen. Als de gerechtsdeurwaarder de executoriale titel betekent en vervolgens executiemaatregelen neemt, zijn de kosten daardoor inmiddels zodanig opgelopen, dat afdoening via een beslag feitelijk nooit meer mogelijk is binnen de oorspronkelijke termijn van zes maanden, zoals uit het voorbeeld van de onderhavige zaak mag blijken. Een overheidsinstantie als het CJIB hoort een dergelijke voorwaarde dan ook niet te stellen. Indien een gerechtsdeurwaarder een dergelijke voorwaarde aanvaardt, behoort hij geen executiekosten te maken waarvan het gevolg is dat de schuldenaar met die kosten wordt geconfronteerd, maar de vordering niet binnen de overeengekomen termijn zal kunnen worden geïncasseerd.”

Klacht 3: geen beslagvrije voet bij beslag op zorgtoeslag
De deurwaarder heeft bij het beslag op zorgtoeslag de beslagvrije voet op nihil gesteld. Volgens het hof Amsterdam is dit niet tuchtrechtelijk laakbaar omdat de rechtspraak verdeeld is over de vraag of bij beslag op toeslagen op verzoek rekening moet worden gehouden met de beslagvrije voet.
Maar zoals bij klachtonderdeel twee blijkt moet de deurwaarder volgens het hof bij de afweging of er beslag op de zorgtoeslag kan worden gelegd wel rekening houden met de beslagvrije voet. Het hof heeft namelijk onder meer overwogen dat in casu het beslag op de zorgtoeslag tuchtrechtelijk laakbaar is, omdat
“de toegepaste methode voor klager inhield dat hij drie maanden lang zou moeten leven van een inkomen van € 83,- onder de beslagvrije voet, wat de gerechtsdeurwaarder wist, omdat hij zelf het eerdere beslag op de uitkering had gelegd.”

Beslissing
De deurwaarder die beslag op de zorgtoeslag heeft gelegd krijgt een maatregel van berisping met aanzegging opgelegd dat, indien nogmaals een tuchtrechtelijk laakbare handeling wordt gepleegd, een geldboete, schorsing of ontzetting uit het ambt zal worden overwogen.
De deurwaarder die beslag op de uitkering heeft gelegd krijgt een maatregel van berisping opgelegd.


Oproep: zinloze kostenverhogende beslagcombinaties

Kom je in de praktijk situaties tegen waarbij voor dezelfde schuldeiser op meerdere inkomsten beslag wordt gelegd, geef dit dan aan ons door (info@schuldinfo.nl). Op deze wijze willen we zicht krijgen op de omvang van deze problematiek. Wanneer komt het voor? Zijn dit incidenten of gebeurt het vaker? Bovendien kun je tips krijgen hoe te handelen.

Meer informatie
Hof Amsterdam 19 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2018
Kamer voor gerechtsdeurwaarders (eerste aanleg)
Deurwaarder legt dubbel beslag en maakt onnodig kosten
Achtergrondinfo zinloze beslagcombinaties

E-Court: verzoek prejudiciële vragen afgewezen

15 juni 2018

E-Court verzoekt aan de rechtbank Overijssel om verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis (exequatur). Bij dit verzoek vraagt e-Court om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. De reden hiervoor is dat de rechtbank eerder heeft aangegeven geen exequatur meer te verlenen, maar eerst duidelijkheid te willen over de mate waarin het arbitraal vonnis moet worden getoetst. Echter, in een nogal curieuze zaak wijst de rechtbank beide verzoeken af. De arbiter is volgens de rechtbank niet onafhankelijk en onpartijdig.

Foto RyanMcGuire

e-Court
Over e-Court is dit jaar al veel te doen geweest en voor het tijdschrift Beslag, executie en rechtsvordering in de praktijk wijdde ik een column aan die ophef.
De handelwijze van e-Court bleek naar het oordeel van de Rechtspraak niet door de beugel te kunnen en men was voornemens om prejudiciële vragen te stellen. Een prejudiciële vraag is een rechtsvraag van de rechter aan de Hoge Raad. Dit kon toen niet, omdat e-Court al haar zaken had ingetrokken.
 

Curieus
Recent heeft e-Court dan toch een verzoek ingediend om een exequatur te verlenen op een arbitraal vonnis en daarbij verzocht zij ook om prejudiciële vragen te stellen. Omdat de Rechtspraak dit ook van plan was, leek dit laatste een formaliteit. Maar niets bleek minder waar. De rechtbank komt namelijk tot de conclusie dat niet is gebleken dat de arbiter onpartijdig en onafhankelijk is.
 

Wat was het geval?
Een arbiter van e-Court had in twee zaken een van zorgverzekeraar CZ in oordeel geveld. Het arbitrale vonnis was door e-Court aan de rechtbank Overijssel toegestuurd met het verzoek om een exequatur te verlenen en om prejudiciële vragen te stellen.

Gedaagde in één van de zaken was de oprichtster van e-Court, die nu directrice is van ITEC Services B.V., de administrateur van e-Court. Zij vertegenwoordigde, samen met de advocaat, e-Court op de mondelinge behandeling. De gedaagde van de andere arbitragezaak was niet aanwezig.

Tijdens de mondelinge behandeling erkende de oprichtster dat zij gedaagde was in het ene arbitrale geschil. Over het andere geschil kon zij geen mededeling doen. Wel werd namens e-Court aangevoerd dat vaker verzoeken bij de rechtbank Overijssel zijn ingediend in zaken waarbij deze twee dames gedaagden waren in de arbitrale procedure.

Dit vond de rechter opmerkelijk en was aanleiding om onderzoek te doen in de Basisregistratie Personen. Ongetwijfeld leidde dit onderzoek tot op zijn minst tot gefronste wenkbrauwen bij de rechter: de gedaagde in de andere zaak bleek namelijk de moeder te zijn van de oprichtster van e-Court!
Het is niet zo netjes van e-Court om dit te verzwijgen als de rechter daarnaar vraagt.

De nauwe band tussen e-Court en haar oprichtster en administrateur is voor de rechter aanleiding om te onderzoeken of de arbiter die de arbitrale vonnissen heeft gewezen onafhankelijk en onpartijdig is. Is dit niet het geval, dan kan het verlof tot tenuitvoerlegging (de exequatur) worden geweigerd.

Arbiters zijn gebonden aan de gedragsregels van e-Court en hierin staat onder andere:

Geschilbeslechters van e-Court zijn aan de volgende gedragscode gebonden.

1. Onafhankelijkheid en Onpartijdigheid
1.1 Geschilbeslechters accepteren geen zaken waarin hun onafhankelijkheid en/of onpartijdigheid onderwerp van discussie kan zijn. (…)
1.2 Risico’s rond onafhankelijkheid en onpartijdigheid doen zich bijvoorbeeld voor indien:

  1. geschilbeslechters in een familierelatie staan tot een van de procespartijen of hun vertegenwoordigers;
  2. een van de procespartijen of hun vertegenwoordigers tot de persoonlijke of zakelijke kennissenkring van Geschilbeslechters behoren;
  3. geschilbeslechters korter dan één (1) jaar geleden werkzaam zijn geweest bij een van de procespartijen, of deze als cliënt hebben geadviseerd of bijgestaan;
  4. partijen of hun vertegenwoordigers te dicht in relatie staan tot een levenspartner of directe familieleden van Geschilbeslechters;
  5. er andere omstandigheden zijn waardoor de schijn van partijdigheid wordt of kan worden gewekt.

De arbiter heeft weliswaar in het arbitraal vonnis overwogen dat het proces heeft plaatsgevonden tegenover een deskundige en onpartijdige arbiter. Maar de arbiter heeft niet geconstateerd dat één van de gedaagden de directeur is van de administrateur van e-Court en dat de ander haar moeder is. Ook blijkt niet uit het arbitraal vonnis dat de arbiter heeft overwogen of hij voldoende onafhankelijk en/of onpartijdig kon optreden in deze zaken.

Hier doet zich de situatie voor die staat in artikel 1.2 onderdeel d van de Gedragscode. De directrice van ITEC Services is nauw verbonden aan e-Court, de organisatie die de arbiter heeft benoemd, en haar moeder valt naar het oordeel van de rechter ook onder die beschrijving. Gelet hierop had de arbiter op grond van artikel 1.1 van de Gedragscode de zaak niet moeten accepteren dan wel hierover in ieder geval een inzichtelijke afweging moeten maken. Dat heeft de arbiter nagelaten.

Op grond hiervan oordeelt de rechter de arbiter niet onpartijdig of onafhankelijk is en dat hij deze zaak niet in behandeling had mogen nemen. De rechter wijst hierom het verzoek tot tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen af.
 

