De Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR), aangesloten bij Sociaal Werk Nederland, maakt zich ernstig zorgen over het aangekondigde uitstel van de invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. Op z’n vroegst zal de vereenvoudiging pas in 2021 plaatsvinden. Dat is onacceptabel, want op dit moment wordt de beslagvrije voet in driekwart van de gevallen te laag vastgesteld. Staatssecretaris Van Ark heeft aangekondigd met ‘tussenmaatregelen’ te komen om deze periode te overbruggen. Sociaal raadslieden doen hiervoor een aantal voorstellen.

De huidige beslagvrije voet is gebaseerd op veel informatie die de debiteur moet aanleveren. Voor iemand met een kop vol problemen is dat vaak ingewikkeld, waardoor de beslagvrije voet vaak te laag wordt vastgesteld. Dat heeft grote gevolgen. Burgers worden nodeloos verder in het moeras van schulden en stress geduwd. Nieuwe schulden ontstaan, de ene schuld wordt vervangen door een andere, met alle extra kosten van dien. Ook de maatschappelijke kosten stijgen daardoor.

De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet moet hier een eind aan maken. De vereenvoudiging wordt gerealiseerd door zo min mogelijk afhankelijk te zijn van informatie van de debiteur. Aan de hand van informatie uit de Basisregistratie personen en de Polisadministratie kan in de meeste gevallen de beslagvrije voet worden berekend. Een hoopvol perspectief, maar de nieuwe wet die al in 2017 in het Staatsblad heeft gestaan, wordt pas in 2021 ingevoerd.

Vanwege de ernstige gevolgen van dit uitstel moeten de aangekondigde tussenmaatregelen de debiteur wel voldoende gaan beschermen. Sociaal raadslieden doen daarvoor de volgende voorstellen:

1. Altijd terugwerkende kracht toepassen
Wanneer de beslagvrije voet te laag is vastgesteld moet op basis van de parlementaire geschiedenis de beslagvrije voet met terugwerkende kracht worden aangepast. Uitgerekend de overheid zelf, en dan met name de Belastingdienst, weigert om deze wettelijk verplichte terugwerkende kracht toe te passen. De LOSR heeft in het rapport “Belastingdienst, een bron van armoede?” in 2014 al op deze misstand gewezen. Ook de Nationale ombudsman heeft hierover een rapport uitgebracht en geoordeeld dat de parlementaire geschiedenis ook voor de Belastingdienst geldt.
Sociaal raadslieden blijven pleiten voor uitvoering van de wet, zodat een te lage beslagvrije voet altijd met terugwerkende kracht wordt gecorrigeerd. Helemaal nu de vertraging van invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet voor een belangrijk deel veroorzaakt wordt door implementatieproblemen dan wel prioritering bij de Belastingdienst.  

2. Beslagvrije voet moet minimaal 95% zijn van inkomen op bijstandsniveau
Volgens de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is de beslagvrije voet bij een inkomen gelijk of lager dan de bijstandsnorm gelijk aan 95% van het inkomen. Gemeenten, UWV en SVB moeten bij het verrekenen op de uitkering rekening houden met de beslagvrije voet.
Sociaal raadslieden stellen als ‘tussenmaatregel’ voor dat bij beslaglegging of verrekening op een uitkering op bijstandsniveau uitgegaan wordt van een beslagvrije voet van minimaal 95% van het inkomen.

3. Hanteer voor jongeren tot 21 jaar een volwaardige beslagvrije voet
Voor jongeren geldt, ongeacht of ze uit- of thuiswonend zijn, een beslagvrije voet van
€ 221,41. Het komt gelukkig niet vaak voor, maar als bij een uitwonende jongere beslag op loon of uitkering wordt gelegd, heeft dit onmiddellijk tot gevolg dat hij de vaste lasten niet meer kan betalen.
Sociaal raadslieden stellen voor om vooruitlopend op de invoering van de wet een beslagvrije voet te hanteren van 95% van het inkomen, maar maximaal de beslagvrije voet zoals deze zou zijn berekend als betrokkene 21 jaar of ouder zou zijn.

4. Verhoog de beslagvrije voet als iemand in een inrichting verblijft
Uitkeringsinstanties, de Belastingdienst en deurwaarders passen de beslagvrije voet bij verblijf in een inrichting toe volgens een letterlijke interpretatie van de wet, namelijk twee derde van de bedragen genoemd in art. 23 eerste en tweede lid samen.
De beslagvrije voet is dan: 2/3 van (315,54 + 34) = € 233,03.
Deze uitleg van de wet is in strijd met de bedoeling van de wetgever, zo blijkt ook uit de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, die bepaalt dat de beslagvrije voet als volgt moet worden berekend: (2/3 van 315,54) + 34 = € 244,36.
Sociaal raadslieden stellen daarom voor de beslagvrije voet bij verblijf in een inrichting direct volgens de bedoeling van de wetgever toe te passen.

5. Verhoog de beslagvrije voet bij hoge woonlasten extra
De huidige beslagvrije voet is te laag voor mensen met hoge woonlasten. De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet biedt hiervoor een extra verhoging van de beslagvrije voet.
Sociaal raadslieden stellen voor om deze extra verhoging nu al toe te passen.

6. UWV berekent voortaan de beslagvrije voet correct
De wijze waarop het UWV de beslagvrije voet berekent kan ertoe leiden dat de betrokkene onder het bestaansminimum terechtkomt. De beslagvrije voet wordt op twee punten afwijkend berekend:

  • Wanneer de schuldenaar een partner heeft, dan wordt de beslagvrije voet niet verhoogd met de premie ziektekostenverzekering van de partner. Dit klopt volgens een letterlijke interpretatie van de wettekst, waarin staat dat de beslagvrije voet verhoogd wordt met “de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering”. Deze interpretatie leidt ertoe dat wanneer de partner een inkomen heeft dat lager is dan de halve beslagvrije voet, de betrokkene onder het bestaansminimum terechtkomt.
  • Wanneer toeslagen worden verrekend of er beslag op is gelegd, dan wil het UWV hier geen rekening mee houden. Als argument wordt gegeven dat de vordering van het UWV preferent is. Dit gaat voorbij aan een uitspraak van de rechtbank Den Bosch die in een proefprocedure tussen de LOSR en de KBvG heeft bepaald dat onder “ontvangen” in art. 475d lid 4 Rv wordt verstaan “feitelijk in handen hebben”. Dit betekent dat als de betrokkene de toeslagen niet ontvangt, deze niet in mindering mogen worden gebracht op de beslagvrije voet. Preferentie speelt hierbij geen rol.

Sociaal raadslieden vinden dat het UWV de beslagvrije voet correct moet toepassen, conform de bedoeling van de wetgever.

7. UWV als derde-beslagene hanteert beslagvrije voet eerste beslaglegger
Wanneer beslag op de uitkering wordt gelegd stelt het UWV zich zeer lijdelijk op door altijd de laagste beslagvrije voet te hanteren. Wanneer er meerdere beslagleggers zijn heeft dit tot gevolg dat de debiteur na correctie van de beslagvrije voet bij een volgend beslag weer onder het bestaansminimum terecht komt. Het UWV is, voor zover bekend, de enige derde-beslagene die zo handelt.
De Nationale ombudsman heeft over dit onderwerp ook een rapport uitgebracht, maar dat heeft nog niet geleid tot aanpassing van de werkwijze van het UWV.
Sociaal raadslieden vinden dat het UWV, wanneer beslag op de uitkering wordt gelegd, de beslagvrije voet van de eerste beslaglegger moet volgen.

8. Overheidsvordering voorlopig niet meer toepassen
De verbetering van de bescherming van het bestaansminimum laat nog erg lang op zich wachten. Pas na invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en na invoering van een beslagvrij bedrag bij bankbeslag kan de overheidsvordering op verantwoorde wijze worden toegepast.
Sociaal raadslieden stellen daarom voor dat de Belastingdienst het afschrijven van de belastingaanslag of toeslagschuld van de bankrekening (overheidsvordering genoemd) voorlopig niet meer toepast.

Tussenmaatregelen ook voor gerechtsdeurwaarders
Bovengenoemde ‘tussenmaatregelen’ hebben betrekking op de overheid als schuldeiser. Gerechtsdeurwaarders zouden op vergelijkbare wijze vooruit kunnen lopen op de invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. Sociaal raadslieden hebben de staatssecretaris gevraagd om met de beroepsorganisatie van gerechtsdeurwaarders (KBvG) hierover in gesprek te gaan.
Specifiek voor gerechtsdeurwaarders hebben sociaal raadslieden de volgende tussenmaatregel voorgesteld:

9. Houd bij beslag op huur- of zorgtoeslag rekening met de beslagvrije voet
Sinds een arrest van het Hof Den Haag van 25 april 2017 komt het regelmatig voor dat gerechtsdeurwaarders niet bereid zijn om de beslagvrije voet op verzoek toe te passen bij beslag op toeslagen. Het gerechtshof heeft aangegeven dat het niet mogelijk zou zijn om de beslagvrije voet toe te passen. Dat is een denkfout.
De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet zal er voor zorgen dat de beslagvrije voet direct van toepassing wordt. Nu uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat dit een codificatie is van de huidige jurisprudentie, is er des te meer reden om er bij de gerechtsdeurwaarders op aan te dringen de beslagvrije voet wel toe te passen.

Meer informatie
Brief LOSR aan staatssecretaris Van Ark over uitstel invoering nieuwe beslagvrije voet
Kamerbrief over onder andere de voortgang implementatie beslagvrije voet  
Bestaansminimum beter beschermd. Over de wet vereenvoudiging beslagvrije voet.

Minister Dekker (voor Rechtsbescherming) wil de griffierechten voor kleinere vorderingen wijzigen. In civiele zaken in eerste aanleg zullen de tarieven voor vorderingen tussen de € 500 en € 5000 straks lager uitvallen. Hiermee wil de minister tegemoet komen aan de bezwaren die sinds de verhoging van deze tarieven in 2011 worden geuit. De huidige tarieven zouden de toegang tot de rechter te veel belemmeren.



  Beeld: © Ministerie van Justitie en Veiligheid / Bas Kijzers

Een veel gehoorde klacht van het midden- en kleinbedrijf en van deurwaarders is dat zij voor vorderingen van iets meer dan € 500 een griffierecht van € 467 moeten betalen. Daarom stappen zij niet snel naar de rechter met onbetaalde rekeningen van net boven de € 500. Andere klachten betreffen het feit dat particulieren na verlies van een incassoprocedure tegen een rechtspersoon (bijvoorbeeld een bedrijf) vaak worden veroordeeld tot vergoeding van het hogere griffierecht dat de eiser als rechtspersoon heeft moeten betalen. Ook aan dit bezwaar wil de minister tegemoet komen.

Dit blijkt uit een brief die Dekker naar de Kamer heeft gestuurd. In deze brief is een eerder voorstel om het tarief voor lagere vorderingen te matigen nader uitgewerkt. Verder stelt de minister twee nieuwe aanpassingen voor, om aan de bezwaren van het midden- en kleinbedrijf én van sociaal raadslieden en particulieren tegemoet te komen.

De oplossing die de minister voorstaat is – kort gezegd – om meer te differentiëren in tarieven en om niet alleen de tarieven voor natuurlijke personen te verlagen, maar ook die van de rechtspersonen. Dat is gunstig voor beide groepen. Straks betaalt een bedrijf  € 300 aan griffierecht voor een vordering van € 900. Nu is dat nog € 467. Particulieren betalen voor eenzelfde vordering nu € 226, dat wordt € 200.

Uiteindelijk komt een lager tarief voor rechtspersonen ook ten goede aan natuurlijke personen, omdat deze bij verlies van een zaak tegen een rechtspersoon het tarief van de rechtspersoon moeten betalen. Een lager tarief dus dan nu. Overigens moeten de wijzigingen in de tarieven budgetneutraal worden uitgevoerd. Dit betekent dat tegenover de verlagingen de tarieven voor vorderingen van € 5000 en meer (in eerste aanleg) omhoog zullen gaan.

Meer informatie
Kamerbrief over uitwerking scenario griffierechten

Bij een voorstel tot afkoop van schulden, willen schuldeisers doorgaans zicht hebben op de verdiencapaciteit van de schuldenaar. Is het aanbod het maximaal haalbare? Zou betrokkene misschien kunnen werken om zo meer af te lossen? De rechtbank Noord-Nederland heeft zich uitgelaten over de vraag of verwacht kan worden dat ook medische informatie aan de schuldeiser wordt verstrekt en of de AVG hiervoor een belemmering vormt.


   Foto: Tumisu


Wat vooraf ging

Betrokkenen hebben een totale schuldenlast van € 108.335,19 bij dertig concurrente
schuldeisers en één preferente schuldeiser. Eerder zijn ze toegelaten
tot de WSNP maar deze is in 2014 zonder schone lei beëindigd. Dit
betekent dat ze tien jaar lang hier niet meer voor in aanmerking kunnen
komen. Dit neemt niet weg dat een minnelijke regeling, zo nodig
afgedwongen door een dwangakkoord, wel mogelijk is.

Kredietbank
Nederland heeft een voorstel aan de schuldeisers gedaan waarbij de
concurrente schuldeisers 1,89% en aan de preferente schuldeisers 3,79%
van het bedrag van hun vordering zullen ontvangen. De kredietbank heeft
een toelichting gegeven op het betalingsvoorstel, waarin onder meer
wordt aangegeven dat voor verzoekers sprake is van medische
problematiek, zodat er geen reële kansen zijn op betaald werk. ABN heeft bij brief van 6 maart 2018 aangegeven niet akkoord te gaan omdat
volgens haar onder meer niet duidelijk is of het aanbod het maximaal
haalbare is.
De kredietbank heeft vervolgens namens betrokkenen om een dwangakkoord verzocht.

Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat het akkoord goed en betrouwbaar is
gedocumenteerd, voldoende transparant is en voldoende informatie bevat
voor ABN om haar standpunt te bepalen. Het financiële belang van ABN is
weliswaar groter dan dat van de overige schuldeisers (55,73% van de
totale schuldenlast), maar dat enkele feit is in de te maken
belangenafweging niet zonder meer doorslaggevend (vergelijk
ECLI:NL:RBROT:2018:4001). Volgens de rechtbank is voldoende aannemelijk
gemaakt dat het voorstel bij de huidige stand van zaken, al dan niet met toepassing van de WSNP op termijn, het maximaal haalbare is.

ABN heeft ter zitting kennis genomen van de medische achtergrond van
verzoekers en heeft verklaard dat de medische gegevens voldoende
aanleiding geven voor de conclusie dat verzoekers kennelijk onvoldoende
in staat zijn om meer spaarcapaciteit te genereren. ABN sluit niet uit
dat zij met het akkoord had ingestemd, als de kredietbank deze
informatie eerder aan hen had verstrekt. ABN kan zich dan ook niet
vinden in het standpunt van de kredietbank dat op grond van de Algemene
Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) geen medische gegevens zou mogen registreren en deze gegevens evenmin aan derden mag verstrekken.
ABN heeft de rechtbank verzocht of zij in haar beslissing wil ingaan op
deze kwestie.