Geen prejudiciële vragen
De rechter wijst ook het verzoek af om prejudiciële vragen te stellen af en hij overweegt hierover:

“De voorzieningenrechter hecht er aan te vermelden dat het bij het stellen van vragen aan de Hoge Raad zoals bedoeld in artikel 392 lid 2 Rv zou moeten gaan om een zaak waarbij de gedaagde partijen niet op enige manier zijn verbonden aan de verzoekende partij (hier: e-Court), zodat op een deugdelijke manier hoor en wederhoor kan plaatsvinden van alle betrokken belanghebbenden in deze verzoekschriftprocedure. Dit mede gelet op het feit dat e-Court in deze procedure op basis van haar procesreglement optreedt als privatieve lasthebber van beide arbitrale procespartijen. Eventueel te stellen prejudiciële vragen zullen met name betrekking hebben op de vraag wat onder summierlijk onderzoek moet worden verstaan in het kader van consumentrechtelijke bescherming.”

Dit blog verscheen eerder op De Bloggende Advocaat

Meer informatie

Rb Overijssel 15 juni 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:2037
LOSR pakt onrechtmatige deurwaarderskosten e-Court aan
Alle vonnissen e-Court in strijd met arrest incassokosten
Rechtspraak op bestelling?!

Aanlokkelijk aanbod NRC met i-Phone? Bewindregister biedt bescherming!

5 juni 2018

Een onder bewind gestelde sluit een NRC-abonnement af inclusief levering van een i-Phone. De bewindvoerder wist van niets. Pas na een vonnis komt hij achter de nieuwe schuld. Het bewindregister biedt uitkomst. NRC had kunnen weten dat betrokkene onder bewind stond. De bewindvoerder gaat in verzet tegen het vonnis en de rechtbank Noord-Holland oordeelt als volgt.


“Nu is gebleken dat dit abonnement is afgesloten zonder medewerking van bewindvoerder Krommenhoek q.q., is sprake van een niet rechtsgeldig tot stand gekomen rechtshandeling. Deze ongeldigheid kan aan NRC worden tegengeworpen, indien zij het bewind kende of behoorde te kennen (artikel 1:439 lid 1 BW).

Nu het bewind ingeschreven was in voornoemd register, is de kantonrechter van oordeel dat NRC het bewind had behoren te kennen. De ongeldigheid van de rechtshandeling kan aan haar worden tegengeworpen.

Ingevolge artikel 1:440 lid 1 BW kunnen schulden die voortspruiten uit de tussen X en NRC gesloten overeenkomst niet op de onder het bewind staande goederen worden verhaald. Het eventuele toekomstige einde van het bewind brengt hierin geen verandering. De gehele vordering spruit naar het oordeel van de kantonrechter voort uit de tussen partijen gesloten overeenkomst. Voor zover NRC wat betreft het onderdeel dat ziet op de weigering tot teruggave van de IPhone het tegendeel betoogt, gaat de kantonrechter daarin niet mee. Dat zou in dit geval een ongeoorloofde beperking opleveren van het beschermingskarakter dat aan de artikelen 1:438, 1:439 en 1:440 ten grondslag ligt. In dat kader is van belang dat NRC als professional heeft gehandeld in strijd met wettelijke bepalingen die strekken tot bescherming van belangen van consumenten als X.

Het gebrek aan verhaalbaarheid doet aan de civielrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel niet af. Echter, nu is gebleken dat alle (toekomstige) goederen van X onder bewind zijn gesteld, is er in absolute zin geen enkel (toekomstig) goed van X waar NRC de vordering op kan verhalen. NRC heeft daarom geen belang meer bij de toewijzing van haar vordering, zodat de vordering voor afwijzing gereed ligt.
Hieruit volgt dat het verzet van Krommenhoek q.q. gegrond is en dat het verstekvonnis dient te worden vernietigd met inbegrip van de daarbij uitgesproken proceskostenveroordeling.”

Meer informatie
Rb. Noord-Holland 11 april 2018, 6407204 \CV EXPL 17-9466 WD
Rb Oost-Brabant 7 april 2016 (aangaan geldlening)
Rb Noord-Holland 7 februari 2018 (geboekte reis)
Achtergrondinfo curatele en bewindregister

Gemeente Velsen stuurt dwangbevel niet ook naar bewindvoerder

5 augustus 2018

Een bewindvoerder beheert de financiën van een man met schulden die dat niet zelf kan. Hij krijgt van de gemeente Velsen bericht over een belastingaanslag die nog open staat en uitstel van betaling. De bewindvoerder reageert niet op die brief. Vervolgens krijgt de cliënt een dwangbevel per post thuisbezorgd. De bewindvoerder krijgt hiervan geen kopie. Volgens de gemeente is dit technisch niet mogelijk. Daarover dient hij een klacht bij de ombudsman in. De ombudsman vindt het van belang dat de bewindvoerder op de hoogte is van alles wat de bewindvoering aangaat. Door het dwangbevel niet naar de bewindvoerder te sturen, heeft de gemeente gehandeld in strijd met het vereiste van maatwerk


Verzoeker is door de rechter benoemd als bewindvoerder van de heer Verbeek.*
Verzoeker informeert de gemeente over het bewind. De gemeente laat hem
daarna weten dat de heer Verbeek nog een belastingaanslag aan de
gemeente moet betalen en biedt daarvoor uitstel van betaling tot eind
juli 2016. Als betaling uitblijft stuurt een deurwaarderskantoor in
opdracht van de gemeente in november 2016 voor het openstaande bedrag
een dwangbevel per post naar het adres van de heer Verbeek. Verzoeker
dient over die gang van zaken een klacht in, waarna de gemeente een
betalingsregeling met hem treft. De kosten voor het dwangbevel hoeft hij niet te betalen.

Verzoeker, bewindvoerder, klaagt erover dat de
gemeente Velsen een dwangbevel voor de inning van een belastingschuld
van een persoon die onder zijn bewind staat, aan deze persoon heeft
toegestuurd en niet (ook) aan hem als bewindvoerder.

De ombudsman vindt dat van de gemeente c.q. de deurwaarder verwacht had mogen worden dat zij het dwangbevel naar verzoeker zou sturen en in kopie naar de
heer Verbeek. Personen die onder bewind staan, vormen een kwetsbare
groep. Het gaat om mensen die hun financiële zaken niet meer zelf kunnen regelen. Het is belangrijk dat overheden oog hebben voor het
perspectief van die burger. Een bewindvoerder neemt tijdens het bewind
beslissingen over geld en goederen van de onder zijn bewind gestelde
persoon. Ook vertegenwoordigt hij deze persoon bij de vervulling van
zijn taak in en buiten rechte. Het dwangbevel is een executoriale titel
en kan daardoor gevolgen hebben voor de goederen van de onder bewind
gestelde persoon. Het is van belang dat de bewindvoerder op de hoogte is van al datgene wat de bewindvoering aangaat.

De gemeente heeft gehandeld in strijd met het vereiste van maatwerk.

De Nationale ombudsman heeft met instemming kennisgenomen van het feit dat de gemeente in deze zaak heeft gezorgd voor een goede maatwerkoplossing door alsnog een betalingsregeling te treffen zonder verdere kosten voor de heer Verbeek. Ook heeft de ombudsman met instemming kennis genomen
van het feit dat de gemeente haar werkwijze en de Leidraad op dit punt
gaat aanpassen. De ombudsman geeft de gemeente daarbij in overweging om
het dwangbevel zelf naar de bewindvoerder te sturen en de kopie ervan
naar de onder bewindgestelde persoon.

* naam is gefingeerd

Meer informatie
Rapport Nationale ombudsman 10 april 2018, nr. 2018/018
Achtergrondinfo: curator c.q. bewindvoerder is aanspreekpunt

Gebrek aan informatie tijdens traject schuldhulpverlening

29 juli 2018

Een vrouw vraagt twee keer vlak na elkaar schuldhulpverlening aan bij de gemeente Tilburg. De gemeente beëindigt het tweede traject zonder een beëindigingsregeling te treffen. Ze klaagt erover dat de gemeente haar tijdens de klachtbehandeling onvoldoende informatie heeft verstrekt en te traag heeft gehandeld. De Nationale ombudsman vindt dat de gemeente inderdaad tekort is geschoten in de informatieverstrekking en in het tweede traject niet voortvarend heeft gehandeld. De klacht is deels gegrond.


Verzoekster doorloopt twee trajecten schuldhulpverlening bij de gemeente Tilburg.
Tijdens het eerste traject houdt verzoekster volgens de gemeente vol dat zij geen minnelijke regeling wil. De schuldhulp blijft daarom beperkt
tot enkele gesprekken met de frontoffice. Het traject wordt na vijf
maanden afgesloten met een brief waarin staat dat het dossier wordt
gesloten omdat verzoekster geen minnelijke regeling wil. Verzoekster
meldt zich kort daarna opnieuw aan voor schuldhulp.