Volgens de rechtbank is het boven redelijke
twijfel verheven dat aan de schuldeisers meer is aangeboden dan hetgeen
zij zonder akkoord, al dan niet met toepassing (op termijn) van de
wettelijke schuldsanering zouden kunnen krijgen. Afwijzing van het
verzoek zou bovendien de schuldeisers die reeds hebben ingestemd nadelig treffen in hun financiële belang. Aldus dient het belang van verzoekers en dat van de schuldeisers die reeds hebben ingestemd, zwaarder te
wegen dan het belang van ABN. De rechtbank acht dan ook voldoende termen aanwezig om ABN te bevelen mee te werken aan het door verzoekers
aangeboden akkoord, waarbij de rechtbank ook rekening houdt met het
belang van verzoekers, voor wie de WSNP geen optie is.

De rechtbank gaat vervolgens ten overvloede in op de Reikwijdte van de AVG

Reikwijdte AVG
De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is medio mei 2016 in werking getreden en is vanaf 25 mei 2018 van
toepassing. Het uitgangspunt van de AVG is het transparantiebeginsel.
Dit beginsel dient in eerste instantie ter bescherming van een
natuurlijk persoon tegen onnodige opslag en verstrekking van zijn
persoonsgegevens door derden. De AVG zal in Nederland worden uitgevoerd
aan de hand van een uitvoeringswet (UAVG) welke eveneens met ingang van 25 mei 2018 van toepassing is verklaard.
Voorts heeft het Ministerie van Veiligheid en Justitie een handleiding
verstrekt ter bevordering van een juist begrip en toepassing van de AVG
en de UAVG. Als in de AVG wordt gesproken over bijzondere
persoonsgegevens wordt daarmee onder meer bedoeld medische gegevens van
een persoon. Op grond van artikel 9 van de AVG geldt in verband met het
verwerken van dergelijke gegevens in beginsel een verwerkingsverbod,
waarop echter krachtens artikel 22 van de UAVG een aantal uitzonderingen gelden:

a. de betrokkene uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven voor de
verwerking van die persoonsgegevens voor een of meer welbepaalde
doeleinden;
(………..)
d. de verwerking betrekking heeft op persoonsgegevens die kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt;
(…………)
e. de verwerking noodzakelijk is voor de instelling, uitoefening of
onderbouwing van een rechtsvordering, of wanneer gerechten handelen in
het kader van hun rechtsbevoegdheid.

Nu verzoekers de
kredietbank hebben voorzien van hun medische gegevens en de kredietbank
die gegevens aan de rechtbank heeft doorgestuurd, gaat de rechtbank
ervan uit dat verzoekers de kredietbank voor het verwerken en doorsturen van de medische gegevens kennelijk toestemming hebben gegeven. De
rechtbank gaat dan ook voorbij aan de stelling van de kredietbank dat
zij op grond van de AVG of de UAVG niet gerechtigd zou zijn tot
verwerking van medische gegevens. Dat kan immers worden afgeleid uit de
uitzondering van artikel 22 lid a van de UAVG. Uitgangspunt is daarbij
dat de gegevens alleen verwerkt mogen worden in welbepaalde,
uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd doel of doelen, waarvoor
uitdrukkelijk toestemming van de schuldenaar gegeven moet zijn. Het
verstrekken van informatie aan derden zou opgevat kunnen worden als een
verruiming van het oorspronkelijke doel en dit is naar het oordeel van
de rechtbank verdedigbaar als de verruiming verenigbaar blijft met het
oorspronkelijke verzameldoel met het doel, waarover een schuldenaar met
de kredietbank wederom goede afspraken dient te maken. De rechtbank is
op grond van lid e van artikel 22 UAVG bevoegd tot registratie van deze
medische gegevens nu die registratie valt onder handelen in het kader
van haar rechtsbevoegdheid als bedoeld in dat artikel.

Of
kredietbank deze gegevens op haar beurt aan ABN mocht verstrekken wordt
in belangrijke mate beheerst door het volgende. Bij de totstandkoming
van artikel 287a Fw heeft de wetgever bepaald dat bij de te maken
belangenafweging een aantal omstandigheden een rol kunnen spelen. In
ieder geval drie omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank
leidend:

  • is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd?
  • is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht?
  • biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor
    de schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser
    evenveel of meer zal ontvangen?

Weliswaar moet de kredietbank worden nagegeven dat behoedzaam met de privacybelangen moet worden omgesprongen, maar daar staat tegenover dat een schuldeiser, om zich in redelijkheid te kunnen beraden op een akkoord afhankelijk is van de informatie die haar door de kredietbank beschikbaar wordt gesteld. Een schuldeiser mag naar het oordeel van de rechtbank in dat verband rekenen op concrete informatie, te meer als die informatie dient ter onderbouwing van de stelling dat spaarcapaciteit geheel ontbreekt. Als de informatie een medisch karakter heeft, komt in beginsel het recht op privacy van een schuldenaar in het geding. Als een schuldenaar een akkoord wenst te treffen met zijn schuldeisers, dient een schuldenaar dan ook een persoonlijke afweging te maken of het belang bij een akkoord opweegt tegen zijn belang bij privacy. In zijn algemeenheid zal het niet noodzakelijk zijn dat een schuldenaar een volledig medisch dossier of een rapportage verstrekt. De enkele mededeling dat er medische beperkingen zijn die de arbeidscapaciteit bemoeilijken acht de rechtbank niet voldoende om een schuldeiser ervan te overtuigen dat het akkoord aantrekkelijk is. In eerste instantie zou de kredietbank (met toestemming van een schuldenaar) kunnen volstaan met de vermelding wat de aard van de beperking is, dat de beperking een structureel karakter heeft, hetgeen blijkt uit medische rapportage(s). Het dient een schuldeiser op zijn minst duidelijk te zijn dat de kredietbank haar inschatting baseert op beschikbare informatie die de kredietbank heeft ingezien, waaraan een schuldenaar de restrictie heeft opgelegd dat de kredietbank die informatie op grond van de AVG niet mag verspreiden aan een derde partij. Daarbij dient naar het oordeel van de rechtbank ook de hoogte van de vordering in aanmerking te worden genomen, waarbij beschouwd moet worden of het belang van een schuldeiser opweegt tegen het belang op privacy. De rechtbank wil benadrukken dat het een schuldenaar vrij staat zich op grond van de AVG en/of de UAVG te beroepen op zijn recht van privacy. Daar staat tegenover dat het ontbreken van medische gegevens gevolgen kan hebben voor de beoordeling van de deugdelijkheid van het akkoord in het kader van de te maken belangenafweging.


Meer informatie

Rechtbank Noord-Nederland 25 september 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3788
Achtergrondinformatie AVG

Deurwaarders zijn onderworpen aan tuchtrechtspraak, uitgevoerd door de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders en in hoger beroep door het Hof Amsterdam. Hierbij een selectie van uitspraken gepubliceerd in de maanden juli t/m september 2018.


De Kamer voor gerechtsdeurwaarders heeft in het derde kwartaal geen
uitspraken gepubliceerd. Dit keer alleen uitspraken van hof Amsterdam

Bankbeslag ondanks bekendheid met slechte financiële situatie
Vanwege de door klager aan de deurwaarder verstrekte informatie had de
deurwaarder kunnen weten dat het inkomen van klager bestond uit de
beslagvrije voet en er bij klager geen ruimte was voor een maandelijkse
betaling. De deurwaarder heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk
gemaakt dat er destijds aanleiding was om te veronderstellen dat de
bankrekening door andere inkomsten dan de uitkering en toeslagen van
klager werd gevoed of dat er nog andere inkomsten zouden zijn.
Het
hof is, evenals de kamer, van oordeel dat de deurwaarder dermate sterke
aanwijzingen had dat het door hem gelegde bankbeslag geen soelaas zou
bieden om tot verhaal van de vordering van zijn opdrachtgever te komen,
dat hij vanwege de daaraan voor klager verbonden kosten en overlast van
het leggen daarvan had behoren af te zien. Op het moment dat klager de
deurwaarder na het bankbeslag zijn bankafschriften deed toekomen en de
deurwaarder kennis had gekregen van het feit dat het bankbeslag slechts
doel had getroffen voor een bedrag ongeveer gelijk aan de overgemaakte
huurtoeslag, had de deurwaarder dus ook onmiddellijk tot opheffing van
het bankbeslag moeten overgaan.
De kamer heeft de deurwaarder de
maatregel van berisping opgelegd. Het hof bevestigt de bestreden
beslissing mbt de maatregel en veroordeelt de deurwaarder tot betaling
van het griffierecht (50,- euro) en de kosten van behandeling van de
klacht in hoger beroep (3.000,- euro). >>> Uitspraak

Geen beslagvrije voet toegepast bij bankbeslag
Het hof stelt voorop dat thans enkel de vraag voorligt of de deurwaarders
tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld door op het bankbeslag geen beslagvrije voet toe te passen. Hoewel bij een bankbeslag in beginsel
geen rekening hoeft te worden gehouden met de beslagvrije voet, kan het
onder omstandigheden tuchtrechtelijk laakbaar zijn dat niet te doen.

Gelet op de hoogte van het bij het bankbeslag getroffen bedrag (vrijwel
gelijk aan de bijstandsuitkering van klaagster) alsmede gelet op de
inhoud van de door klaagster aan de deurwaarders verstrekte stukken over haar financiële situatie, hadden de deurwaarders naar het oordeel van
het hof onverwijld moeten overgaan tot toepassing van de beslagvrije
voet. Er was onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de
beslagen bankrekening door andere inkomsten dan de bijstandsuitkering
van klaagster werd gevoed of dat er nog andere inkomsten zouden zijn.
Voor het bestaan van zwarte inkomsten uit de (reeds in 2014 uit het
handelsregister uitgeschreven) eenmanszaak was destijds geen, althans
onvoldoende bewijs. Door het niet toepassen van de beslagvrije voet op
het bankbeslag, hebben de deurwaarders naar het oordeel van het hof
tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Gezien de ernst van het feit
is het hof van oordeel dat de maatregel van berisping passend en geboden is, zoals ook door de kamer opgelegd. >>>Uitspraak

Onjuist dwangbevel en incassotraject inzetten ondanks vordering was voldaan
De deurwaarder is tot betekening van een dwangbevel overgegaan, nadat
klager de onderliggende vordering reeds had voldaan. Bovendien is aan
klager een dwangbevel op naam van iemand anders betekend. Tevens staat
vast dat op telefoontjes en brieven van klager in het geheel niet of
onvoldoende inhoudelijk is gereageerd. Naar het oordeel van het hof had
de deurwaarder het incassotraject moeten beëindigen op het moment dat
hij van het CJIB had vernomen dat de hoofdsom aan het CJIB was voldaan
voordat hij met zijn werkzaamheden was aangevangen.
De deurwaarder
heeft het incassotraject echter steeds voortgezet, ondanks de meldingen
van klager, waarbij zelfs ten onrechte beslag is gelegd op de
zorgtoeslag van klager gedurende een periode van vijf maanden. Dat niet
alle brieven van klager door de deurwaarder zijn ontvangen, zoals de
deurwaarder heeft aangevoerd, maakt de handelwijze van de deurwaarder
niet minder verwijtbaar, aangezien klager in de brieven die blijkbaar
wel door de deurwaarder zijn ontvangen steeds heeft verwezen naar zijn
eerdere brieven. Ook het feit dat de kosten niet in rekening zijn
gebracht bij klager of de opdrachtgever en klager dus geen onnodige
kosten heeft hoeven vergoeden, zoals door de deurwaarder tevens is
aangevoerd, maakt zijn handelen c.q. nalaten niet minder laakbaar. Het
is bovendien aannemelijk dat klager door het ten onrechte gelegde beslag financieel nadeel heeft ondervonden dat niet is vergoed door het
uiteindelijk terugstorten van de ingehouden bedragen, zoals klager heeft gesteld. De klacht is, zoals ook de kamer heeft beslist, gegrond en het handelen van de deurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar.
Het hof legt
de maatregel van berisping met aanzegging op. De door de kamer opgelegde maatregel van geldboete acht het hof niet passend, nu niet is gebleken
dat de deurwaarder in deze zaak financieel voordeel heeft behaald of
beoogd. Voorts veroordeelt het hof de deurwaarder tot betaling van de
kosten van klager in hoger beroep (50,- euro) en de kosten van
behandeling van de klacht in hoger beroep (3.000,- euro). >>>Uitspraak

Meer informatie
Overzichten tuchtrechtspraak deurwaarders
Website tuchtrechtspraak

Een vrouw klaagt erover dat de Belastingsamenwerking Gemeenten (BsGW) haar verzoek om kwijtschelding van lokale belastingen heeft afgewezen. De en/of rekening die zij samen met haar zieke moeder heeft geopend wordt namelijk meegeteld als haar vermogen. De Nationale ombudsman vindt dit niet terecht omdat hier geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het is pure noodzaak want haar moeder kan niet meer goed voor zichzelf zorgen. De BsGW is het met de ombudsman eens en beoordeelt de aanvraag opnieuw. De lokale belastingen worden alsnog kwijtgescholden. De BsGW past ook de werkinstructie aan om soortgelijke toekomstige gevallen te voorkomen.


Verzoekster komt al een aantal jaren in aanmerking voor kwijtschelding van de lokale belastingen. Dan wordt haar moeder erg ziek. Verzoekster opent een en/of-rekening op naam van haar moeder en haarzelf, zodat zij de financiën voor haar moeder kan behartigen. De en/of-rekening bevat het pensioen van haar moeder en de uitgaven die voor haar moeten worden gedaan. Als verzoekster haar aanvraag voor kwijtschelding indient, krijgt zij een afwijzing. Door de en/of-rekening heeft zij een te hoog bedrag aan vermogen. Een en/of-rekening telt doorgaans mee als vermogen. Beide personen kunnen immers vrijelijk beschikken over de gelden op de en/of-rekening. Is er geen sprake van een gezamenlijke huishouding en is de en/of-rekening ingesteld vanwege noodzakelijke of wenselijke hulp bij andermans financiën, dan ziet de Nationale ombudsman de noodzaak van een nadere afweging. Kan betrokkene aantonen, dat de en/of-rekening uitsluitend bestaat uit inkomsten van en uitgaven voor of in verband met de andere tenaamgestelde, dan vindt de Nationale ombudsman het niet terecht dat bij de beoordeling van een kwijtscheldingsverzoek de en/of-rekening meetelt als vermogen.