In het tweede traject wordt haar aanvankelijk opnieuw alleen hulp verleend door de
frontoffice. De reden hiervan is dat verzoekster volgens de gemeente ook nu volhoudt dat zij geen minnelijke regeling wil. Ze is zelf bezig met
initiatieven om geld bij elkaar te krijgen. Deze initiatieven staan in
de weg aan het treffen van een schuldregeling. Volgens verzoekster wilde zij echter wel een minnelijke regeling. Ze wilde daarnaast kijken wat
zij in eigen kring kon regelen. Als de gemeente haar uiteindelijk laat
weten dat zij tot een duidelijke keuze moet komen: wel of niet een
minnelijke regeling, kiest zij voor een minnelijke regeling. Haar
dossier wordt dan alsnog overgedragen aan de backoffice.

Door
capaciteitsproblemen bij de backoffice wordt haar dossier pas vijf
maanden later opgepakt. Twee maanden daarna blijkt dat de belangrijkste
schuldeiser niet akkoord gaat en dat er dus geen minnelijke regeling tot stand komt. Verzoekster heeft intussen een klacht ingediend over de
trage werkwijze van de gemeente. Tijdens het gesprek over haar klacht
krijgt zij te horen dat het voorstel voor de minnelijke regeling is
afgewezen. Verzoekster is boos over het feit dat zij dit niet direct te
horen heeft gekregen. Zij dient haar klacht in bij de Nationale
ombudsman. De klacht van verzoekster gaat over de trage werkwijze van de gemeente, over de slechte informatievoorziening en over de
klachtbehandeling die volgens haar niet professioneel is verlopen.

De Nationale ombudsman is van mening dat de gemeente in het tweede traject heeft gehandeld in strijd met het vereiste van voortvarendheid.
Verzoekster heeft tijdens dat traject te lang in onzekerheid verkeerd
over waar zij aan toe was.

Zowel in het eerste als in het tweede
traject heeft de gemeente ook gehandeld in strijd met het vereiste van
goede informatieverstrekking. Door niet te voorzien in algemene
informatie op schrift bij de start van de schuldhulpverlening gaat de
gemeente Tilburg er ten onrechte van uit dat burgers die in de schulden
zitten de informatie die zij tijdens de eerste gesprekken ontvangen
kunnen bevatten en vasthouden. Daarmee doet de gemeente geen recht aan
de realiteit van mensen die in de schulden zitten. De gemeente had
voorts op beslissende momenten aan verzoekster een gemotiveerde
beschikking moeten toezenden. Daarmee had de gemeente kunnen en moeten
voorkomen dat verschillende inzichten ontstonden over het doel en de
aard van de schuldhulpverlening. Ook had de gemeente verzoekster met
enige regelmaat schriftelijk moeten informeren over de stand van zaken
in haar dossier, over welke hulp haar wel en niet kon worden geboden en
over wat van haar werd verwacht als zij meer of andere schuldhulp
wenste.

Ten slotte is de Nationale ombudsman van mening dat de
gemeente de formele klachtenprocedure had moeten volgen toen verzoekster aangaf niet tevreden te zijn met de informele reactie op haar klacht.
Door dit niet te doen heeft de gemeente ook gehandeld in strijd met het
vereiste van fair play.

Meer informatie
rapport Nationale ombudsman, 23 mei 2018
achtergrondinfo schuldhulpverlening

Schuldhulpverlening uitbesteed? Gemeente blijft verantwoordelijk!

25 juli 2018

Een bewindvoerder klaagt namens een stel over de schuldhulpverlening die de gemeente De Ronde Venen heeft uitbesteed aan een gespecialiseerd bedrijf. Omdat er na twee jaar geen voortgang is, vinden zij de schuldhulpverlening onvoldoende professioneel en voortvarend en de gemeente neemt hiervoor volgens hen geen verantwoordelijkheid. Het stel heeft door de trage schuldhulpverlening extra kosten gemaakt en vraagt om een schadevergoeding. De Nationale ombudsman acht de klacht gegrond en doet de gemeente de aanbeveling om persoonlijk contact op te nemen met het stel om een schadevergoeding te bespreken.


De heer en mevrouw R. ontvangen van de gemeente schuldhulpverlening. De gemeente heeft de schuldhulpverlening uitbesteed aan Onderneming X. De heer en mevrouw R. hebben op 2 maart 2015 een aanvraag ingediend voor schuldhulpverlening. De bewindvoerder heeft op 29 september 2016 een klacht ingediend bij de gemeente. Op dat moment was er namelijk nog geen schuldenregeling tot stand gekomen en geen vooruitgang geboekt in het dossier van de heer en mevrouw R. Dit was voor de heer en mevrouw R. heel vervelend, omdat zij al die tijd samen met hun drie kinderen moesten rondkomen van een klein bedrag aan leefgeld per week, terwijl hun schuldhulpverlening niet van de grond kwam.

De bewindvoerder van de heer en mevrouw R. klaagt bij de Nationale ombudsman dat de schuldhulpverlening aan de heer en mevrouw R., uitgevoerd door Onderneming X in opdracht van de gemeente, onvoldoende voortvarend en professioneel is geweest en de gemeente hiervoor onvoldoende verantwoordelijkheid heeft genomen.

De Nationale ombudsman overweegt dat de schuldhulpverlening aan de heer en mevrouw R. onvoldoende voortvarend is geweest en daarom in strijd is met het vereiste van voortvarendheid. De gemeente heeft ná de klachten van de bewindvoerder zich wel voldoende ingespannen om het dossier van de heer en mevrouw R. weer naar behoren te laten behandelen, maar de gemeente heeft de bewindvoerder aanvankelijk niet goed geïnformeerd over de ondernomen acties. Dat is in strijd met het vereiste van een goede informatieverstrekking. Verder heeft de gemeente het verzoek om schadevergoeding van de heer en mevrouw R. afgewezen. Dit is in strijd met het vereiste van een coulante opstelling. De Nationale ombudsman overweegt dat de gemeente ook bij uitbestede schuldhulpverlening verantwoordelijk blijft voor de kwaliteit ervan en dat het gelet op de in deze zaak geschonden behoorlijkheidsnormen en de nadelige gevolgen hiervan voor de heer en mevrouw R. beter zou zijn als de gemeente hen een passende vergoeding aanbiedt.

De Nationale ombudsman ondersteunt de aanbeveling van de klachtcoördinatoren van de gemeente om voortaan over de voortgang van de verschillende dossiers regelmatig gesprekken te voeren met de schuldhulpverlener. Verder beveelt de Nationale ombudsman de gemeente aan om alsnog persoonlijk contact op te nemen met de heer en mevrouw R. en een passende vergoeding voor de geleden schade aan te bieden.

Meer informatie
rapport Nationale ombudsman 16 juli 2018
achtergrondinfo schuldhulpverlening

Overzicht tuchtrechtspraak deurwaarders april t/m juni 2018

22 juli 2018

Deurwaarders zijn onderworpen aan tuchtrechtspraak, uitgevoerd door de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders en in hoger beroep door het Hof Amsterdam. Hierbij een selectie van uitspraken gepubliceerd in de maanden april t/m juni 2018.


Omzeilen beslagvrije voet door bankbeslag te leggen
Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat hij door het leggen van het bankbeslag bewust de beslagvrije voet heeft omzeild, het bankbeslag niet onverwijld heeft opgeheven, ten onrechte geen informatie heeft verstrekt, het derdenbeslag niet heeft overbetekend en ten onrechte de door klager geleden schade slechts gedeeltelijk heeft vergoed. Het hof verklaart de klacht op 4 onderdelen. Voor de schade verwijst het hof naar de civiele rechter.
T,a,v, het bankbeslag overweegt het hof het volgende:
“Uit de stukken in deze procedure is gebleken dat klager ten tijde van het beslag op zijn bankrekening een bijstandsuitkering ontving. Op deze uitkering was door meer gerechtsdeurwaarders, onder wie de gerechtsdeurwaarder zelf, beslag gelegd met toepassing van een beslagvrije voet. De gerechtsdeurwaarder ontving daaruit maandelijks een geringe afdracht. Er was onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de beslagen bankrekening door andere inkomsten dan de uitkering van klager werd gevoed of dat er nog andere inkomsten zouden zijn. Door onder deze omstandigheden beslag te leggen op de bankrekening naast het gelegde beslag op de uitkering, heeft de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Dit klachtonderdeel treft doel, anders dan de kamer heeft geoordeeld.”
Het hof legt de deurwaarder de maatregel van berisping met aanzegging op. >>>Uitspraak