De Nationale ombudsman neemt contact op met de instantie. De Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (de BsGW) is het met de Nationale ombudsman eens en beoordeelt de aanvraag opnieuw. Gelet op de omstandigheden telt de en/of-rekening van verzoekster en haar moeder niet mee als vermogen. De BsGW kent verzoekster alsnog kwijtschelding toe. Ook heeft de BsGW deze nadere afweging bij kwijtschelding in een werkinstructie opgenomen, zodat haar medewerkers het ook bij toekomstige vergelijkbare zaken toepassen.

Meer informatie
Rapport Nationale ombudsman 1 oktober 2018
Achtergrondinfo kwijtschelding belastingen

Verzekeraar Allianz vordert € 92 vanwege een premieachterstand. Een verzoek om uitstel, omdat voor betrokkene beschermingsbewind was aangevraagd, mocht niet baten. Een dagvaarding volgde. De kantonrechter maakt korte metten: incassokosten en proceskosten worden afgewezen. Er bestaat weliswaar geen wettelijk recht op uitstel, maar de rechter kan wel te snel dagvaarden afstraffen. Als het aan de regering ligt zal dit vaker gaan gebeuren.


   Foto: Ivana Divišová

Wat voorafging
Verzekeraar Allianz heeft de bewindvoerder q.q. gedagvaard vanwege een
vordering ad. € 142,35 (€ 92,00 hoofdsom; € 1,95 rente daarover tot de
dagvaarding en € 48,40 buitengerechtelijke incassokosten inclusief BTW). De bewindvoerder heeft – kort gezegd – aangevoerd dat er geen
aanleiding was voor deze procedure en het maken van verdere kosten omdat duidelijk was dat de hoofdsom werd erkend en er bewind was aangevraagd
en opgestart.

De kantonrechter oordeelt als volgt

“2.3. De kantonrechter stelt voorop dat de hoofdsom niet is betwist en evenmin dat daarover rente verschuldigd is. In zoverre is de vordering toewijsbaar. Het gaat nog om de daarbij gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten van Allianz.

2.4. Uit de door de bewindvoerder beschreven tijdlijn en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat GGN namens Allianz op 22 februari 2018 een aanmaningsbrief aan X stuurde waarin aanspraak wordt gemaakt op de hoofdsom en € 1,50 aan rente. In die brief – de zogenoemde 14 dagenbrief – wordt een betalingstermijn van 14 dagen gegeven waarna incassokosten (€ 48,40) verschuldigd zullen zijn. De bewindvoerder heeft op 5 maart 2018 – en dus ruim binnen die termijn van 14 dagen – een e-mailbericht aan de betrokken deurwaarder gestuurd en bericht dat er overleg is geweest met X en met een medewerker van de gemeente en dat gezamenlijk een aanvraag voor beschermingsbewind is ingevuld en aan de rechtbank gezonden. Met het oog op de met de behandeling van die aanvraag gemoeide tijd, vraagt de bewindvoerder clementie. Zonder daar op in te gaan stuurde GGN op 20 maart 2018 opnieuw een aanmaning aan Z, ditmaal voor € 145,83. De bewindvoerder berichtte GGN op 21 maart 2018 dat de zitting over het beschermingsbewind had plaatsgevonden op 16 maart 2018 en dat X in afwachting was van de beschikking. Y meldt tot dan niets te kunnen doen en dat Y hoopt dat een en ander even kan worden aangehouden. Op 22 maart 2018 verzoekt GGN de bewindvoerder om het openstaande bedrag te betalen en de bewindvoerder reageert met verwijzing naar bericht van 21 maart 2018. Op 1 april 2018 heeft de rechtbank de beschikking uitgesproken waarbij het vermogen van X onder bewind is gesteld. De bewindvoerder heeft de beschikking op 5 april 2018 aan GGN doorgestuurd. GGN heeft vervolgens nogmaals een aanmaning gestuurd. De bewindvoerder heeft GGN bericht over de stand van zaken; de schulden van X werden in kaart gebracht en schuldhulpverlening werd gestart. GGN is daar niet op in gegaan en heeft op 30 mei 2018 de dagvaarding laten betekenen.

2.5. De kantonrechter is het met de bewindvoerder eens dat onder de hiervoor beschreven omstandigheden geen aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Het was door het bericht van de bewindvoerder van 5 maart 2018 duidelijk dat er sprake was van betalingsonmacht aan de kant van X en dat een schuldhulpverleningstraject werd gestart. Het lag in de rede om daar adequaat op te reageren en in ieder geval enige tijd af te wachten of dit tot een oplossing zou leiden. Daarmee had naar het zich laat aanzien een procedure – met alle kosten van dien – voorkomen kunnen worden. De kosten die in deze zaak gemoeid zijn geweest met de werkzaamheden van GGN om betaling te verkrijgen buiten rechte zijn naar het oordeel van de kantonrechter niet in redelijkheid gemaakt. Daarom zal de gevorderde vergoeding worden afgewezen. De gang van zaken is verder aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.”

Kabinetsplannen
Een schuldeiser hoeft niet in te stemmen met uitstel van betaling of een betalingsregeling, zo is in het Burgerlijk Wetboek geregeld. Toch oordeelt de rechter in onderhavige uitspraak dat de
incassokosten en proceskosten van de schuldeiser voor eigen rekening
blijven. Te snel dagvaarden wordt hiermee afgestraft.
Dit is overigens in lijn met plannen van het kabinet om te snel dagvaarden tegen te gaan. In het regeerakkoord staat hierover: 

“Schuldeisers dienen eerst de mogelijkheden van een betalingsregeling te onderzoeken
voor een zaak voor de rechter wordt gebracht”

Hoe dit
wettelijk vormgegeven gaat worden is nog niet bekend. Als het maar leidt tot een daadwerkelijk onderzoek en niet een dode letter die met een
standaardpassage in de dagvaarding kan worden afgedaan.

Meer informatie
Rb Midden-Nederland 12 september 2018, 6972221 UC EXPL 18-6711 PD/968

7 oktober 2018 - Schuldinfo

Ben je net meerderjarig geworden, word je geconfronteerd met een incassobureau. Je ouders hebben de tandartsrekening niet betaald terwijl ze wel een vergoeding van de zorgverzekeraar hebben ontvangen. Dit overkwam Janny. Ze hield voet bij stuk en verwees Famed, de organisatie die de tandartsrekening int, naar haar ouders. Echter, zonder succes. Ze wordt gedagvaard en de rechtbank Rotterdam oordeelt dat ze toch zelf de rekening moet betalen.



Wat vooraf ging

Op 13 september 2016 is Janny door de tandarts behandeld waarvoor € 393,63 in rekening is gebracht. Ze was toen 17 jaar.
De tandarts heeft zijn vordering overgedragen aan Famed. Nadat de rekening niet betaald werd is Janny gedagvaard om € 459,81 te betalen.
Janny heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Zij erkent dat ze naar de tandarts is geweest, maar betwist dat ze een betalingsverplichting heeft. Ze was minderjarig waardoor de vergoeding voor die behandelingen door de zorgverzekeraar is betaald aan haar ouder. Janny, inmiddels meerderjarig, vindt dat ze onterecht aangesproken wordt tot betaling van de nota. Haar ouder is verantwoordelijk voor het betalen van die nota. Bovendien heeft haar ouder de vergoeding voor de behandelingen ontvangen van de zorgverzekeraar. Zij verzoekt dan ook de vordering af te wijzen.

De rechtbank Rotterdam oordeelt als volgt.

De beoordeling
“In geschil is of [gedaagde] een betalingsverplichting heeft met betrekking tot de tandheelkundige behandelingen. Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 7:447 BW een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, bekwaam is tot het aangaan van een behandelingsovereenkomst ten behoeve van zichzelf en aansprakelijk is voor de uit die behandelingsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen, onverminderd de verplichting van de ouders tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding.

Als onweersproken staat vast dat de tandarts de behandelingen in opdracht van de op dat moment zeventienjarige [gedaagde] heeft uitgevoerd. Tussen [gedaagde] en de tandarts bestaat aldus een behandelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:446 BW. Op grond van die overeenkomst en artikel 7:461 BW is [gedaagde] de tandarts een vergoeding verschuldigd. Het verweer van [gedaagde], dat niet zij, maar haar ouder verantwoordelijk is voor betaling van de behandelingen, wordt verworpen. [gedaagde] is immers zelf aansprakelijk voor de uit de door haar gesloten behandelingsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen, anders gezegd: [gedaagde] is verantwoordelijk voor tijdige betaling van de door haar genoten tandheelkundige behandelingen. Indien [gedaagde] wenst dat haar ouder de nota aan haar vergoedt, dan is het aan [gedaagde] om haar ouder daar voor aan te spreken. Dat de vergoeding voor de behandelingen door de zorgverzekeraar aan haar ouder is uitgekeerd en niet aan [gedaagde], ontslaat [gedaagde] niet van haar betalingsverplichting. Een en ander betekent dat [gedaagde] gehouden is de nota van 13 oktober 2016 ter zake de door haar op 13 september 2016 genoten tandheelkundige behandelingen te betalen. De vordering ter zake zal dan ook worden toegewezen.
(…)

De beslissing
De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Famed tegen kwijting te betalen € 459,81 vermeerderd met de wettelijke rente over € 393,63 vanaf 9 oktober 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Famed vastgesteld op € 200,51 aan verschotten en € 120,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.”

Meer informatie
Rechtbank Rotterdam 9 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:8281 
Rechtbank Groningen 4 juni 2009, ECLI:NL:RBGRO:2009:BM1623
Rechtbank Haarlem 5 april 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BA1801

Zie ook: ouders ten onrechte gedagvaard voor tandartsrekening
Rechtbank Assen 18 januari 2011, ECLI:NL:RBASS:2011:BP3837
Rechtbank Maastricht 18 februari 2009, ECLI:NL:RBMAA:2009:BH6089

16 september 2018 - Schuldinfo

Wanneer één of meer schuldeisers niet instemmen met een schuldregeling kan de rechter worden gevraagd om de schuldregeling op te leggen. Bij een toewijzing van het verzoek kan de weigerende schuldeiser in de proceskosten worden veroordeeld. Zo kwam de rechtbank Midden-Nederland tot het oordeel dat PB Tankcollect in de proceskosten moest worden veroordeeld omdat ze alleen bereid is te onderhandelen bij een aanbod van 50% of hoger. Eigenlijk vreemd want uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij een toewijzing van een dwangakkoord een proceskostenveroordeling standaard zou moeten zijn. Positief aan deze uitspraak is dat de rechtbank de proceskosten toewijst, terwijl bij het verzoek om een dwangakkoord geen rechtsbijstand is verleend, maar de ondersteuning heeft plaatsgevonden vanuit schuldhulpverlening. Zeer terecht want er gaat bij schuldhulpverlening veel tijd en dus geld gemoeid met dit soort procedures. Andere rechtbanken zouden hier een voorbeeld aan moeten nemen.


Aanleiding
Een 29-jarige, alleenstaande man woont zelfstandig, met begeleiding. Hij heeft een bijstandsuitkering en een totale schuldenlast van 15 concurrente en 2 preferente vorderingen met een totale schuldhoogte van € 32.414,89. Stichting de Tussenvoorziening heeft namens hem een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in dat verzoeker gedurende 36 maanden zijn afloscapaciteit reserveert. Doorbetaling van het gereserveerde bedrag vindt plaats op grond van een pondspondsgewijze verdeling. Dat zal kunnen resulteren in een uitkering van 11,59 % aan de concurrente schuldeisers. Aan de preferente schuldeisers wordt het dubbele geboden.

De voorgestelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve PB Tankcollect aanvaard. Independer heeft het voorstel aanvaard onder de voorwaarde dat iedere schuldeiser akkoord is, zodat ook Independer als weigeraar moet worden aangemerkt. Stichting de Tussenvoorziening heeft namens betrokkene de rechtbank verzocht Independer en PB Tankcollect te bevelen in te stemmen met de voorstelde schuldregeling.

De beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat uit het verzoek voldoende is gebleken dat het bod het uiterste is waartoe hij financieel in staat moet worden geacht. Gelet op de omstandigheden van dit geval, waaronder de persoonlijke problematiek van verzoeker en het feit dat hij thans (met een onderbouwing) door de gemeente ontheven is van zijn sollicitatieverplichting, heeft de rechtbank niet de verwachting dat verzoeker zodanige inkomsten kan generen dat in een schuldsaneringsregeling minimaal eenzelfde percentage kan worden uitgedeeld. Het is voldoende aannemelijk gemaakt dat verzoeker op dit moment niet in staat is fulltime in een (regulier) dienstverband te werken. Een sterke toename van inkomsten is dan ook niet te verwachten.
 
Nu de vooruitzichten voor Independer en PB Tankcollect als schuldeisers bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, is het uitgangspunt dat Independer en PB Tankcollect op grond van de inhoud van de aangeboden schuldregeling in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling hebben kunnen komen. Immers moet er op grond van deze vooruitzichten van uit worden gegaan dat Independer en PB Tankcollect geen belang hebben bij de weigering van de instemming, terwijl verzoeker en de overige schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding van de schuldregeling. Daarbij weegt mee dat de vorderingen van Independer en PB Tankcollect een relatief klein deel (0,61% resp. 0,91%) van de totale schuldenlast vertegenwoordigen.

Het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord wordt toegewezen.

Proceskostenveroordeling
Verzoeker heeft verzocht de weigerachtige schuldeisers te veroordelen in de kosten van de procedure op grond van artikel 287a lid 6 Fw. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de kostenveroordeling uit artikel 287a lid 6 Fw een stimulans moet zijn om in het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen. Independer heeft steeds inhoudelijk verweer gevoerd en heeft na ontvangst van het volledige verzoekschrift haar standpunt bijgesteld. De rechtbank zal haar daarom niet in de proceskosten veroordelen. PB Tankcollect is echter in haar schriftelijke weigering niet ingegaan op de omstandigheden van de onderhavige casus. Zij voert een algemene – principiële – weigeringsgrond aan en is eerst bereid te onderhandelen bij een aanbod van 50% of hoger, terwijl een dergelijk aanbod in het kader van het minnelijk traject zeldzaam is. Het staat PB Tankcollect weliswaar vrij om te weigeren, maar bij een weigering op deze gronden lijkt het reeds op voorhand niet mogelijk om met PB Tankcollect tijdens het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen. PB Tankcollect heeft daarnaast geen verweerschrift ingediend en is evenmin ter zitting verschenen. De rechtbank acht het daarom wenselijk PB Tankcollect in de kosten van de procedure te veroordelen.

Uit artikel 285 Fw vloeit voort dat het minnelijk traject moet worden begeleid door het college van burgemeester en wethouders, een gemeentelijke kredietbank of de krachtens de in artikel 48, eerste lid, onderdeel d van de Wet op het consumentenkrediet toegelaten personen. De rechtbank zal de proceskosten daarom begroten naar analogie van de artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin rechtsbijstand verplicht is.

Gezien de aard van deze procedure zal de rechtbank aansluiten bij het tarief voor een eenvoudig kort geding. De kosten aan de zijde van verzoeker worden tot op heden begroot op € 633,–.

Altijd veroordeling proceskosten
In onderhavige uitspraak worden de proceskosten toegewezen vanwege de bijzonder weigerachtige opstelling van PB Tankcollect. Een criterium dat door veel rechtbanken wordt gehanteerd. Opmerkelijk want uit de wettekst en wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bij toewijzing van het dwangakkoord een standaard proceskostenveroordeling voor ogen had.

In de wettekst staat:
“Indien de rechtbank het verzoek toewijst, veroordeelt de rechtbank de schuldeiser die instemming met de schuldregeling heeft geweigerd, in de kosten.”

Een directief geformuleerde bepaling die geen ruimte laat voor afwijzing. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat dit geen toevallige formulering is maar een bewuste keus om de totstandkoming van het minnelijk traject te stimuleren. Er staat:
“In het zesde lid wordt de kostenveroordeling opgenomen. Als een in de minnelijke fase voorbereide maar niet tot stand gekomen schuldregeling alsnog met behulp van de rechter wordt aangenomen of vastgesteld, worden de schuldeisers die de regeling in de minnelijke fase hebben afgewezen, veroordeeld in de kosten (zoals de griffierechten) van de aanvraagprocedure. De rechter heeft immers vastgesteld dat die weigering onterecht was. Deze kostenveroordeling moet een stimulans zijn om in het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen.”

Ook indien verzoek ingediend vanuit schuldhulpverlening
De bedoeling van de wetgever is hiermee duidelijk. Er zijn echter voor een verzoek om een dwangakkoord geen griffierechten verschuldigd en het verzoek wordt meestal ingediend met hulp en ondersteuning vanuit de gemeentelijke schuldhulpverlening of instelling die in opdracht van de gemeente het minnelijk traject uitvoert. De klant hoeft hier niet voor te betalen, maar de schuldhulpverlening kost natuurlijk wel geld. Aan elk verzoek tot toepassing van een dwangakkoord worden uren besteed die niet aan andere mensen met schulden besteed kunnen worden.

Het is zeer terecht dat de rechtbank Midden-Nederland bij een verzoek ondersteund vanuit schuldhulpverlening wel tot een proceskostenveroordeling komt en deze begroot naar analogie van de artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin rechtsbijstand verplicht is. Anders zou de weigerachtige schuldeiser geen nadeel van z’n eigen opstelling ondervinden, terwijl dit wel de bedoeling van de wetgever is. Bovendien worden er wel degelijk kosten gemaakt!

Tip
Dien je een verzoek om een dwangakkoord in, verzoek altijd om een veroordeling in de proceskosten en verwijs naar deze uitspraak:

Rb Midden-Nederland 12 september 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4361

Sinds 2011 is de instroom in de in de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) bijna gehalveerd. Dit terwijl de schuldenproblematiek onverminderd omvangrijk is. Reden voor mr. Engberts, rechter te Arnhem en voormalig voorzitter Recofa, om een open brief aan minister Dekker te schrijven.


Geachte minister Dekker,

Het regeerakkoord bevat een passage over de aanpak van de schuldenproblematiek in dit land. Die aandacht voor problematische schulden is terecht want al tientallen jaren gaan tallozen gebukt onder schulden die zij niet af kunnen lossen. Hun problemen zijn nauwelijks te bevatten. De investeringen in schuldhulpverlening nemen jaar op jaar toe. Toch slagen wij er niet in om dit probleem te verkleinen. Waar begin deze eeuw gesproken werd van naar schatting 250.000 Nederlanders met problematische schulden valt in een recent nieuwsbericht van uw kabinet (van 23 mei 2018) te lezen dat ongeveer 1,4 miljoen Nederlandse huishoudens problematische schulden of een risico daarop hebben! Ik plaats hier een uitroepteken want dat is een enorm aantal. Preventie en schuldhulpverlening lijken hier tekort te schieten. Dit alles is reeds in vele rapporten en door diverse journalisten van bijvoorbeeld De Groene Amsterdammer en De Correspondent (recent met name Jesse Frederik) uitstekend beschreven. Ik neem aan dat u deze publicaties kent.

In dit verontrustende beeld valt op – en dit is wat onderbelicht – dat de instroom in de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) alsmaar verder daalt. Van ongeveer 14.700 in 2011 naar 8.300 in 2017. De instroom zal dit jaar naar verwachting zelfs dalen tot ongeveer 6.000. Die enorme daling wordt vrijwel uitsluitend verklaard door de daling van het aantal ingediende verzoeken. En dat is zo jammer want uit gedegen onderzoek (de Wsnp wordt jaarlijks gemonitord) blijkt hoe effectief de Wsnp is. Uit de meest recente Monitor WSNP (over het jaar 2016) blijkt dat maar liefst 89% van de mensen die toegelaten worden tot de Wsnp, na het traject schuldenvrij is. Ten aanzien van het minnelijk traject blijkt uit de jaarcijfers van de NVVK over 2016 dat slechts in 41% van de (aangemelde) gevallen met succes een regeling tot stand werd gebracht. Daarvan werd 64 % succesvol afgerond zodat van de aangemelde mensen met problematische schulden slechts 26 % (64% van 41%) is geholpen (schuldenvrij is). En dan is de Wsnp ook nog ‘goedkoop’ omdat deze voor een groot deel door de schuldeisers betaald wordt.

Hoe is deze daling van het aantal schuldsaneringsverzoeken te verklaren? Vanuit mijn ervaring als rechter, (voormalig) voorzitter van Recofa (het overleg orgaan van insolventierechters in Nederland) en medewerker van Wsnp Periodiek is mijn analyse de volgende. Vast staat dat de sterke krimp van de Wsnp samenvalt met een enorme stijging van het aantal beschermingsbewinden. Dit aantal is van 122.000 in 2011 gestegen naar 242.000 in 2017 waarvan een groot deel mensen betreft met problematische schulden (schuldenbewind). De uitstroom of doorstroom van schuldenaren in beschermingsbewind naar de Wsnp is minimaal terwijl het toch de bedoeling is dat schuldenbewinden tijdelijk zijn. Daarnaast is er een grote groep mensen met problematische schulden die soms jarenlang met budgetbeheer ‘in de schuldhulp’ zit. Waarom steeds minder van hen doorstromen naar de Wsnp is niet helemaal duidelijk. Mogelijk wordt in veel gevallen geen Wsnpverzoek bij de rechtbank ingediend omdat niet aan de toelatingscriteria wordt voldaan. Een andere mogelijkheid is dat er te weinig stimulans is om door te verwijzen naar de Wsnp.

Wie kan deze patstelling doorbreken? Ik denk dat u dat kan door middel van drie maatregelen/wetswijzigingen. Uw idee om te experimenteren met lagere regelgeving (AmvB), de ‘Experimentenwet rechtspleging’, kan daarbij wellicht behulpzaam zijn. Waarschijnlijk heeft u daaraan al gedacht want de Faillissementswet (Fw) is in het experiment opgenomen onder andere in verband met de brede aanpak van de schuldenproblematiek, die ook de procesrechtelijke aspecten van deze wet raken.

Ten eerste kunt u de beschermingsbewindvoerders verplichten om – na een zekere, niet al te lange periode – aan de insolventierechter voor te leggen of de schuldenaar in aanmerking komt voor een schuldsaneringsregeling, tenzij een schuldregeling is bereikt. Dus ook zonder dat een minnelijk traject is doorlopen en zonder dat een verklaring van of namens de gemeente (art. 285 lid 1 onder f Fw) hierover wordt verlangd. Dat is dan een beetje in lijn met een recente motie van de SP om het minnelijk traject als verplicht voorportaal van de Wsnp af te schaffen. De gedachte hierbij is dat de beschermingsbewindvoerder na die periode de financiën op orde heeft en heeft onderzocht of een schuldregeling mogelijk is.

Ten tweede kunt u (of uw collega van Sociale Zaken) schuldhulpverleners verplichten om na een zekere periode van schuldhulpverlening het dossier met een Wsnp-verzoek aan de insolventierechter voor te leggen. Ook hier geldt dat van schuldhulpverlening verwacht mag worden dat de financiën na die periode op orde zijn en dat duidelijk is of een schuldregeling mogelijk is.

Deze twee maatregelen kunnen het beste gecombineerd worden met een herijking van de toelatingseisen van de Wsnp. Gezien de enorme schuldenproblematiek is de tijd daar rijp voor. Een belangrijk obstakel voor velen is de voorwaarde (voor toelating tot de Wsnp) dat men gedurende vijf jaar te goeder trouw moet zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden. Waar de schuldsaneringsregeling in principe drie jaar duurt, levert dat een periode van acht jaar in totaal op. Die vijfjaarstermijn is historisch gezien terug te voeren op de algemene wettelijke termijn voor verjaring van vorderingen (van vijf jaar). Gedacht kan worden, gegeven de omvang van het schuldenprobleem, aan een kortere termijn voor de goede-trouw-toets. Bijvoorbeeld een termijn die inclusief de termijn van de Wsnp vijf jaar is met een mogelijkheid voor verlenging of uitzondering voor bepaalde fraude schulden en/of strafrechtelijke schulden. Er is een tweede aspect dat heroverweging verdient: de goede-trouw-toets is ingegeven door de gedachte dat geen misbruik van de wettelijke schuldsaneringsregeling gemaakt mag worden en dat het maatschappelijk draagvlak voor het kwijtschelden van schulden niet ondermijnd mag worden. Tegen die achtergrond kan gedacht worden aan een (sub)regel die inhoudt dat de goede-trouw-toets niet van toepassing is als desbetreffende schuldeiser instemde met een aanbod voor een minnelijke schuldregeling en/of met toelating tot de Wsnp; dit komt in de praktijk met enige regelmaat voor.

Ik hoop van harte dat u deze ideeën wilt onderzoeken en dat ook uw ministerie (aldus) wil bijdragen aan de bestrijding van de schuldenproblematiek.

Hoogachtend,

mr. B.J. Engberts

Rechter te Arnhem, voormalig voorzitter Recofa en medewerker van WSNP Periodiek

Deze brief is eerder gepubliceerd in WSNP-Periodiek

Een echtpaar organiseert een groot feest voor ruim 5000 euro. Maar wie betaalt de rekening? De ondernemer zelf zo oordeelt de kantonrechter van de rechtbank Overijssel. Betrokkenen stonden onder bewind en de ondernemer had dit kunnen weten. Ze stonden namelijk geregistreerd in het bewindregister. De uitspraak is in lijn met eerder gepubliceerde jurisprudentie. Het bewindregister biedt behoorlijke bescherming. Ondernemers wees gewaarschuwd.


   Foto: RyanMcGuire

Groot feest
Eind 2016 heeft een echtpaar aan een horecaondernemer opdracht gegeven voor een groot feest, met consumpties, een hapjesbuffet en een diner. Na het feest kwam de rekening: € 5.151, maar die kon het echtpaar niet betalen. De bewindvoerder van Findool BV raakt hier van op de hoogte en stelt zich op het standpunt de vordering niet te erkennen, omdat het echtpaar onder bewind stond en de horecaondernemer dit had kunnen weten. De bewindvoerder wordt gedagvaard en de kantonrechter oordeelde als volgt:

Het vonnis
Vooropgesteld dient te worden dat tussen eiseres en rechthebbenden afspraken zijn gemaakt voor een feestje te houden in het etablissement van eiseres en verzorgd door eiseres, alsmede dat die afspraken zijn gemaakt zonder medewerking van gedaagden. Eiseres kan rechthebbenden/gedaagden niet verwijten dat zij de overeenkomst is aangegaan zonder dat rechthebbenden hebben medegedeeld dat zij onder bewind stonden.
Rechthebbenden zijn immers onder bewind gesteld vanwege hun lichamelijke of geestelijke toestand omdat voldoende aannemelijk is geworden dat zij als gevolg van hun lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat zijn ten volle hun vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.

Ter bescherming van de belangen van derden wordt de uitspraak waarbij het bewind is ingesteld, gepubliceerd in het register en bestaat de mogelijkheid, ook voor eiseres, dat openbare register te raadplegen. Dat eiseres het openbare register in het onderhavige geval niet heeft geraadpleegd komt voor rekening en risico van eiseres.

Hierbij wordt opgemerkt dat het niet ging om een contante verkoop / koop van geringe waarde of om een koop betreffende het normale levensonderhoud maar om een feest met een waarde van € 5.151,85.
Met eiseres is de kantonrechter van oordeel dat het ondoenlijk is voor elke transactie van geringe waarde of het normale levensonderhoud betreffende het register te raadplegen, maar van een dergelijke transactie is hier dus geen sprake.
Een feest van een dergelijke omvang mag wellicht voor eiseres dagelijkse kost zijn, eiseres dient en diende echter wel te beseffen dat voor haar wederpartij een feest met een dergelijke omvang geen dagelijkse kost pleegt te zijn.
Eiseres had op eenvoudige wijze de identiteit van rechthebbenden kunnen vaststellen door bijvoorbeeld naar een identiteitsbewijs te vragen en vervolgens het register kunnen raadplegen om te zien of er sprake was van een bewind (of curatele).
Het door eiseres gedane beroep op de goede trouw faalt gelet op het vooroverwogene eveneens.

Conclusie is dat de rechtshandeling ongeldig is en de vordering afgewezen zal worden.

Bewindregister
Sinds 1 januari 2014 is het mogelijk om een onderbewindstelling vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand in te schrijven in het curatele- en bewindregister. Bij onderbewindstelling worden de volgende personen geregistreerd:

  • Bij onderbewindstelling vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand, wanneer de rechter daartoe heeft besloten. Dit kan op verzoek van de onderbewindgestelde, de bewindvoerder of
    ambtshalve door de rechter. De rechter maakt hierbij een afweging tussen privacy en de noodzakelijkheid.


Voordeel van publicatie van onderbewindstelling is dat de schuldeiser geacht
wordt op de hoogte zijn van het beschermingsbewind. De bewindvoerder kan zich er dan op beroepen dat de overeenkomst ongeldig is. Schuldeisers kunnen zich niet verhalen op de onder bewind gestelde goederen. Het einde van het bewind brengt hierin geen verandering.