Bij verkeerde beslagvrije voet naar eerste beslagleggende deurwaarder verwijzen
Klager verwijt de deurwaarder dat hij de beslagvrije voet ten onrechte op nihil heeft gesteld en daarna heeft geweigerd om de beslagvrije voet aan te passen. De kamer heeft de klacht gegrond verklaard en aan de deurwaarder de maatregel van berisping opgelegd. Het hof is van oordeel dat het door de deurwaarder tegenover de klager ingenomen standpunt dat op het beslag onder de belastingdienst op de vordering tot voorlopige teruggaaf geen beslagvrije voet van toepassing is, zonder meer onjuist is, want in strijd met de duidelijke tekst van de wet. Het innemen van een tegengesteld standpunt is onder die omstandigheden tuchtrechtelijke laakbaar. De klacht is op dit onderdeel dus gegrond. De deurwaarder had daarnaast niet mogen volstaan met de bij e-mailbericht van 13 juni 2016 aan klager gedane mededeling dat klager zijn verzoek om toepassing en aanpassing van de beslagvrije voet diende voor te leggen aan de deurwaarder die eerder beslag had gelegd op zijn inkomen. Het is van groot belang dat de beslagvrije voet die voor de desbetreffende schuldenaar geldt zorgvuldig wordt vastgesteld en zo nodig wordt aangepast. Dit geldt in het bijzonder in geval de beslagvrije voet op nihil wordt/is gesteld. Het hof ziet daarom evenals de kamer aanleiding om aan de deurwaarder de maatregel van berisping op te leggen. De bestreden beslissing wordt bevestigt. >>>Uitspraak

Ook kosten gedekt door toevoeging moeten op debiteur worden verhaald
Klaagster verwijt de deurwaarder dat hij ten onrechte kosten in rekening brengt die worden gedekt door de toevoeging, tussentijdse afdrachten heeft gedaan zonder zijn kosten daarvan af te trekken, weigert een gespecificeerde nota te verstrekken en klaagster als contractspartij beschouwt terwijl de cliënt van klaagster de wederpartij is.
De kamer heeft in de verzetprocedure de klacht van klaagster deels gegrond verklaard en de deurwaarder de maatregel van een geldboete van €2.500,- opgelegd.
Het hof vernietigt de bestreden beslissing en verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond. Ook in het geval dat de deurwaarder executiemaatregelen treft op verzoek van een schuldeiser die over een toevoeging beschikt, mag en zal de deurwaarder de executiekosten (trachten te) verhalen op de schuldenaar. >>>Uitspraak

Tegelijk beslag op uitkering en zorgtoeslag
De deurwaarder heeft voor de invordering van een achterstand bestuursrechtelijke premie beslag op een bijstandsuitkering gelegd en hierbij ten ontrechte de beslagvrije voet gehalveerd. Het totale inkomen is bij een bijstandsuitkering immers bekend. Daarnaast heeft de de deurwaarder tevens beslag op de zorgtoeslag gelegd hetgeen onnodig kosten met zich meebracht. Door het beslag op de zorgtoeslag kwam betrokkene € 83 onder de beslagvrije voet, wat de deurwaarder wist, omdat hij zelf het eerdere beslag op de uitkering had gelegd. Volgens het hof is deze handelwijze tuchtrechtelijk laakbaar.
Het niet toepassen van een beslagvrije voet bij het beslag op de zorgtoeslag is volgens het hof op zichzelf niet tuchtrechtelijk laakbaar, omdat de jurisprudentie verdeeld is over de vraag of het toepassen van de beslagvrije voet bij beslag op een toeslag mogelijk is. Zie samenvatting. Zie uitspraak.

Saniet is bevoegd klacht in te dienen tegen deurwaarder
Op het moment dat klaagster verzet instelde bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders, was zij toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en had zij een WSNP-bewindvoerder. Een dergelijke bewindvoerder heeft de verantwoordelijkheid voor de boedel en uitgaven binnen het schuldsaneringstraject. De saniet blijft echter wel handelingsbevoegd in rechte op te treden (in dit geval: verzet in te stellen) in een tuchtzaak als de onderhavige, die immers geen betrekking heeft op een goed dat tot de boedel behoort. Het door de deurwaarder aangehaalde wetsartikel bepaalt enkel dat de bewindvoerder in het kader van een schuldsanering toestemming behoeft van de rechter-commissaris wanneer in rechte wordt opgetreden. Gelet op het vorenstaande kan niet worden geconcludeerd dat de kamer hier een procedurele fout heeft gemaakt, zodat het hoger beroep op dit punt faalt. >>>Uitspraak

Beslagvrije voet op nihil en dreigen met beslag op inboedel
Klaagster maakt bezwaar tegen het bankbeslag en de daarbij in rekening gebrachte kosten. De kamer is van oordeel dat deurwaarder op dit onderdeel niet tuchtrechtelijk laakbaar heft gehandeld. Wel heft de deurwaarder de beslagvrije voet bij het gelegde beslag onder de belastingdienst ten onrechte op nihil gesteld. Hij heeft onvoldoende voortvarend gehandeld nadat klaagster hem hierop heeft gewezen. Bovendien heeft de deurwaarder in strijd met artikel 8 van de Verordening Beroeps- en Gedragsregels Gerechtsdeurwaarders gehandeld, door maatregelen aan te kondigen die hij niet van plan was te nemen. Hij had namelijk in een brief gedreigd met beslag op inboedel, maar in het verweerschrift aangegeven dat hij niet voornemens was beslag op inboedel te leggen.
Klacht gedeeltelijk gegrond, maatregel van berisping. >>>Uitspraak

Kosten voor beslag onder bank waar betrokkene niet bankiert
Klager stelt dat de deurwaarder ten onrechte beslag heeft gelegd onder een bank waar hij geen rekening heeft lopen en hiervoor kosten in rekening heeft gebracht. Ten aanzien daarvan overweegt de Kamer dat er in het geval van beslaglegging onder een derde een gerechtvaardigd vermoeden moet zijn van een relatie tussen de derde en de schuldenaar. De deurwaarder heeft in opdracht van de schuldeiser beslag heeft gelegd onder de bank. Uit de overgelegde producties blijkt dat het schuldeiser die heeft aangegeven dat klager (onder meer) bij deze bank zou bankieren. Aan de mededeling van de schuldeiser kon de deurwaarder een redelijk vermoeden ontlenen dat klager een rekening bij de betreffende bank aanhoudt. De deurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door beslag onder de bank te leggen en de kosten hiervoor in rekening te brengen. >>>Uitspraak

Minderjarige had geen toestemming voor opdracht gegeven
De deurwaarder heeft geen uitdrukkelijke (schriftelijke) toestemming van het kind om de alimentatie na maart 2016, de maand waarin het kind meerderjarig werd, te vorderen. De opdracht is aangenomen via de moeder, waarbij de deurwaarder is uitgegaan van de mededelingen van de moeder. Anders dan de overtuiging van de deurwaarder dat de (impliciete) toestemming is gelegen in de familiebetrekkingen, was de uitdrukkelijke toestemming van het (inmiddels) meerderjarig kind wel degelijk vereist. Maatregel: waarschuwing. >>>Uitspraak

Geen schending privacy door bij werkgever loonbeslag te leggen op basis van strafvonnis
Klager stelt schending van zijn privacy, doordat de deurwaarder zijn werkgever op de hoogte heeft gebracht van zijn veroordeling door de meervoudige strafkamer, waardoor hij mogelijk zijn baan zou verliezen. Bij het leggen van loonbeslag, dient de deurwaarder het proces-verbaal van beslaglegging, een afschrift van de titel (i.c. het dwangbevel) en een door de werkgever in te vullen derdenverklaring mee te betekenen op grond van artikel 475 lid 2 Rv. Uitvoering volgens dit artikel kan dus niet leiden tot tuchtrechtelijk onbehoorlijk handelen. Een (mogelijke) gevolg van het gelegde beslag kan de deurwaarder niet worden aangerekend. >>>Uitspraak

Klacht afdoende afgehandeld via interne klachtregeling
De deurwaarder heeft de klachten van klager afdoende in de interne klachtenregeling doorlopen en onderdelen van de klacht als juist erkend. De deurwaarder heeft klager gecompenseerd door het totaalbedrag van de door klager verrichte betalingen tevens in mindering te brengen in het nieuwe dossier. Ook heeft de deurwaarder de kosten van het bankbeslag afgeboekt. Klacht ongegrond. >>>Uitspraak
 

Deurwaarder mag klager naar bewindvoerder verwijzen
De deurwaarder wel degelijk binnen een redelijke termijn steeds op de verzoeken van klager om informatie heeft gereageerd. De deurwaarder is bij een onder bewind gestelde in beginsel verplicht om met of via de bewindvoerder te communiceren. De deurwaarder heeft dan ook niet tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld door klager naar zijn bewindvoerder te verwijzen voor (verzoeken om) informatie terzake zijn dossiers. Klacht ongegrond. >>>Uitspraak
 