Meer jurisprudentie
Er zijn inmiddels meer uitspraken waarbij succesvol een beroep op het bewindregister is gedaan. Twee voorbeelden:

NRC met I-Phone
Een onderbewindgestelde sluit een NRC-abonnement af inclusief levering van een i-Phone. De bewindvoerder wist van niets. Pas na een vonnis komt hij achter de nieuwe schuld. Het bewindregister biedt uitkomst. NRC had kunnen weten dat betrokkene onder bewind stond. De bewindvoerder gaat in verzet tegen het vonnis en de rechtbank Noord-Holland wijst alsnog de vordering af. >>>Uitspraak

Geboekte reis
Een onderbewindgestelde heeft een vliegreis geboekt voor zo’n  € 1500. Omdat de rekening niet werd betaald heeft Tui op het laatste moment de overeenkomst ontbonden en op basis van de algemene voorwaarden 90% van de reissom in rekening gebracht. Pas na een vonnis komt de bewindvoerder achter deze nieuwe schuld. Tui had vanwege inschrijving in het bewindregister kunnen weten dat betrokkene onder bewind stond. De bewindvoerder gaat in verzet tegen het vonnis en de rechtbank Noord-Holland wijst alsnog de vordering af. >>>Uitspraak

Jurisprudentie gevraagd
Heb je ook interessante jurisprudentie die niet op rechtspraak.nl is gepubliceerd, mail het naar info@schuldinfo.nl

Meer informatie
Rb Overijssel 17 april 2018, zaaknr.: 6507316\CV EXPL 17-3909
NRC-abonnement met i-Phone, geen verhaal mogelijk op onder bewind gestelde goederen
Aangaan geldlening wel geldige rechtshandeling, maar geen verhaal mogelijk op onder bewind gestelde goederen
Geboekte reis geen geldige rechtshandeling, geen derdebescherming, betrokkene staat in bewindregister
Vernietiging overeenkomst ivm curatele, niet raadplegen curateleregister komt voor eigen rekening
Achtergrondinfo beschermingsmaatregelen

De Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR), aangesloten bij Sociaal Werk Nederland, maakt zich ernstig zorgen over het aangekondigde uitstel van de invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. Op z’n vroegst zal de vereenvoudiging pas in 2021 plaatsvinden. Dat is onacceptabel, want op dit moment wordt de beslagvrije voet in driekwart van de gevallen te laag vastgesteld. Staatssecretaris Van Ark heeft aangekondigd met ‘tussenmaatregelen’ te komen om deze periode te overbruggen. Sociaal raadslieden doen hiervoor een aantal voorstellen.

De huidige beslagvrije voet is gebaseerd op veel informatie die de debiteur moet aanleveren. Voor iemand met een kop vol problemen is dat vaak ingewikkeld, waardoor de beslagvrije voet vaak te laag wordt vastgesteld. Dat heeft grote gevolgen. Burgers worden nodeloos verder in het moeras van schulden en stress geduwd. Nieuwe schulden ontstaan, de ene schuld wordt vervangen door een andere, met alle extra kosten van dien. Ook de maatschappelijke kosten stijgen daardoor.

De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet moet hier een eind aan maken. De vereenvoudiging wordt gerealiseerd door zo min mogelijk afhankelijk te zijn van informatie van de debiteur. Aan de hand van informatie uit de Basisregistratie personen en de Polisadministratie kan in de meeste gevallen de beslagvrije voet worden berekend. Een hoopvol perspectief, maar de nieuwe wet die al in 2017 in het Staatsblad heeft gestaan, wordt pas in 2021 ingevoerd.

Vanwege de ernstige gevolgen van dit uitstel moeten de aangekondigde tussenmaatregelen de debiteur wel voldoende gaan beschermen. Sociaal raadslieden doen daarvoor de volgende voorstellen:

1. Altijd terugwerkende kracht toepassen
Wanneer de beslagvrije voet te laag is vastgesteld moet op basis van de parlementaire geschiedenis de beslagvrije voet met terugwerkende kracht worden aangepast. Uitgerekend de overheid zelf, en dan met name de Belastingdienst, weigert om deze wettelijk verplichte terugwerkende kracht toe te passen. De LOSR heeft in het rapport “Belastingdienst, een bron van armoede?” in 2014 al op deze misstand gewezen. Ook de Nationale ombudsman heeft hierover een rapport uitgebracht en geoordeeld dat de parlementaire geschiedenis ook voor de Belastingdienst geldt.
Sociaal raadslieden blijven pleiten voor uitvoering van de wet, zodat een te lage beslagvrije voet altijd met terugwerkende kracht wordt gecorrigeerd. Helemaal nu de vertraging van invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet voor een belangrijk deel veroorzaakt wordt door implementatieproblemen dan wel prioritering bij de Belastingdienst.  

2. Beslagvrije voet moet minimaal 95% zijn van inkomen op bijstandsniveau
Volgens de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is de beslagvrije voet bij een inkomen gelijk of lager dan de bijstandsnorm gelijk aan 95% van het inkomen. Gemeenten, UWV en SVB moeten bij het verrekenen op de uitkering rekening houden met de beslagvrije voet.
Sociaal raadslieden stellen als ‘tussenmaatregel’ voor dat bij beslaglegging of verrekening op een uitkering op bijstandsniveau uitgegaan wordt van een beslagvrije voet van minimaal 95% van het inkomen.

3. Hanteer voor jongeren tot 21 jaar een volwaardige beslagvrije voet
Voor jongeren geldt, ongeacht of ze uit- of thuiswonend zijn, een beslagvrije voet van
€ 221,41. Het komt gelukkig niet vaak voor, maar als bij een uitwonende jongere beslag op loon of uitkering wordt gelegd, heeft dit onmiddellijk tot gevolg dat hij de vaste lasten niet meer kan betalen.
Sociaal raadslieden stellen voor om vooruitlopend op de invoering van de wet een beslagvrije voet te hanteren van 95% van het inkomen, maar maximaal de beslagvrije voet zoals deze zou zijn berekend als betrokkene 21 jaar of ouder zou zijn.

4. Verhoog de beslagvrije voet als iemand in een inrichting verblijft
Uitkeringsinstanties, de Belastingdienst en deurwaarders passen de beslagvrije voet bij verblijf in een inrichting toe volgens een letterlijke interpretatie van de wet, namelijk twee derde van de bedragen genoemd in art. 23 eerste en tweede lid samen.
De beslagvrije voet is dan: 2/3 van (315,54 + 34) = € 233,03.
Deze uitleg van de wet is in strijd met de bedoeling van de wetgever, zo blijkt ook uit de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, die bepaalt dat de beslagvrije voet als volgt moet worden berekend: (2/3 van 315,54) + 34 = € 244,36.
Sociaal raadslieden stellen daarom voor de beslagvrije voet bij verblijf in een inrichting direct volgens de bedoeling van de wetgever toe te passen.

5. Verhoog de beslagvrije voet bij hoge woonlasten extra
De huidige beslagvrije voet is te laag voor mensen met hoge woonlasten. De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet biedt hiervoor een extra verhoging van de beslagvrije voet.
Sociaal raadslieden stellen voor om deze extra verhoging nu al toe te passen.

6. UWV berekent voortaan de beslagvrije voet correct
De wijze waarop het UWV de beslagvrije voet berekent kan ertoe leiden dat de betrokkene onder het bestaansminimum terechtkomt. De beslagvrije voet wordt op twee punten afwijkend berekend:

  • Wanneer de schuldenaar een partner heeft, dan wordt de beslagvrije voet niet verhoogd met de premie ziektekostenverzekering van de partner. Dit klopt volgens een letterlijke interpretatie van de wettekst, waarin staat dat de beslagvrije voet verhoogd wordt met “de premie van een door de schuldenaar gesloten ziektekostenverzekering”. Deze interpretatie leidt ertoe dat wanneer de partner een inkomen heeft dat lager is dan de halve beslagvrije voet, de betrokkene onder het bestaansminimum terechtkomt.
  • Wanneer toeslagen worden verrekend of er beslag op is gelegd, dan wil het UWV hier geen rekening mee houden. Als argument wordt gegeven dat de vordering van het UWV preferent is. Dit gaat voorbij aan een uitspraak van de rechtbank Den Bosch die in een proefprocedure tussen de LOSR en de KBvG heeft bepaald dat onder “ontvangen” in art. 475d lid 4 Rv wordt verstaan “feitelijk in handen hebben”. Dit betekent dat als de betrokkene de toeslagen niet ontvangt, deze niet in mindering mogen worden gebracht op de beslagvrije voet. Preferentie speelt hierbij geen rol.

Sociaal raadslieden vinden dat het UWV de beslagvrije voet correct moet toepassen, conform de bedoeling van de wetgever.

7. UWV als derde-beslagene hanteert beslagvrije voet eerste beslaglegger
Wanneer beslag op de uitkering wordt gelegd stelt het UWV zich zeer lijdelijk op door altijd de laagste beslagvrije voet te hanteren. Wanneer er meerdere beslagleggers zijn heeft dit tot gevolg dat de debiteur na correctie van de beslagvrije voet bij een volgend beslag weer onder het bestaansminimum terecht komt. Het UWV is, voor zover bekend, de enige derde-beslagene die zo handelt.
De Nationale ombudsman heeft over dit onderwerp ook een rapport uitgebracht, maar dat heeft nog niet geleid tot aanpassing van de werkwijze van het UWV.
Sociaal raadslieden vinden dat het UWV, wanneer beslag op de uitkering wordt gelegd, de beslagvrije voet van de eerste beslaglegger moet volgen.

8. Overheidsvordering voorlopig niet meer toepassen
De verbetering van de bescherming van het bestaansminimum laat nog erg lang op zich wachten. Pas na invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en na invoering van een beslagvrij bedrag bij bankbeslag kan de overheidsvordering op verantwoorde wijze worden toegepast.
Sociaal raadslieden stellen daarom voor dat de Belastingdienst het afschrijven van de belastingaanslag of toeslagschuld van de bankrekening (overheidsvordering genoemd) voorlopig niet meer toepast.

Tussenmaatregelen ook voor gerechtsdeurwaarders
Bovengenoemde ‘tussenmaatregelen’ hebben betrekking op de overheid als schuldeiser. Gerechtsdeurwaarders zouden op vergelijkbare wijze vooruit kunnen lopen op de invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet. Sociaal raadslieden hebben de staatssecretaris gevraagd om met de beroepsorganisatie van gerechtsdeurwaarders (KBvG) hierover in gesprek te gaan.
Specifiek voor gerechtsdeurwaarders hebben sociaal raadslieden de volgende tussenmaatregel voorgesteld:

9. Houd bij beslag op huur- of zorgtoeslag rekening met de beslagvrije voet
Sinds een arrest van het Hof Den Haag van 25 april 2017 komt het regelmatig voor dat gerechtsdeurwaarders niet bereid zijn om de beslagvrije voet op verzoek toe te passen bij beslag op toeslagen. Het gerechtshof heeft aangegeven dat het niet mogelijk zou zijn om de beslagvrije voet toe te passen. Dat is een denkfout.
De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet zal er voor zorgen dat de beslagvrije voet direct van toepassing wordt. Nu uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat dit een codificatie is van de huidige jurisprudentie, is er des te meer reden om er bij de gerechtsdeurwaarders op aan te dringen de beslagvrije voet wel toe te passen.

Meer informatie
Brief LOSR aan staatssecretaris Van Ark over uitstel invoering nieuwe beslagvrije voet
Kamerbrief over onder andere de voortgang implementatie beslagvrije voet  
Bestaansminimum beter beschermd. Over de wet vereenvoudiging beslagvrije voet.

Minister Dekker (voor Rechtsbescherming) wil de griffierechten voor kleinere vorderingen wijzigen. In civiele zaken in eerste aanleg zullen de tarieven voor vorderingen tussen de € 500 en € 5000 straks lager uitvallen. Hiermee wil de minister tegemoet komen aan de bezwaren die sinds de verhoging van deze tarieven in 2011 worden geuit. De huidige tarieven zouden de toegang tot de rechter te veel belemmeren.



  Beeld: © Ministerie van Justitie en Veiligheid / Bas Kijzers

Een veel gehoorde klacht van het midden- en kleinbedrijf en van deurwaarders is dat zij voor vorderingen van iets meer dan € 500 een griffierecht van € 467 moeten betalen. Daarom stappen zij niet snel naar de rechter met onbetaalde rekeningen van net boven de € 500. Andere klachten betreffen het feit dat particulieren na verlies van een incassoprocedure tegen een rechtspersoon (bijvoorbeeld een bedrijf) vaak worden veroordeeld tot vergoeding van het hogere griffierecht dat de eiser als rechtspersoon heeft moeten betalen. Ook aan dit bezwaar wil de minister tegemoet komen.

Dit blijkt uit een brief die Dekker naar de Kamer heeft gestuurd. In deze brief is een eerder voorstel om het tarief voor lagere vorderingen te matigen nader uitgewerkt. Verder stelt de minister twee nieuwe aanpassingen voor, om aan de bezwaren van het midden- en kleinbedrijf én van sociaal raadslieden en particulieren tegemoet te komen.

De oplossing die de minister voorstaat is – kort gezegd – om meer te differentiëren in tarieven en om niet alleen de tarieven voor natuurlijke personen te verlagen, maar ook die van de rechtspersonen. Dat is gunstig voor beide groepen. Straks betaalt een bedrijf  € 300 aan griffierecht voor een vordering van € 900. Nu is dat nog € 467. Particulieren betalen voor eenzelfde vordering nu € 226, dat wordt € 200.

Uiteindelijk komt een lager tarief voor rechtspersonen ook ten goede aan natuurlijke personen, omdat deze bij verlies van een zaak tegen een rechtspersoon het tarief van de rechtspersoon moeten betalen. Een lager tarief dus dan nu. Overigens moeten de wijzigingen in de tarieven budgetneutraal worden uitgevoerd. Dit betekent dat tegenover de verlagingen de tarieven voor vorderingen van € 5000 en meer (in eerste aanleg) omhoog zullen gaan.

Meer informatie
Kamerbrief over uitwerking scenario griffierechten

Bij een voorstel tot afkoop van schulden, willen schuldeisers doorgaans zicht hebben op de verdiencapaciteit van de schuldenaar. Is het aanbod het maximaal haalbare? Zou betrokkene misschien kunnen werken om zo meer af te lossen? De rechtbank Noord-Nederland heeft zich uitgelaten over de vraag of verwacht kan worden dat ook medische informatie aan de schuldeiser wordt verstrekt en of de AVG hiervoor een belemmering vormt.


   Foto: Tumisu


Wat vooraf ging

Betrokkenen hebben een totale schuldenlast van € 108.335,19 bij dertig concurrente
schuldeisers en één preferente schuldeiser. Eerder zijn ze toegelaten
tot de WSNP maar deze is in 2014 zonder schone lei beëindigd. Dit
betekent dat ze tien jaar lang hier niet meer voor in aanmerking kunnen
komen. Dit neemt niet weg dat een minnelijke regeling, zo nodig
afgedwongen door een dwangakkoord, wel mogelijk is.

Kredietbank
Nederland heeft een voorstel aan de schuldeisers gedaan waarbij de
concurrente schuldeisers 1,89% en aan de preferente schuldeisers 3,79%
van het bedrag van hun vordering zullen ontvangen. De kredietbank heeft
een toelichting gegeven op het betalingsvoorstel, waarin onder meer
wordt aangegeven dat voor verzoekers sprake is van medische
problematiek, zodat er geen reële kansen zijn op betaald werk. ABN heeft bij brief van 6 maart 2018 aangegeven niet akkoord te gaan omdat
volgens haar onder meer niet duidelijk is of het aanbod het maximaal
haalbare is.
De kredietbank heeft vervolgens namens betrokkenen om een dwangakkoord verzocht.

Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat het akkoord goed en betrouwbaar is
gedocumenteerd, voldoende transparant is en voldoende informatie bevat
voor ABN om haar standpunt te bepalen. Het financiële belang van ABN is
weliswaar groter dan dat van de overige schuldeisers (55,73% van de
totale schuldenlast), maar dat enkele feit is in de te maken
belangenafweging niet zonder meer doorslaggevend (vergelijk
ECLI:NL:RBROT:2018:4001). Volgens de rechtbank is voldoende aannemelijk
gemaakt dat het voorstel bij de huidige stand van zaken, al dan niet met toepassing van de WSNP op termijn, het maximaal haalbare is.

ABN heeft ter zitting kennis genomen van de medische achtergrond van
verzoekers en heeft verklaard dat de medische gegevens voldoende
aanleiding geven voor de conclusie dat verzoekers kennelijk onvoldoende
in staat zijn om meer spaarcapaciteit te genereren. ABN sluit niet uit
dat zij met het akkoord had ingestemd, als de kredietbank deze
informatie eerder aan hen had verstrekt. ABN kan zich dan ook niet
vinden in het standpunt van de kredietbank dat op grond van de Algemene
Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) geen medische gegevens zou mogen registreren en deze gegevens evenmin aan derden mag verstrekken.
ABN heeft de rechtbank verzocht of zij in haar beslissing wil ingaan op
deze kwestie.

Volgens de rechtbank is het boven redelijke
twijfel verheven dat aan de schuldeisers meer is aangeboden dan hetgeen
zij zonder akkoord, al dan niet met toepassing (op termijn) van de
wettelijke schuldsanering zouden kunnen krijgen. Afwijzing van het
verzoek zou bovendien de schuldeisers die reeds hebben ingestemd nadelig treffen in hun financiële belang. Aldus dient het belang van verzoekers en dat van de schuldeisers die reeds hebben ingestemd, zwaarder te
wegen dan het belang van ABN. De rechtbank acht dan ook voldoende termen aanwezig om ABN te bevelen mee te werken aan het door verzoekers
aangeboden akkoord, waarbij de rechtbank ook rekening houdt met het
belang van verzoekers, voor wie de WSNP geen optie is.

De rechtbank gaat vervolgens ten overvloede in op de Reikwijdte van de AVG

Reikwijdte AVG
De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is medio mei 2016 in werking getreden en is vanaf 25 mei 2018 van
toepassing. Het uitgangspunt van de AVG is het transparantiebeginsel.
Dit beginsel dient in eerste instantie ter bescherming van een
natuurlijk persoon tegen onnodige opslag en verstrekking van zijn
persoonsgegevens door derden. De AVG zal in Nederland worden uitgevoerd
aan de hand van een uitvoeringswet (UAVG) welke eveneens met ingang van 25 mei 2018 van toepassing is verklaard.
Voorts heeft het Ministerie van Veiligheid en Justitie een handleiding
verstrekt ter bevordering van een juist begrip en toepassing van de AVG
en de UAVG. Als in de AVG wordt gesproken over bijzondere
persoonsgegevens wordt daarmee onder meer bedoeld medische gegevens van
een persoon. Op grond van artikel 9 van de AVG geldt in verband met het
verwerken van dergelijke gegevens in beginsel een verwerkingsverbod,
waarop echter krachtens artikel 22 van de UAVG een aantal uitzonderingen gelden:

a. de betrokkene uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven voor de
verwerking van die persoonsgegevens voor een of meer welbepaalde
doeleinden;
(………..)
d. de verwerking betrekking heeft op persoonsgegevens die kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt;
(…………)
e. de verwerking noodzakelijk is voor de instelling, uitoefening of
onderbouwing van een rechtsvordering, of wanneer gerechten handelen in
het kader van hun rechtsbevoegdheid.

Nu verzoekers de
kredietbank hebben voorzien van hun medische gegevens en de kredietbank
die gegevens aan de rechtbank heeft doorgestuurd, gaat de rechtbank
ervan uit dat verzoekers de kredietbank voor het verwerken en doorsturen van de medische gegevens kennelijk toestemming hebben gegeven. De
rechtbank gaat dan ook voorbij aan de stelling van de kredietbank dat
zij op grond van de AVG of de UAVG niet gerechtigd zou zijn tot
verwerking van medische gegevens. Dat kan immers worden afgeleid uit de
uitzondering van artikel 22 lid a van de UAVG. Uitgangspunt is daarbij
dat de gegevens alleen verwerkt mogen worden in welbepaalde,
uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd doel of doelen, waarvoor
uitdrukkelijk toestemming van de schuldenaar gegeven moet zijn. Het
verstrekken van informatie aan derden zou opgevat kunnen worden als een
verruiming van het oorspronkelijke doel en dit is naar het oordeel van
de rechtbank verdedigbaar als de verruiming verenigbaar blijft met het
oorspronkelijke verzameldoel met het doel, waarover een schuldenaar met
de kredietbank wederom goede afspraken dient te maken. De rechtbank is
op grond van lid e van artikel 22 UAVG bevoegd tot registratie van deze
medische gegevens nu die registratie valt onder handelen in het kader
van haar rechtsbevoegdheid als bedoeld in dat artikel.

Of
kredietbank deze gegevens op haar beurt aan ABN mocht verstrekken wordt
in belangrijke mate beheerst door het volgende. Bij de totstandkoming
van artikel 287a Fw heeft de wetgever bepaald dat bij de te maken
belangenafweging een aantal omstandigheden een rol kunnen spelen. In
ieder geval drie omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank
leidend:

  • is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd?
  • is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht?
  • biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor
    de schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser
    evenveel of meer zal ontvangen?

Weliswaar moet de kredietbank worden nagegeven dat behoedzaam met de privacybelangen moet worden omgesprongen, maar daar staat tegenover dat een schuldeiser, om zich in redelijkheid te kunnen beraden op een akkoord afhankelijk is van de informatie die haar door de kredietbank beschikbaar wordt gesteld. Een schuldeiser mag naar het oordeel van de rechtbank in dat verband rekenen op concrete informatie, te meer als die informatie dient ter onderbouwing van de stelling dat spaarcapaciteit geheel ontbreekt. Als de informatie een medisch karakter heeft, komt in beginsel het recht op privacy van een schuldenaar in het geding. Als een schuldenaar een akkoord wenst te treffen met zijn schuldeisers, dient een schuldenaar dan ook een persoonlijke afweging te maken of het belang bij een akkoord opweegt tegen zijn belang bij privacy. In zijn algemeenheid zal het niet noodzakelijk zijn dat een schuldenaar een volledig medisch dossier of een rapportage verstrekt. De enkele mededeling dat er medische beperkingen zijn die de arbeidscapaciteit bemoeilijken acht de rechtbank niet voldoende om een schuldeiser ervan te overtuigen dat het akkoord aantrekkelijk is. In eerste instantie zou de kredietbank (met toestemming van een schuldenaar) kunnen volstaan met de vermelding wat de aard van de beperking is, dat de beperking een structureel karakter heeft, hetgeen blijkt uit medische rapportage(s). Het dient een schuldeiser op zijn minst duidelijk te zijn dat de kredietbank haar inschatting baseert op beschikbare informatie die de kredietbank heeft ingezien, waaraan een schuldenaar de restrictie heeft opgelegd dat de kredietbank die informatie op grond van de AVG niet mag verspreiden aan een derde partij. Daarbij dient naar het oordeel van de rechtbank ook de hoogte van de vordering in aanmerking te worden genomen, waarbij beschouwd moet worden of het belang van een schuldeiser opweegt tegen het belang op privacy. De rechtbank wil benadrukken dat het een schuldenaar vrij staat zich op grond van de AVG en/of de UAVG te beroepen op zijn recht van privacy. Daar staat tegenover dat het ontbreken van medische gegevens gevolgen kan hebben voor de beoordeling van de deugdelijkheid van het akkoord in het kader van de te maken belangenafweging.


Meer informatie

Rechtbank Noord-Nederland 25 september 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:3788
Achtergrondinformatie AVG

Deurwaarders zijn onderworpen aan tuchtrechtspraak, uitgevoerd door de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders en in hoger beroep door het Hof Amsterdam. Hierbij een selectie van uitspraken gepubliceerd in de maanden juli t/m september 2018.


De Kamer voor gerechtsdeurwaarders heeft in het derde kwartaal geen
uitspraken gepubliceerd. Dit keer alleen uitspraken van hof Amsterdam

Bankbeslag ondanks bekendheid met slechte financiële situatie
Vanwege de door klager aan de deurwaarder verstrekte informatie had de
deurwaarder kunnen weten dat het inkomen van klager bestond uit de
beslagvrije voet en er bij klager geen ruimte was voor een maandelijkse
betaling. De deurwaarder heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk
gemaakt dat er destijds aanleiding was om te veronderstellen dat de
bankrekening door andere inkomsten dan de uitkering en toeslagen van
klager werd gevoed of dat er nog andere inkomsten zouden zijn.
Het
hof is, evenals de kamer, van oordeel dat de deurwaarder dermate sterke
aanwijzingen had dat het door hem gelegde bankbeslag geen soelaas zou
bieden om tot verhaal van de vordering van zijn opdrachtgever te komen,
dat hij vanwege de daaraan voor klager verbonden kosten en overlast van
het leggen daarvan had behoren af te zien. Op het moment dat klager de
deurwaarder na het bankbeslag zijn bankafschriften deed toekomen en de
deurwaarder kennis had gekregen van het feit dat het bankbeslag slechts
doel had getroffen voor een bedrag ongeveer gelijk aan de overgemaakte
huurtoeslag, had de deurwaarder dus ook onmiddellijk tot opheffing van
het bankbeslag moeten overgaan.
De kamer heeft de deurwaarder de
maatregel van berisping opgelegd. Het hof bevestigt de bestreden
beslissing mbt de maatregel en veroordeelt de deurwaarder tot betaling
van het griffierecht (50,- euro) en de kosten van behandeling van de
klacht in hoger beroep (3.000,- euro). >>> Uitspraak

Geen beslagvrije voet toegepast bij bankbeslag
Het hof stelt voorop dat thans enkel de vraag voorligt of de deurwaarders
tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld door op het bankbeslag geen beslagvrije voet toe te passen. Hoewel bij een bankbeslag in beginsel
geen rekening hoeft te worden gehouden met de beslagvrije voet, kan het
onder omstandigheden tuchtrechtelijk laakbaar zijn dat niet te doen.

Gelet op de hoogte van het bij het bankbeslag getroffen bedrag (vrijwel
gelijk aan de bijstandsuitkering van klaagster) alsmede gelet op de
inhoud van de door klaagster aan de deurwaarders verstrekte stukken over haar financiële situatie, hadden de deurwaarders naar het oordeel van
het hof onverwijld moeten overgaan tot toepassing van de beslagvrije
voet. Er was onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de
beslagen bankrekening door andere inkomsten dan de bijstandsuitkering
van klaagster werd gevoed of dat er nog andere inkomsten zouden zijn.
Voor het bestaan van zwarte inkomsten uit de (reeds in 2014 uit het
handelsregister uitgeschreven) eenmanszaak was destijds geen, althans
onvoldoende bewijs. Door het niet toepassen van de beslagvrije voet op
het bankbeslag, hebben de deurwaarders naar het oordeel van het hof
tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Gezien de ernst van het feit
is het hof van oordeel dat de maatregel van berisping passend en geboden is, zoals ook door de kamer opgelegd. >>>Uitspraak

Onjuist dwangbevel en incassotraject inzetten ondanks vordering was voldaan
De deurwaarder is tot betekening van een dwangbevel overgegaan, nadat
klager de onderliggende vordering reeds had voldaan. Bovendien is aan
klager een dwangbevel op naam van iemand anders betekend. Tevens staat
vast dat op telefoontjes en brieven van klager in het geheel niet of
onvoldoende inhoudelijk is gereageerd. Naar het oordeel van het hof had
de deurwaarder het incassotraject moeten beëindigen op het moment dat
hij van het CJIB had vernomen dat de hoofdsom aan het CJIB was voldaan
voordat hij met zijn werkzaamheden was aangevangen.
De deurwaarder
heeft het incassotraject echter steeds voortgezet, ondanks de meldingen
van klager, waarbij zelfs ten onrechte beslag is gelegd op de
zorgtoeslag van klager gedurende een periode van vijf maanden. Dat niet
alle brieven van klager door de deurwaarder zijn ontvangen, zoals de
deurwaarder heeft aangevoerd, maakt de handelwijze van de deurwaarder
niet minder verwijtbaar, aangezien klager in de brieven die blijkbaar
wel door de deurwaarder zijn ontvangen steeds heeft verwezen naar zijn
eerdere brieven. Ook het feit dat de kosten niet in rekening zijn
gebracht bij klager of de opdrachtgever en klager dus geen onnodige
kosten heeft hoeven vergoeden, zoals door de deurwaarder tevens is
aangevoerd, maakt zijn handelen c.q. nalaten niet minder laakbaar. Het
is bovendien aannemelijk dat klager door het ten onrechte gelegde beslag financieel nadeel heeft ondervonden dat niet is vergoed door het
uiteindelijk terugstorten van de ingehouden bedragen, zoals klager heeft gesteld. De klacht is, zoals ook de kamer heeft beslist, gegrond en het handelen van de deurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar.
Het hof legt
de maatregel van berisping met aanzegging op. De door de kamer opgelegde maatregel van geldboete acht het hof niet passend, nu niet is gebleken
dat de deurwaarder in deze zaak financieel voordeel heeft behaald of
beoogd. Voorts veroordeelt het hof de deurwaarder tot betaling van de
kosten van klager in hoger beroep (50,- euro) en de kosten van
behandeling van de klacht in hoger beroep (3.000,- euro). >>>Uitspraak

Meer informatie
Overzichten tuchtrechtspraak deurwaarders
Website tuchtrechtspraak

Een vrouw klaagt erover dat de Belastingsamenwerking Gemeenten (BsGW) haar verzoek om kwijtschelding van lokale belastingen heeft afgewezen. De en/of rekening die zij samen met haar zieke moeder heeft geopend wordt namelijk meegeteld als haar vermogen. De Nationale ombudsman vindt dit niet terecht omdat hier geen sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het is pure noodzaak want haar moeder kan niet meer goed voor zichzelf zorgen. De BsGW is het met de ombudsman eens en beoordeelt de aanvraag opnieuw. De lokale belastingen worden alsnog kwijtgescholden. De BsGW past ook de werkinstructie aan om soortgelijke toekomstige gevallen te voorkomen.