Deurwaarder had geen betalingsregeling mogen treffen
De kamer overweegt dat de opdracht een vonnis te betekenen, betaling aan te zeggen en beslag te leggen niet zonder meer een vrijbrief was om zonder overleg een betalingsregeling overeen te komen Te meer nu klaagster in haar brief van 29 juni 2016 expliciet heeft opgenomen dat zij verzoekt om beslag te leggen op alles wat mogelijk is en op de hoogte wil blijven van alle stappen die de deurwaarder gaat nemen. Klacht gedeeltelijk gegrond, geen reden voor opleggen maatregel. >>>Uitspraak

Betaling zonder dossiernummer, afgeboekt op ander dossier
Klaagster heeft zich niet aan de afspraak gehouden dat zij bij alle aflossingen dossiernummers zou vermelden. Gelet op de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 31 mei 2011 (ECLI:NL:TGDKG:2010:108) is het niet in strijd met de tuchtrechtelijke norm dat de deurwaarder daarom de betalingen zonder dossiernummers heeft geboekt in andere dossiers dan door klaagster was bedoeld. Klacht ongegrond. >>>Uitspraak

Te late overbetekening van derdenbeslag
De deurwaarder heeft het gelegde derdenbeslag niet binnen de wettelijke termijn van acht dagen aan klager betekend. Klacht gegrond met maatregel van waarschuwing. >>>Uitspraak
 

Meerdere adresverificaties vanwege eerdere adreswijzigingen geoorloofd
De klacht betreft het volgens klager ten onrechte gebruik maken van de BRP gegevens in de pre-justitiële fase. Op een adresverificatie door een deurwaarder is de “Gedragscode gerechtsdeurwaarders ter bescherming persoonsgegevens” van toepassing. De Gedragscode beoogt onnodige raadpleging van het BRP te voorkomen. Het doel van de Gedragscode is niet de schuldeiser en schuldenaar te beperken in het uitvoeren van een volwaardig minnelijk incassotraject. In de onderhavige zaak werd de deurwaarder twee maal met een adreswijziging van klager geconfronteerd. Dat deed veronderstellen dat eerdere aanmaningen klager niet hadden bereikt. Dat de deurwaarder verschillende keren een adresverificatie heeft genomen acht de kamer onder deze omstandigheden niet tuchtrechtelijk laakbaar. >>>Uitspraak

Meer informatie
Overzichten tuchtrechtspraak deurwaarders
Website tuchtrechtspraak

Kwijtschelding boetepremie

15 juli 2018

Per 1 augustus 2018 gelden nieuwe regels voor de wanbetalersregeling zorgverzekering. Dan zal ook kwijtschelding worden verleend van de zogenaamde eindafrekening van de bestuursrechtelijke premie wanneer de volledige schuld aan de zorgverzekeraar is betaald. Daarnaast kondigt minister Bruins voor Medische Zorg een regeling aan voor onder bewind gestelden.


Boetepremie
Bij een premieachterstand van minimaal 6 maanden meldt de zorgverzekeraar de verzekeringnemer aan bij het CAK. Vanaf dat moment is de verzekeringnemer geen premie meer aan de verzekeraar verschuldigd, maar moet hij een bestuursrechtelijke premie aan het CAK betalen. Deze premie bedraagt 125% van de gemiddelde zorgpremie (in 2018: € 136,67).

Vijf gronden voor afmelding CAK
Er zijn vijf situaties waarbij de zorgverzekeraar de verzekeringnemer moet afmelden bij het CAK:

  • volledig betalen van de schuld aan de zorgverzekeraar (premie, eigen risico en kosten);
  • treffen van een betalingsregeling met de zorgverzekeraar;
  • sluiten van een stabilisatieovereenkomst;
  • totstandkoming van een minnelijke schuldregeling;
  • toelating tot de wsnp.

Na afmelding is de verzekeringnemer geen bestuursrechtelijke premie meer verschuldigd en dient hij de nominale premie in het vervolg weer aan de verzekeraar te betalen.

Kwijtschelding eindafrekening
Volgens de huidige regels wordt een eventueel restant aan bestuursrechtelijke premie (de eindafrekening) kwijtgescholden bij een minnelijk traject, een wsnp-traject en bij de uitstroomregeling bijstandsgerechtigden. Vanaf 1 augustus 2018 zal het CAK de eindafrekening ook kwijtschelden wanneer de schuld aan de zorgverzekeraar is voldaan. De minister zegt hierover:

“Als de schuld bij de zorgverzekeraar is voldaan volgt soms nog een
eindafrekening van het CAK met nog openstaande bestuursrechtelijke premie. Dit
is gemiddeld € 1.500,- en komt voor een wanbetaler vaak onverwacht. Er kan
bestuursrechtelijke premie openstaan als broninhouding niet mogelijk was, de
zorgtoeslag niet voldoende was en de deurwaarder geen verhaal heeft kunnen
halen. Op dit moment wordt standaard tenminste een deel (de opslag) van de
eindafrekening kwijtgescholden.

In de praktijk leidt de eindafrekening regelmatig tot nieuwe betalingsproblemen en recidive. Het incassopercentage van de eindafrekeningen is dan ook beperkt (minder dan 20%). Het gaat vaak om verzekerden die met moeite de betalingsregeling van de zorgverzekeraar hebben voldaan. Zij overzien vaak niet dat er bij meerdere partijen nog vorderingen openstaan. In overleg met zorgverzekeraars en het CAK heb ik besloten standaard de gehele eindafrekening kwijt te schelden. De maatregel houdt in dat voor iedere verzekerde die de schuld bij de zorgverzekeraar heeft voldaan (premie, eigen risico en incassokosten), de eindafrekening bestuursrechtelijke premie wordt kwijtgescholden. (…) Het kwijtschelden van de eindafrekening biedt een positief vooruitzicht voor schuldenaren die op het punt zijn gekomen dat ze in actie willen komen en hun schuld aan hun zorgverzekeraar willen voldoen. Een bezoek van een schuldhulpverlener of een maatschappelijk werker kan het zetje zijn dat mensen nodig hebben.

Ik heb het CAK verzocht vanaf 1 augustus 2018 geen eindafrekeningen meer te versturen en vorderingen op nog openstaande eindafrekeningen kwijt te schelden. Het CAK zal daartoe de Beleidsregels inning bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet 2018 aanpassen.”

Uitstroomregeling wanbetalers onder bewind
Voor bijstandsgerechtigden bestaat de mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden, versneld terug te keren naar het normale premieregime van de zorgverzekeraar. Gemeenten en zorgverzekeraars kunnen zelf beslissen of ze een overeenkomst willen sluiten om dit mogelijk te maken. Gedurende 36 maanden moet dan naast de nominale premie een vast bedrag worden betaald aan de zorgverzekeraar ter aflossing van de schuld (36 maanden  € 35). Wanneer de verzekeringnemer zich aan deze regeling houdt worden de resterende schulden bij de zorgverzekeraar en het CAK kwijtgescholden. 
De minister geeft aan in gesprek te zijn met zorgverzekeraars en koepels van bewindvoerders om een vergelijkbare regeling mogelijk te maken voor onder bewind gestelden. De minister zal hierover in het najaar berichten.

Betalingsregeling onder de beslagvrije voet
De betalingsregeling als uitstroommogelijkheid gaat geheel voorbij aan het knelpunt dat er vaak ook sprake is van loonbeslag. Er is dan veelal geen financiële ruimte voor een betalingsregeling. Weliswaar is er na het treffen van de betalingsregeling een lagere premie verschuldigd. Deze lagere premie heeft bij loonbeslag echter tot gevolg dat de beslagvrije voet ook omlaag gaat en er via loonbeslag meer aan de schuldeisers wordt afgedragen. Er ontstaat dus geen extra aflossingsruimte.

Mocht de zorgverzekeraar de beslaglegger zijn dat biedt aanbeveling 38 uit het rapport “Knellende schuldenwetgeving” uitkomst:

“Pas art. 18d lid 2 onder c Zorgverzekeringswet aan zodat naast de vrijwillige aflossing ook de niet vrijwillige aflossing (via beslag) als uitstroomreden in de wet wordt opgenomen.”

Meer informatie
Brief van de minister voor Medische Zorg, 6 juli 2018
Gegijzeld in de wanbetalersregeling zorgverzekering
Achtergrondinformatie wanbetalersregeling zorgverzekering

Knellende schuldenwetgeving

5 juli 2018

Tweede Kamerleden van de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) kregen dinsdag 3 juli 2018 een eerste exemplaar van het rapport, ‘Knellende schuldenwetgeving’ uitgereikt. Na de aanhoudende stroom berichten over de hardnekkigheid van schulden in Nederland wilde de commissie namelijk uitgezocht hebben waar de knelpunten zitten in de schuldhulpverlening. Dat was dan ook de opdracht van de commissie aan vier onderzoekers die zich al jaren bezighouden met armoede en schulden in Nederland: André Moerman van Schuldinfo en de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR/Sociaal Werk Nederland) en de lectoren Nadja Jungmann en Tamara Madern (beiden Schulden & Incasso, Hogeschool Utrecht) Roeland van Geuns (Armoede Interventies, Hogeschool van Amsterdam).