Verzoekster komt al een aantal jaren in aanmerking voor kwijtschelding van de lokale belastingen. Dan wordt haar moeder erg ziek. Verzoekster opent een en/of-rekening op naam van haar moeder en haarzelf, zodat zij de financiën voor haar moeder kan behartigen. De en/of-rekening bevat het pensioen van haar moeder en de uitgaven die voor haar moeten worden gedaan. Als verzoekster haar aanvraag voor kwijtschelding indient, krijgt zij een afwijzing. Door de en/of-rekening heeft zij een te hoog bedrag aan vermogen. Een en/of-rekening telt doorgaans mee als vermogen. Beide personen kunnen immers vrijelijk beschikken over de gelden op de en/of-rekening. Is er geen sprake van een gezamenlijke huishouding en is de en/of-rekening ingesteld vanwege noodzakelijke of wenselijke hulp bij andermans financiën, dan ziet de Nationale ombudsman de noodzaak van een nadere afweging. Kan betrokkene aantonen, dat de en/of-rekening uitsluitend bestaat uit inkomsten van en uitgaven voor of in verband met de andere tenaamgestelde, dan vindt de Nationale ombudsman het niet terecht dat bij de beoordeling van een kwijtscheldingsverzoek de en/of-rekening meetelt als vermogen.

De Nationale ombudsman neemt contact op met de instantie. De Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (de BsGW) is het met de Nationale ombudsman eens en beoordeelt de aanvraag opnieuw. Gelet op de omstandigheden telt de en/of-rekening van verzoekster en haar moeder niet mee als vermogen. De BsGW kent verzoekster alsnog kwijtschelding toe. Ook heeft de BsGW deze nadere afweging bij kwijtschelding in een werkinstructie opgenomen, zodat haar medewerkers het ook bij toekomstige vergelijkbare zaken toepassen.

Meer informatie
Rapport Nationale ombudsman 1 oktober 2018
Achtergrondinfo kwijtschelding belastingen

Verzekeraar Allianz vordert € 92 vanwege een premieachterstand. Een verzoek om uitstel, omdat voor betrokkene beschermingsbewind was aangevraagd, mocht niet baten. Een dagvaarding volgde. De kantonrechter maakt korte metten: incassokosten en proceskosten worden afgewezen. Er bestaat weliswaar geen wettelijk recht op uitstel, maar de rechter kan wel te snel dagvaarden afstraffen. Als het aan de regering ligt zal dit vaker gaan gebeuren.


   Foto: Ivana Divišová

Wat voorafging
Verzekeraar Allianz heeft de bewindvoerder q.q. gedagvaard vanwege een
vordering ad. € 142,35 (€ 92,00 hoofdsom; € 1,95 rente daarover tot de
dagvaarding en € 48,40 buitengerechtelijke incassokosten inclusief BTW). De bewindvoerder heeft – kort gezegd – aangevoerd dat er geen
aanleiding was voor deze procedure en het maken van verdere kosten omdat duidelijk was dat de hoofdsom werd erkend en er bewind was aangevraagd
en opgestart.

De kantonrechter oordeelt als volgt

“2.3. De kantonrechter stelt voorop dat de hoofdsom niet is betwist en evenmin dat daarover rente verschuldigd is. In zoverre is de vordering toewijsbaar. Het gaat nog om de daarbij gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten van Allianz.

2.4. Uit de door de bewindvoerder beschreven tijdlijn en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat GGN namens Allianz op 22 februari 2018 een aanmaningsbrief aan X stuurde waarin aanspraak wordt gemaakt op de hoofdsom en € 1,50 aan rente. In die brief – de zogenoemde 14 dagenbrief – wordt een betalingstermijn van 14 dagen gegeven waarna incassokosten (€ 48,40) verschuldigd zullen zijn. De bewindvoerder heeft op 5 maart 2018 – en dus ruim binnen die termijn van 14 dagen – een e-mailbericht aan de betrokken deurwaarder gestuurd en bericht dat er overleg is geweest met X en met een medewerker van de gemeente en dat gezamenlijk een aanvraag voor beschermingsbewind is ingevuld en aan de rechtbank gezonden. Met het oog op de met de behandeling van die aanvraag gemoeide tijd, vraagt de bewindvoerder clementie. Zonder daar op in te gaan stuurde GGN op 20 maart 2018 opnieuw een aanmaning aan Z, ditmaal voor € 145,83. De bewindvoerder berichtte GGN op 21 maart 2018 dat de zitting over het beschermingsbewind had plaatsgevonden op 16 maart 2018 en dat X in afwachting was van de beschikking. Y meldt tot dan niets te kunnen doen en dat Y hoopt dat een en ander even kan worden aangehouden. Op 22 maart 2018 verzoekt GGN de bewindvoerder om het openstaande bedrag te betalen en de bewindvoerder reageert met verwijzing naar bericht van 21 maart 2018. Op 1 april 2018 heeft de rechtbank de beschikking uitgesproken waarbij het vermogen van X onder bewind is gesteld. De bewindvoerder heeft de beschikking op 5 april 2018 aan GGN doorgestuurd. GGN heeft vervolgens nogmaals een aanmaning gestuurd. De bewindvoerder heeft GGN bericht over de stand van zaken; de schulden van X werden in kaart gebracht en schuldhulpverlening werd gestart. GGN is daar niet op in gegaan en heeft op 30 mei 2018 de dagvaarding laten betekenen.

2.5. De kantonrechter is het met de bewindvoerder eens dat onder de hiervoor beschreven omstandigheden geen aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Het was door het bericht van de bewindvoerder van 5 maart 2018 duidelijk dat er sprake was van betalingsonmacht aan de kant van X en dat een schuldhulpverleningstraject werd gestart. Het lag in de rede om daar adequaat op te reageren en in ieder geval enige tijd af te wachten of dit tot een oplossing zou leiden. Daarmee had naar het zich laat aanzien een procedure – met alle kosten van dien – voorkomen kunnen worden. De kosten die in deze zaak gemoeid zijn geweest met de werkzaamheden van GGN om betaling te verkrijgen buiten rechte zijn naar het oordeel van de kantonrechter niet in redelijkheid gemaakt. Daarom zal de gevorderde vergoeding worden afgewezen. De gang van zaken is verder aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.”

Kabinetsplannen
Een schuldeiser hoeft niet in te stemmen met uitstel van betaling of een betalingsregeling, zo is in het Burgerlijk Wetboek geregeld. Toch oordeelt de rechter in onderhavige uitspraak dat de
incassokosten en proceskosten van de schuldeiser voor eigen rekening
blijven. Te snel dagvaarden wordt hiermee afgestraft.
Dit is overigens in lijn met plannen van het kabinet om te snel dagvaarden tegen te gaan. In het regeerakkoord staat hierover: 

“Schuldeisers dienen eerst de mogelijkheden van een betalingsregeling te onderzoeken
voor een zaak voor de rechter wordt gebracht”

Hoe dit
wettelijk vormgegeven gaat worden is nog niet bekend. Als het maar leidt tot een daadwerkelijk onderzoek en niet een dode letter die met een
standaardpassage in de dagvaarding kan worden afgedaan.

Meer informatie
Rb Midden-Nederland 12 september 2018, 6972221 UC EXPL 18-6711 PD/968

7 oktober 2018 - Schuldinfo

Ben je net meerderjarig geworden, word je geconfronteerd met een incassobureau. Je ouders hebben de tandartsrekening niet betaald terwijl ze wel een vergoeding van de zorgverzekeraar hebben ontvangen. Dit overkwam Janny. Ze hield voet bij stuk en verwees Famed, de organisatie die de tandartsrekening int, naar haar ouders. Echter, zonder succes. Ze wordt gedagvaard en de rechtbank Rotterdam oordeelt dat ze toch zelf de rekening moet betalen.



Wat vooraf ging

Op 13 september 2016 is Janny door de tandarts behandeld waarvoor € 393,63 in rekening is gebracht. Ze was toen 17 jaar.
De tandarts heeft zijn vordering overgedragen aan Famed. Nadat de rekening niet betaald werd is Janny gedagvaard om € 459,81 te betalen.
Janny heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Zij erkent dat ze naar de tandarts is geweest, maar betwist dat ze een betalingsverplichting heeft. Ze was minderjarig waardoor de vergoeding voor die behandelingen door de zorgverzekeraar is betaald aan haar ouder. Janny, inmiddels meerderjarig, vindt dat ze onterecht aangesproken wordt tot betaling van de nota. Haar ouder is verantwoordelijk voor het betalen van die nota. Bovendien heeft haar ouder de vergoeding voor de behandelingen ontvangen van de zorgverzekeraar. Zij verzoekt dan ook de vordering af te wijzen.

De rechtbank Rotterdam oordeelt als volgt.

De beoordeling
“In geschil is of [gedaagde] een betalingsverplichting heeft met betrekking tot de tandheelkundige behandelingen. Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 7:447 BW een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, bekwaam is tot het aangaan van een behandelingsovereenkomst ten behoeve van zichzelf en aansprakelijk is voor de uit die behandelingsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen, onverminderd de verplichting van de ouders tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding.

Als onweersproken staat vast dat de tandarts de behandelingen in opdracht van de op dat moment zeventienjarige [gedaagde] heeft uitgevoerd. Tussen [gedaagde] en de tandarts bestaat aldus een behandelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:446 BW. Op grond van die overeenkomst en artikel 7:461 BW is [gedaagde] de tandarts een vergoeding verschuldigd. Het verweer van [gedaagde], dat niet zij, maar haar ouder verantwoordelijk is voor betaling van de behandelingen, wordt verworpen. [gedaagde] is immers zelf aansprakelijk voor de uit de door haar gesloten behandelingsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen, anders gezegd: [gedaagde] is verantwoordelijk voor tijdige betaling van de door haar genoten tandheelkundige behandelingen. Indien [gedaagde] wenst dat haar ouder de nota aan haar vergoedt, dan is het aan [gedaagde] om haar ouder daar voor aan te spreken. Dat de vergoeding voor de behandelingen door de zorgverzekeraar aan haar ouder is uitgekeerd en niet aan [gedaagde], ontslaat [gedaagde] niet van haar betalingsverplichting. Een en ander betekent dat [gedaagde] gehouden is de nota van 13 oktober 2016 ter zake de door haar op 13 september 2016 genoten tandheelkundige behandelingen te betalen. De vordering ter zake zal dan ook worden toegewezen.
(…)

De beslissing
De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Famed tegen kwijting te betalen € 459,81 vermeerderd met de wettelijke rente over € 393,63 vanaf 9 oktober 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Famed vastgesteld op € 200,51 aan verschotten en € 120,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.”

Meer informatie
Rechtbank Rotterdam 9 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:8281 
Rechtbank Groningen 4 juni 2009, ECLI:NL:RBGRO:2009:BM1623
Rechtbank Haarlem 5 april 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BA1801

Zie ook: ouders ten onrechte gedagvaard voor tandartsrekening
Rechtbank Assen 18 januari 2011, ECLI:NL:RBASS:2011:BP3837
Rechtbank Maastricht 18 februari 2009, ECLI:NL:RBMAA:2009:BH6089

16 september 2018 - Schuldinfo

Wanneer één of meer schuldeisers niet instemmen met een schuldregeling kan de rechter worden gevraagd om de schuldregeling op te leggen. Bij een toewijzing van het verzoek kan de weigerende schuldeiser in de proceskosten worden veroordeeld. Zo kwam de rechtbank Midden-Nederland tot het oordeel dat PB Tankcollect in de proceskosten moest worden veroordeeld omdat ze alleen bereid is te onderhandelen bij een aanbod van 50% of hoger. Eigenlijk vreemd want uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij een toewijzing van een dwangakkoord een proceskostenveroordeling standaard zou moeten zijn. Positief aan deze uitspraak is dat de rechtbank de proceskosten toewijst, terwijl bij het verzoek om een dwangakkoord geen rechtsbijstand is verleend, maar de ondersteuning heeft plaatsgevonden vanuit schuldhulpverlening. Zeer terecht want er gaat bij schuldhulpverlening veel tijd en dus geld gemoeid met dit soort procedures. Andere rechtbanken zouden hier een voorbeeld aan moeten nemen.


Aanleiding
Een 29-jarige, alleenstaande man woont zelfstandig, met begeleiding. Hij heeft een bijstandsuitkering en een totale schuldenlast van 15 concurrente en 2 preferente vorderingen met een totale schuldhoogte van € 32.414,89. Stichting de Tussenvoorziening heeft namens hem een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in dat verzoeker gedurende 36 maanden zijn afloscapaciteit reserveert. Doorbetaling van het gereserveerde bedrag vindt plaats op grond van een pondspondsgewijze verdeling. Dat zal kunnen resulteren in een uitkering van 11,59 % aan de concurrente schuldeisers. Aan de preferente schuldeisers wordt het dubbele geboden.

De voorgestelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve PB Tankcollect aanvaard. Independer heeft het voorstel aanvaard onder de voorwaarde dat iedere schuldeiser akkoord is, zodat ook Independer als weigeraar moet worden aangemerkt. Stichting de Tussenvoorziening heeft namens betrokkene de rechtbank verzocht Independer en PB Tankcollect te bevelen in te stemmen met de voorstelde schuldregeling.

De beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat uit het verzoek voldoende is gebleken dat het bod het uiterste is waartoe hij financieel in staat moet worden geacht. Gelet op de omstandigheden van dit geval, waaronder de persoonlijke problematiek van verzoeker en het feit dat hij thans (met een onderbouwing) door de gemeente ontheven is van zijn sollicitatieverplichting, heeft de rechtbank niet de verwachting dat verzoeker zodanige inkomsten kan generen dat in een schuldsaneringsregeling minimaal eenzelfde percentage kan worden uitgedeeld. Het is voldoende aannemelijk gemaakt dat verzoeker op dit moment niet in staat is fulltime in een (regulier) dienstverband te werken. Een sterke toename van inkomsten is dan ook niet te verwachten.
 
Nu de vooruitzichten voor Independer en PB Tankcollect als schuldeisers bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, is het uitgangspunt dat Independer en PB Tankcollect op grond van de inhoud van de aangeboden schuldregeling in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling hebben kunnen komen. Immers moet er op grond van deze vooruitzichten van uit worden gegaan dat Independer en PB Tankcollect geen belang hebben bij de weigering van de instemming, terwijl verzoeker en de overige schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding van de schuldregeling. Daarbij weegt mee dat de vorderingen van Independer en PB Tankcollect een relatief klein deel (0,61% resp. 0,91%) van de totale schuldenlast vertegenwoordigen.

Het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord wordt toegewezen.