Tegenstrijdige regels
Een burger die aanklopt bij de schuldhulpverlening staat gemiddeld bij veertien schuldeisers in het krijt. Dat maakt het op zich al lastig om uit de rode cijfers te komen, maar daar komt nog bij dat het innen en aflossen van schulden is omgeven door een woud van regels. Soms zijn die regels ook nog eens met elkaar in tegenspraak. Dat is alles is al ingewikkeld genoeg voor de gemiddelde Nederlander, maar zeker ook voor mensen met een Licht Verstandelijke Beperking (LVB) die met schulden kampen.

Bij hun inventarisatie van knelpunten hebben de onderzoekers allereerst gekeken naar het juridische kader rond schulden. Welke partijen zijn betrokken bij de aanpak van schulden? En wat is het tijdpad van de huidige schuldhulpverlening (aanloop- en uitvoeringsfase)?

Anders gezegd:

1. Met welke wetten krijg je te maken rond schulden?

  • Welke partijen zijn betrokken bij schulden en welke bevoegdheden hebben zij?
  • Wat is het tijdpad bij schuldhulpverlening (aanloop- en uitvoeringsfase)?
  • Welke tegenstrijdigheden zitten er in de wet- en regelgeving?
  • Hoe kan het juridische kader worden verbeterd? Welke wet- en regelgeving moet hoe worden aangepast?

2. Welke belemmeringen zijn er in de praktijk, bijvoorbeeld inzake privacy en gegevensuitwisseling?

Schuldeisers moeten meewerken aan schuldhulpverlening
Op grond van eerdere rapporten, aanvullende interviews met specialisten en oproepen tot het melden van knelpunten op LinkedIn en Twitter, kwamen de onderzoekers tot vijftig verbetervoorstellen. Soms zijn die overkoepelend: “Ontwikkel een eenduidig kader over hoe schuldhulpverlening van goede kwaliteit eruit ziet. Gemeenten kunnen dan hun eigen uitvoering daarmee vergelijken en er komt een landelijk beeld van de gemiddelde kwaliteit.”

Soms gaat het om aanvullende wetgeving. Bijvoorbeeld in het geval dat een schuldregeling strandt omdat een van de schuldeisers weigert mee te werken en daarmee het hele traject blokkeert. Verplicht hem om wél mee te werken als de meerderheid van de schuldeisers dat ook wil, is daarom ook een aanbeveling van de onderzoekers.

Meer informatie
Rapport Knellende schuldenwetgeving
Onderzoek commissie SZW over schulden besproken

Besluit treedt niet in werking omdat het niet naar de bewindvoerder is gestuurd

1 juli 2018

De gemeente stuurt een beslissing waarbij ze de uitkering vanwege het toepassen van de kostendelersnorm verlaagt, naar de onderbewindgestelde en niet naar de bewindvoerder. Dit terwijl de gemeente wel op de hoogte was van de onderbewindstelling. Maanden later krijgt de bewindvoerder het wijzigingsbesluit in handen en dient hij een bezwaarschrift in. De gemeente verklaart het bezwaar niet ontvankelijk, maar de rechtbank en in hoger beroep de Centrale Raad van Beroep oordelen anders. Zij komen tot het verstrekkende oordeel dat het wijzigingsbesluit niet in werking is getreden omdat het niet naar de bewindvoerder is gestuurd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.
Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift de niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.1.2.
Ingevolge artikel 1:431, eerste lid, van het BW kan, voor zover van belang, indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

4.1.3.
Ingevolge artikel 1:441, eerste lid, van het BW vertegenwoordigt tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende. De bewindvoerder kan voorts voor de rechthebbende alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen.

4.1.4.
Uit artikel 1:438, eerste lid, van het BW volgt dat tijdens het bewind het beheer over de onder bewind staande goederen niet toekomt aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder.

4.2.
De beroepsgrond dat het wijzigingsbesluit op de juiste wijze bekend is gemaakt door toezending aan betrokkene omdat in dit geval met de bewindvoerder geen afspraken zijn gemaakt over de toezending van post en deze niet te kennen heeft gegeven de stukken te willen ontvangen, slaagt niet. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [naam] op 26 november 2014 tot bewindvoerder van betrokkene is benoemd en dat appellant daarmee voorafgaand aan het wijzigingsbesluit bekend was. De aan betrokkene verleende bijstand is een aan haar toebehorend vermogensbestanddeel dat onder het ingestelde beschermingsbewind valt. Dit heeft appellant ook niet betwist. Het wijzigingsbesluit, waarbij met ingang van 1 juli 2015 op de aan betrokkene verleende bijstand de kostendelersnorm wordt toegepast, heeft invloed op de inkomsten en/of het vermogen van betrokkene.

4.4.
Nu appellant ermee bekend was dat de goederen van betrokkene (waartoe ook haar bijstand behoort) onder bewind zijn gesteld, vloeit uit het samenstel van de bepalingen van de artikelen 1:431, 1:438 en 1:441 van het BW voort dat appellant het wijzigingsbesluit om het in werking te laten treden aan de bewindvoerder had moeten toezenden. Het beheer van de bijstand komt namelijk op grond van een ter bescherming van het vermogen van betrokkene getroffen rechterlijke maatregel niet toe aan betrokkene maar aan de bewindvoerder, waarbij de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak betrokkene in en buiten rechte vertegenwoordigt. Dat betekent dat het wijzigingsbesluit, door toezending daarvan uitsluitend aan betrokkene, niet op de juiste wijze is bekend gemaakt als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid van de Awb. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat hieruit volgt dat de bezwaartermijn op 21 april 2015 geen aanvang heeft genomen.

4.5.
Gelet op de van de zijde van betrokkene in bezwaar en ter zitting geschetste omstandigheden staat genoegzaam vast dat de bewindvoerder pas op 9 september 2015 kennis heeft genomen van het wijzigingsbesluit. De bewindvoerder heeft het vervolgens aan de gemachtigde toegezonden, met het verzoek daartegen bezwaar te maken. Dit betekent dat het door appellant op 17 september 2015 ontvangen bezwaarschrift tijdig is ingediend. Appellant heeft het bezwaar namens betrokkene tegen het wijzigingsbesluit ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

4.6.
Of betrokkene mogelijk op andere wijze op de hoogte is geraakt met de toepassing van de kostendelersnorm op haar bijstand per 1 juli 2015, is niet relevant. Het wijzigingsbesluit treedt slechts in werking met bekendmaking aan de bewindvoerder en niet in geschil is dat bewindvoerder eerst op 9 september 2015 op andere wijze bekend is geraakt met het wijzigingsbesluit.

4.7.
Uit 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Meer informatie
CRvB 12 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1831
Achtergrondinfo beschermingsmaatregelen

Zinloze kostenverhogende beslagcombinaties

24 juni 2018

Wanneer een deurwaarder tegelijk of na elkaar op meerdere inkomsten beslag legt is de kans groot dat het om een zinloos kostenverhogend beslag gaat, waarbij betrokkene in bepaalde gevallen ook nog onder het bestaansminimum terecht kan komen. Eerder hebben we op Schuldinfo aandacht besteed aan een tuchtuitspraak van hof Amsterdam over een deurwaarder die voor de zekerheid (want betrokkene zou de baan kunnen verliezen) naast beslag op loon, ook beslag op een voorlopige teruggaaf belastingen heeft gelegd. Dit met een berisping tot gevolg. Dit keer besteden we aandacht aan een tuchtuitspraak van het hof Amsterdam over een deurwaarder die voor de invordering van een achterstand bestuursrechtelijke premie zowel beslag op een bijstandsuitkering als beslag op de zorgtoeslag heeft gelegd.


Aanleiding
De deurwaarder is door het CJIB belast met de tenuitvoerlegging van een op 25 september 2015 door het Zorginstituut Nederland (voorganger van CAK) ten laste van klager uitgevaardigd dwangbevel. Volgens dit dwangbevel was klager € 73,53 aan hoofdsom verschuldigd.
Het dwangbevel is op 2 oktober 2015 aan betrokkene betekend. Het bedrag is met invorderingskosten en explootkosten opgelopen tot € 196,40. De vader van betrokkene betaalt de hoofdsom ad. € 73,53, maar dat was te laat. De deurwaarder legt beslag op de bijstandsuitkering. Op grond van het beslag is maandelijks vanaf november 2015 € 41,25 aan de gerechtsdeurwaarders afgedragen.
Op 7 januari 2016 heeft de deurwaarder beslag gelegd onder de Belastingdienst op de zorgtoeslag van klager.

Uitspraak Kamer voor gerechtsdeurwaarders
Betrokkene heeft een klacht ingediend bij de Kamer voor gerechtsdeurwaarders, bestaande uit tien klachtonderdelen. De kamer acht vijf klachtonderdelen gegrond en legt de deurwaarders als maatregel een schorsing voor een week op.
De deurwaarders hebben hiertegen beroep aangetekend en het hof Amsterdam oordeelt als volgt (we beperken ons tot drie klachtonderdelen).

Klacht 1: Te lage beslagvrije voet
De deurwaarder heeft bij het beslag op de uitkering een te lage beslagvrije voet vastgesteld ad. € 618,83. Dit is een gehalveerde beslagvrije voet voor echtparen, hetgeen wettelijk toegestaan is wanneer geen informatie is verstrekt over het inkomen van de partner. Betrokkene is echter alleenstaande. Bovendien is de hoogte van het totale inkomen bekend nu dit door de sociale dienst was doorgegeven.
Het hof benadrukt dat beslaglegging op het inkomen van een debiteur een ingrijpend middel is, omdat een debiteur als gevolg daarvan nog slechts een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet overhoudt, waarvan hij de lopende kosten van bestaan moet voldoen. Het is dus van groot belang dat indien een deurwaarder hiertoe overgaat, hij de beslagvrije voet die voor de desbetreffende debiteur geldt zorgvuldig vaststelt en zo nodig direct aanpast. Het hof acht deze klacht gegrond.

Klacht 2: het leggen van beslag op zorgtoeslag (dubbel beslag)
“Op 6 januari 2016 bedroeg het restant verschuldigde € 231,66. Op basis van het beslag op de uitkering van klager zou de totale vordering, inclusief kosten, in juni 2016 geheel zijn voldaan. De gerechtsdeurwaarder heeft op 6 januari 2016 echter ook nog beslag op de zorgtoeslag van klager gelegd. Hij heeft als verantwoording daarvoor aangevoerd dat volgens het contract met zijn opdrachtgever, CJIB, hij de onderhavige vordering binnen zes maanden diende af te wikkelen. Dat zou in dit geval in maart 2016 zijn en dan zou de vordering nog niet geheel zijn geïncasseerd. Als de zorgtoeslag van € 83,- extra zou kunnen worden geïncasseerd, zou dat nog net lukken.

Naar het oordeel van het hof is dit standpunt onbegrijpelijk en de handelwijze ten opzichte van klager tuchtrechtelijk laakbaar. De kosten van beslag, overbetekening en verdeelkosten voor drie maanden zijn immers hoger dan de opbrengst van 3 x € 83,-. Dat de gerechtsdeurwaarder heeft verklaard dat hij de kosten van de tweede beslaglegging voor eigen rekening zou nemen, kan hieraan niet afdoen. Allereerst niet, omdat zulks niet blijkt uit de uitgebrachte exploten, waarin die kosten niet op nihil zijn gesteld, maar voor rekening van klager zijn gebracht. Daarnaast niet, omdat de toegepaste methode voor klager inhield dat hij drie maanden lang zou moeten leven van een inkomen van € 83,- onder de beslagvrije voet, wat de gerechtsdeurwaarder wist, omdat hij zelf het eerdere beslag op de uitkering had gelegd.
Dit klachtonderdeel is daarom gegrond.

Het is niet onbegrijpelijk dat de gerechtsdeurwaarder als ondernemer met (grote) opdrachtgevers aparte prijsafspraken maakt en ook afspraken over de verwerking en afdoening van vorderingen. Daar staat tegenover dat een gerechtsdeurwaarder als zelfstandig openbaar ambtenaar bij de uitvoering van zijn opdrachten een eigen verantwoordelijkheid heeft, waarbij hij zowel met de belangen van zijn opdrachtgever als met die van de wederpartij rekening dient te houden (vgl. ECLI:GHAMS:2016:3122). Daarbij mag van hem een kritische houding worden verwacht. In dat kader is de voorwaarde dat vorderingen in hoofdsom minder dan € 100,- binnen zes maanden moeten zijn geïncasseerd onaanvaardbaar. Het zal veelal gaan om schuldenaren met een minimuminkomen. Als de gerechtsdeurwaarder de executoriale titel betekent en vervolgens executiemaatregelen neemt, zijn de kosten daardoor inmiddels zodanig opgelopen, dat afdoening via een beslag feitelijk nooit meer mogelijk is binnen de oorspronkelijke termijn van zes maanden, zoals uit het voorbeeld van de onderhavige zaak mag blijken. Een overheidsinstantie als het CJIB hoort een dergelijke voorwaarde dan ook niet te stellen. Indien een gerechtsdeurwaarder een dergelijke voorwaarde aanvaardt, behoort hij geen executiekosten te maken waarvan het gevolg is dat de schuldenaar met die kosten wordt geconfronteerd, maar de vordering niet binnen de overeengekomen termijn zal kunnen worden geïncasseerd.”

Klacht 3: geen beslagvrije voet bij beslag op zorgtoeslag
De deurwaarder heeft bij het beslag op zorgtoeslag de beslagvrije voet op nihil gesteld. Volgens het hof Amsterdam is dit niet tuchtrechtelijk laakbaar omdat de rechtspraak verdeeld is over de vraag of bij beslag op toeslagen op verzoek rekening moet worden gehouden met de beslagvrije voet.
Maar zoals bij klachtonderdeel twee blijkt moet de deurwaarder volgens het hof bij de afweging of er beslag op de zorgtoeslag kan worden gelegd wel rekening houden met de beslagvrije voet. Het hof heeft namelijk onder meer overwogen dat in casu het beslag op de zorgtoeslag tuchtrechtelijk laakbaar is, omdat
“de toegepaste methode voor klager inhield dat hij drie maanden lang zou moeten leven van een inkomen van € 83,- onder de beslagvrije voet, wat de gerechtsdeurwaarder wist, omdat hij zelf het eerdere beslag op de uitkering had gelegd.”

Beslissing
De deurwaarder die beslag op de zorgtoeslag heeft gelegd krijgt een maatregel van berisping met aanzegging opgelegd dat, indien nogmaals een tuchtrechtelijk laakbare handeling wordt gepleegd, een geldboete, schorsing of ontzetting uit het ambt zal worden overwogen.
De deurwaarder die beslag op de uitkering heeft gelegd krijgt een maatregel van berisping opgelegd.


Oproep: zinloze kostenverhogende beslagcombinaties

Kom je in de praktijk situaties tegen waarbij voor dezelfde schuldeiser op meerdere inkomsten beslag wordt gelegd, geef dit dan aan ons door (info@schuldinfo.nl). Op deze wijze willen we zicht krijgen op de omvang van deze problematiek. Wanneer komt het voor? Zijn dit incidenten of gebeurt het vaker? Bovendien kun je tips krijgen hoe te handelen.

Meer informatie
Hof Amsterdam 19 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2018
Kamer voor gerechtsdeurwaarders (eerste aanleg)
Deurwaarder legt dubbel beslag en maakt onnodig kosten
Achtergrondinfo zinloze beslagcombinaties

E-Court: verzoek prejudiciële vragen afgewezen

15 juni 2018

E-Court verzoekt aan de rechtbank Overijssel om verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis (exequatur). Bij dit verzoek vraagt e-Court om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. De reden hiervoor is dat de rechtbank eerder heeft aangegeven geen exequatur meer te verlenen, maar eerst duidelijkheid te willen over de mate waarin het arbitraal vonnis moet worden getoetst. Echter, in een nogal curieuze zaak wijst de rechtbank beide verzoeken af. De arbiter is volgens de rechtbank niet onafhankelijk en onpartijdig.

Foto RyanMcGuire

e-Court
Over e-Court is dit jaar al veel te doen geweest en voor het tijdschrift Beslag, executie en rechtsvordering in de praktijk wijdde ik een column aan die ophef.
De handelwijze van e-Court bleek naar het oordeel van de Rechtspraak niet door de beugel te kunnen en men was voornemens om prejudiciële vragen te stellen. Een prejudiciële vraag is een rechtsvraag van de rechter aan de Hoge Raad. Dit kon toen niet, omdat e-Court al haar zaken had ingetrokken.
 

Curieus
Recent heeft e-Court dan toch een verzoek ingediend om een exequatur te verlenen op een arbitraal vonnis en daarbij verzocht zij ook om prejudiciële vragen te stellen. Omdat de Rechtspraak dit ook van plan was, leek dit laatste een formaliteit. Maar niets bleek minder waar. De rechtbank komt namelijk tot de conclusie dat niet is gebleken dat de arbiter onpartijdig en onafhankelijk is.
 

Wat was het geval?
Een arbiter van e-Court had in twee zaken een van zorgverzekeraar CZ in oordeel geveld. Het arbitrale vonnis was door e-Court aan de rechtbank Overijssel toegestuurd met het verzoek om een exequatur te verlenen en om prejudiciële vragen te stellen.

Gedaagde in één van de zaken was de oprichtster van e-Court, die nu directrice is van ITEC Services B.V., de administrateur van e-Court. Zij vertegenwoordigde, samen met de advocaat, e-Court op de mondelinge behandeling. De gedaagde van de andere arbitragezaak was niet aanwezig.

Tijdens de mondelinge behandeling erkende de oprichtster dat zij gedaagde was in het ene arbitrale geschil. Over het andere geschil kon zij geen mededeling doen. Wel werd namens e-Court aangevoerd dat vaker verzoeken bij de rechtbank Overijssel zijn ingediend in zaken waarbij deze twee dames gedaagden waren in de arbitrale procedure.

Dit vond de rechter opmerkelijk en was aanleiding om onderzoek te doen in de Basisregistratie Personen. Ongetwijfeld leidde dit onderzoek tot op zijn minst tot gefronste wenkbrauwen bij de rechter: de gedaagde in de andere zaak bleek namelijk de moeder te zijn van de oprichtster van e-Court!
Het is niet zo netjes van e-Court om dit te verzwijgen als de rechter daarnaar vraagt.

De nauwe band tussen e-Court en haar oprichtster en administrateur is voor de rechter aanleiding om te onderzoeken of de arbiter die de arbitrale vonnissen heeft gewezen onafhankelijk en onpartijdig is. Is dit niet het geval, dan kan het verlof tot tenuitvoerlegging (de exequatur) worden geweigerd.

Arbiters zijn gebonden aan de gedragsregels van e-Court en hierin staat onder andere:

Geschilbeslechters van e-Court zijn aan de volgende gedragscode gebonden.

1. Onafhankelijkheid en Onpartijdigheid
1.1 Geschilbeslechters accepteren geen zaken waarin hun onafhankelijkheid en/of onpartijdigheid onderwerp van discussie kan zijn. (…)
1.2 Risico’s rond onafhankelijkheid en onpartijdigheid doen zich bijvoorbeeld voor indien:

  1. geschilbeslechters in een familierelatie staan tot een van de procespartijen of hun vertegenwoordigers;
  2. een van de procespartijen of hun vertegenwoordigers tot de persoonlijke of zakelijke kennissenkring van Geschilbeslechters behoren;
  3. geschilbeslechters korter dan één (1) jaar geleden werkzaam zijn geweest bij een van de procespartijen, of deze als cliënt hebben geadviseerd of bijgestaan;
  4. partijen of hun vertegenwoordigers te dicht in relatie staan tot een levenspartner of directe familieleden van Geschilbeslechters;
  5. er andere omstandigheden zijn waardoor de schijn van partijdigheid wordt of kan worden gewekt.

De arbiter heeft weliswaar in het arbitraal vonnis overwogen dat het proces heeft plaatsgevonden tegenover een deskundige en onpartijdige arbiter. Maar de arbiter heeft niet geconstateerd dat één van de gedaagden de directeur is van de administrateur van e-Court en dat de ander haar moeder is. Ook blijkt niet uit het arbitraal vonnis dat de arbiter heeft overwogen of hij voldoende onafhankelijk en/of onpartijdig kon optreden in deze zaken.

Hier doet zich de situatie voor die staat in artikel 1.2 onderdeel d van de Gedragscode. De directrice van ITEC Services is nauw verbonden aan e-Court, de organisatie die de arbiter heeft benoemd, en haar moeder valt naar het oordeel van de rechter ook onder die beschrijving. Gelet hierop had de arbiter op grond van artikel 1.1 van de Gedragscode de zaak niet moeten accepteren dan wel hierover in ieder geval een inzichtelijke afweging moeten maken. Dat heeft de arbiter nagelaten.

Op grond hiervan oordeelt de rechter de arbiter niet onpartijdig of onafhankelijk is en dat hij deze zaak niet in behandeling had mogen nemen. De rechter wijst hierom het verzoek tot tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen af.
 

Geen prejudiciële vragen
De rechter wijst ook het verzoek af om prejudiciële vragen te stellen af en hij overweegt hierover:

“De voorzieningenrechter hecht er aan te vermelden dat het bij het stellen van vragen aan de Hoge Raad zoals bedoeld in artikel 392 lid 2 Rv zou moeten gaan om een zaak waarbij de gedaagde partijen niet op enige manier zijn verbonden aan de verzoekende partij (hier: e-Court), zodat op een deugdelijke manier hoor en wederhoor kan plaatsvinden van alle betrokken belanghebbenden in deze verzoekschriftprocedure. Dit mede gelet op het feit dat e-Court in deze procedure op basis van haar procesreglement optreedt als privatieve lasthebber van beide arbitrale procespartijen. Eventueel te stellen prejudiciële vragen zullen met name betrekking hebben op de vraag wat onder summierlijk onderzoek moet worden verstaan in het kader van consumentrechtelijke bescherming.”

Dit blog verscheen eerder op De Bloggende Advocaat

Meer informatie

Rb Overijssel 15 juni 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:2037
LOSR pakt onrechtmatige deurwaarderskosten e-Court aan
Alle vonnissen e-Court in strijd met arrest incassokosten
Rechtspraak op bestelling?!

Aanlokkelijk aanbod NRC met i-Phone? Bewindregister biedt bescherming!

5 juni 2018

Een onder bewind gestelde sluit een NRC-abonnement af inclusief levering van een i-Phone. De bewindvoerder wist van niets. Pas na een vonnis komt hij achter de nieuwe schuld. Het bewindregister biedt uitkomst. NRC had kunnen weten dat betrokkene onder bewind stond. De bewindvoerder gaat in verzet tegen het vonnis en de rechtbank Noord-Holland oordeelt als volgt.


“Nu is gebleken dat dit abonnement is afgesloten zonder medewerking van bewindvoerder Krommenhoek q.q., is sprake van een niet rechtsgeldig tot stand gekomen rechtshandeling. Deze ongeldigheid kan aan NRC worden tegengeworpen, indien zij het bewind kende of behoorde te kennen (artikel 1:439 lid 1 BW).

Nu het bewind ingeschreven was in voornoemd register, is de kantonrechter van oordeel dat NRC het bewind had behoren te kennen. De ongeldigheid van de rechtshandeling kan aan haar worden tegengeworpen.

Ingevolge artikel 1:440 lid 1 BW kunnen schulden die voortspruiten uit de tussen X en NRC gesloten overeenkomst niet op de onder het bewind staande goederen worden verhaald. Het eventuele toekomstige einde van het bewind brengt hierin geen verandering. De gehele vordering spruit naar het oordeel van de kantonrechter voort uit de tussen partijen gesloten overeenkomst. Voor zover NRC wat betreft het onderdeel dat ziet op de weigering tot teruggave van de IPhone het tegendeel betoogt, gaat de kantonrechter daarin niet mee. Dat zou in dit geval een ongeoorloofde beperking opleveren van het beschermingskarakter dat aan de artikelen 1:438, 1:439 en 1:440 ten grondslag ligt. In dat kader is van belang dat NRC als professional heeft gehandeld in strijd met wettelijke bepalingen die strekken tot bescherming van belangen van consumenten als X.

Het gebrek aan verhaalbaarheid doet aan de civielrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel niet af. Echter, nu is gebleken dat alle (toekomstige) goederen van X onder bewind zijn gesteld, is er in absolute zin geen enkel (toekomstig) goed van X waar NRC de vordering op kan verhalen. NRC heeft daarom geen belang meer bij de toewijzing van haar vordering, zodat de vordering voor afwijzing gereed ligt.
Hieruit volgt dat het verzet van Krommenhoek q.q. gegrond is en dat het verstekvonnis dient te worden vernietigd met inbegrip van de daarbij uitgesproken proceskostenveroordeling.”

Meer informatie
Rb. Noord-Holland 11 april 2018, 6407204 \CV EXPL 17-9466 WD
Rb Oost-Brabant 7 april 2016 (aangaan geldlening)
Rb Noord-Holland 7 februari 2018 (geboekte reis)
Achtergrondinfo curatele en bewindregister

Actueel

Bedrijvendesk geeft antwoord (AVG)
4 juni 2018

De volgende vraag werd gesteld op Dialoognet: wat mag een werkgever doen vanuit de AVG? Mag bijvoorbeeld een loonbeslag gebruikt

Lees meer
Overzicht tuchtrechtspraak deurwaarders januari t/m maart 2018
8 april 2018

Overzicht tuchtrechtspraak deurwaarders 2018-01 Deurwaarders zijn onderworpen aan…

Lees meer

Nieuwsbrief

Wil je op de hoogte blijven van acties en ontwikkelingen? Schrijf je dan in op onze nieuwsbrief!

* verplicht veld

Deel ons

Help de dialoog te versterken door ons te delen in jouw netwerk.

Sallandse Dialoog is partner van: Moedige Dialoog