Proceskostenveroordeling
Verzoeker heeft verzocht de weigerachtige schuldeisers te veroordelen in de kosten van de procedure op grond van artikel 287a lid 6 Fw. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de kostenveroordeling uit artikel 287a lid 6 Fw een stimulans moet zijn om in het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen. Independer heeft steeds inhoudelijk verweer gevoerd en heeft na ontvangst van het volledige verzoekschrift haar standpunt bijgesteld. De rechtbank zal haar daarom niet in de proceskosten veroordelen. PB Tankcollect is echter in haar schriftelijke weigering niet ingegaan op de omstandigheden van de onderhavige casus. Zij voert een algemene – principiële – weigeringsgrond aan en is eerst bereid te onderhandelen bij een aanbod van 50% of hoger, terwijl een dergelijk aanbod in het kader van het minnelijk traject zeldzaam is. Het staat PB Tankcollect weliswaar vrij om te weigeren, maar bij een weigering op deze gronden lijkt het reeds op voorhand niet mogelijk om met PB Tankcollect tijdens het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen. PB Tankcollect heeft daarnaast geen verweerschrift ingediend en is evenmin ter zitting verschenen. De rechtbank acht het daarom wenselijk PB Tankcollect in de kosten van de procedure te veroordelen.

Uit artikel 285 Fw vloeit voort dat het minnelijk traject moet worden begeleid door het college van burgemeester en wethouders, een gemeentelijke kredietbank of de krachtens de in artikel 48, eerste lid, onderdeel d van de Wet op het consumentenkrediet toegelaten personen. De rechtbank zal de proceskosten daarom begroten naar analogie van de artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin rechtsbijstand verplicht is.

Gezien de aard van deze procedure zal de rechtbank aansluiten bij het tarief voor een eenvoudig kort geding. De kosten aan de zijde van verzoeker worden tot op heden begroot op € 633,–.

Altijd veroordeling proceskosten
In onderhavige uitspraak worden de proceskosten toegewezen vanwege de bijzonder weigerachtige opstelling van PB Tankcollect. Een criterium dat door veel rechtbanken wordt gehanteerd. Opmerkelijk want uit de wettekst en wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bij toewijzing van het dwangakkoord een standaard proceskostenveroordeling voor ogen had.

In de wettekst staat:
“Indien de rechtbank het verzoek toewijst, veroordeelt de rechtbank de schuldeiser die instemming met de schuldregeling heeft geweigerd, in de kosten.”

Een directief geformuleerde bepaling die geen ruimte laat voor afwijzing. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat dit geen toevallige formulering is maar een bewuste keus om de totstandkoming van het minnelijk traject te stimuleren. Er staat:
“In het zesde lid wordt de kostenveroordeling opgenomen. Als een in de minnelijke fase voorbereide maar niet tot stand gekomen schuldregeling alsnog met behulp van de rechter wordt aangenomen of vastgesteld, worden de schuldeisers die de regeling in de minnelijke fase hebben afgewezen, veroordeeld in de kosten (zoals de griffierechten) van de aanvraagprocedure. De rechter heeft immers vastgesteld dat die weigering onterecht was. Deze kostenveroordeling moet een stimulans zijn om in het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen.”

Ook indien verzoek ingediend vanuit schuldhulpverlening
De bedoeling van de wetgever is hiermee duidelijk. Er zijn echter voor een verzoek om een dwangakkoord geen griffierechten verschuldigd en het verzoek wordt meestal ingediend met hulp en ondersteuning vanuit de gemeentelijke schuldhulpverlening of instelling die in opdracht van de gemeente het minnelijk traject uitvoert. De klant hoeft hier niet voor te betalen, maar de schuldhulpverlening kost natuurlijk wel geld. Aan elk verzoek tot toepassing van een dwangakkoord worden uren besteed die niet aan andere mensen met schulden besteed kunnen worden.

Het is zeer terecht dat de rechtbank Midden-Nederland bij een verzoek ondersteund vanuit schuldhulpverlening wel tot een proceskostenveroordeling komt en deze begroot naar analogie van de artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin rechtsbijstand verplicht is. Anders zou de weigerachtige schuldeiser geen nadeel van z’n eigen opstelling ondervinden, terwijl dit wel de bedoeling van de wetgever is. Bovendien worden er wel degelijk kosten gemaakt!

Tip
Dien je een verzoek om een dwangakkoord in, verzoek altijd om een veroordeling in de proceskosten en verwijs naar deze uitspraak:

Rb Midden-Nederland 12 september 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4361

Sinds 2011 is de instroom in de in de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) bijna gehalveerd. Dit terwijl de schuldenproblematiek onverminderd omvangrijk is. Reden voor mr. Engberts, rechter te Arnhem en voormalig voorzitter Recofa, om een open brief aan minister Dekker te schrijven.


Geachte minister Dekker,

Het regeerakkoord bevat een passage over de aanpak van de schuldenproblematiek in dit land. Die aandacht voor problematische schulden is terecht want al tientallen jaren gaan tallozen gebukt onder schulden die zij niet af kunnen lossen. Hun problemen zijn nauwelijks te bevatten. De investeringen in schuldhulpverlening nemen jaar op jaar toe. Toch slagen wij er niet in om dit probleem te verkleinen. Waar begin deze eeuw gesproken werd van naar schatting 250.000 Nederlanders met problematische schulden valt in een recent nieuwsbericht van uw kabinet (van 23 mei 2018) te lezen dat ongeveer 1,4 miljoen Nederlandse huishoudens problematische schulden of een risico daarop hebben! Ik plaats hier een uitroepteken want dat is een enorm aantal. Preventie en schuldhulpverlening lijken hier tekort te schieten. Dit alles is reeds in vele rapporten en door diverse journalisten van bijvoorbeeld De Groene Amsterdammer en De Correspondent (recent met name Jesse Frederik) uitstekend beschreven. Ik neem aan dat u deze publicaties kent.

In dit verontrustende beeld valt op – en dit is wat onderbelicht – dat de instroom in de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) alsmaar verder daalt. Van ongeveer 14.700 in 2011 naar 8.300 in 2017. De instroom zal dit jaar naar verwachting zelfs dalen tot ongeveer 6.000. Die enorme daling wordt vrijwel uitsluitend verklaard door de daling van het aantal ingediende verzoeken. En dat is zo jammer want uit gedegen onderzoek (de Wsnp wordt jaarlijks gemonitord) blijkt hoe effectief de Wsnp is. Uit de meest recente Monitor WSNP (over het jaar 2016) blijkt dat maar liefst 89% van de mensen die toegelaten worden tot de Wsnp, na het traject schuldenvrij is. Ten aanzien van het minnelijk traject blijkt uit de jaarcijfers van de NVVK over 2016 dat slechts in 41% van de (aangemelde) gevallen met succes een regeling tot stand werd gebracht. Daarvan werd 64 % succesvol afgerond zodat van de aangemelde mensen met problematische schulden slechts 26 % (64% van 41%) is geholpen (schuldenvrij is). En dan is de Wsnp ook nog ‘goedkoop’ omdat deze voor een groot deel door de schuldeisers betaald wordt.

Hoe is deze daling van het aantal schuldsaneringsverzoeken te verklaren? Vanuit mijn ervaring als rechter, (voormalig) voorzitter van Recofa (het overleg orgaan van insolventierechters in Nederland) en medewerker van Wsnp Periodiek is mijn analyse de volgende. Vast staat dat de sterke krimp van de Wsnp samenvalt met een enorme stijging van het aantal beschermingsbewinden. Dit aantal is van 122.000 in 2011 gestegen naar 242.000 in 2017 waarvan een groot deel mensen betreft met problematische schulden (schuldenbewind). De uitstroom of doorstroom van schuldenaren in beschermingsbewind naar de Wsnp is minimaal terwijl het toch de bedoeling is dat schuldenbewinden tijdelijk zijn. Daarnaast is er een grote groep mensen met problematische schulden die soms jarenlang met budgetbeheer ‘in de schuldhulp’ zit. Waarom steeds minder van hen doorstromen naar de Wsnp is niet helemaal duidelijk. Mogelijk wordt in veel gevallen geen Wsnpverzoek bij de rechtbank ingediend omdat niet aan de toelatingscriteria wordt voldaan. Een andere mogelijkheid is dat er te weinig stimulans is om door te verwijzen naar de Wsnp.

Wie kan deze patstelling doorbreken? Ik denk dat u dat kan door middel van drie maatregelen/wetswijzigingen. Uw idee om te experimenteren met lagere regelgeving (AmvB), de ‘Experimentenwet rechtspleging’, kan daarbij wellicht behulpzaam zijn. Waarschijnlijk heeft u daaraan al gedacht want de Faillissementswet (Fw) is in het experiment opgenomen onder andere in verband met de brede aanpak van de schuldenproblematiek, die ook de procesrechtelijke aspecten van deze wet raken.

Ten eerste kunt u de beschermingsbewindvoerders verplichten om – na een zekere, niet al te lange periode – aan de insolventierechter voor te leggen of de schuldenaar in aanmerking komt voor een schuldsaneringsregeling, tenzij een schuldregeling is bereikt. Dus ook zonder dat een minnelijk traject is doorlopen en zonder dat een verklaring van of namens de gemeente (art. 285 lid 1 onder f Fw) hierover wordt verlangd. Dat is dan een beetje in lijn met een recente motie van de SP om het minnelijk traject als verplicht voorportaal van de Wsnp af te schaffen. De gedachte hierbij is dat de beschermingsbewindvoerder na die periode de financiën op orde heeft en heeft onderzocht of een schuldregeling mogelijk is.

Ten tweede kunt u (of uw collega van Sociale Zaken) schuldhulpverleners verplichten om na een zekere periode van schuldhulpverlening het dossier met een Wsnp-verzoek aan de insolventierechter voor te leggen. Ook hier geldt dat van schuldhulpverlening verwacht mag worden dat de financiën na die periode op orde zijn en dat duidelijk is of een schuldregeling mogelijk is.

Deze twee maatregelen kunnen het beste gecombineerd worden met een herijking van de toelatingseisen van de Wsnp. Gezien de enorme schuldenproblematiek is de tijd daar rijp voor. Een belangrijk obstakel voor velen is de voorwaarde (voor toelating tot de Wsnp) dat men gedurende vijf jaar te goeder trouw moet zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden. Waar de schuldsaneringsregeling in principe drie jaar duurt, levert dat een periode van acht jaar in totaal op. Die vijfjaarstermijn is historisch gezien terug te voeren op de algemene wettelijke termijn voor verjaring van vorderingen (van vijf jaar). Gedacht kan worden, gegeven de omvang van het schuldenprobleem, aan een kortere termijn voor de goede-trouw-toets. Bijvoorbeeld een termijn die inclusief de termijn van de Wsnp vijf jaar is met een mogelijkheid voor verlenging of uitzondering voor bepaalde fraude schulden en/of strafrechtelijke schulden. Er is een tweede aspect dat heroverweging verdient: de goede-trouw-toets is ingegeven door de gedachte dat geen misbruik van de wettelijke schuldsaneringsregeling gemaakt mag worden en dat het maatschappelijk draagvlak voor het kwijtschelden van schulden niet ondermijnd mag worden. Tegen die achtergrond kan gedacht worden aan een (sub)regel die inhoudt dat de goede-trouw-toets niet van toepassing is als desbetreffende schuldeiser instemde met een aanbod voor een minnelijke schuldregeling en/of met toelating tot de Wsnp; dit komt in de praktijk met enige regelmaat voor.

Ik hoop van harte dat u deze ideeën wilt onderzoeken en dat ook uw ministerie (aldus) wil bijdragen aan de bestrijding van de schuldenproblematiek.

Hoogachtend,

mr. B.J. Engberts

Rechter te Arnhem, voormalig voorzitter Recofa en medewerker van WSNP Periodiek

Deze brief is eerder gepubliceerd in WSNP-Periodiek

Een echtpaar organiseert een groot feest voor ruim 5000 euro. Maar wie betaalt de rekening? De ondernemer zelf zo oordeelt de kantonrechter van de rechtbank Overijssel. Betrokkenen stonden onder bewind en de ondernemer had dit kunnen weten. Ze stonden namelijk geregistreerd in het bewindregister. De uitspraak is in lijn met eerder gepubliceerde jurisprudentie. Het bewindregister biedt behoorlijke bescherming. Ondernemers wees gewaarschuwd.


   Foto: RyanMcGuire

Groot feest
Eind 2016 heeft een echtpaar aan een horecaondernemer opdracht gegeven voor een groot feest, met consumpties, een hapjesbuffet en een diner. Na het feest kwam de rekening: € 5.151, maar die kon het echtpaar niet betalen. De bewindvoerder van Findool BV raakt hier van op de hoogte en stelt zich op het standpunt de vordering niet te erkennen, omdat het echtpaar onder bewind stond en de horecaondernemer dit had kunnen weten. De bewindvoerder wordt gedagvaard en de kantonrechter oordeelde als volgt:

Het vonnis
Vooropgesteld dient te worden dat tussen eiseres en rechthebbenden afspraken zijn gemaakt voor een feestje te houden in het etablissement van eiseres en verzorgd door eiseres, alsmede dat die afspraken zijn gemaakt zonder medewerking van gedaagden. Eiseres kan rechthebbenden/gedaagden niet verwijten dat zij de overeenkomst is aangegaan zonder dat rechthebbenden hebben medegedeeld dat zij onder bewind stonden.
Rechthebbenden zijn immers onder bewind gesteld vanwege hun lichamelijke of geestelijke toestand omdat voldoende aannemelijk is geworden dat zij als gevolg van hun lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat zijn ten volle hun vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.

Ter bescherming van de belangen van derden wordt de uitspraak waarbij het bewind is ingesteld, gepubliceerd in het register en bestaat de mogelijkheid, ook voor eiseres, dat openbare register te raadplegen. Dat eiseres het openbare register in het onderhavige geval niet heeft geraadpleegd komt voor rekening en risico van eiseres.

Hierbij wordt opgemerkt dat het niet ging om een contante verkoop / koop van geringe waarde of om een koop betreffende het normale levensonderhoud maar om een feest met een waarde van € 5.151,85.
Met eiseres is de kantonrechter van oordeel dat het ondoenlijk is voor elke transactie van geringe waarde of het normale levensonderhoud betreffende het register te raadplegen, maar van een dergelijke transactie is hier dus geen sprake.
Een feest van een dergelijke omvang mag wellicht voor eiseres dagelijkse kost zijn, eiseres dient en diende echter wel te beseffen dat voor haar wederpartij een feest met een dergelijke omvang geen dagelijkse kost pleegt te zijn.
Eiseres had op eenvoudige wijze de identiteit van rechthebbenden kunnen vaststellen door bijvoorbeeld naar een identiteitsbewijs te vragen en vervolgens het register kunnen raadplegen om te zien of er sprake was van een bewind (of curatele).
Het door eiseres gedane beroep op de goede trouw faalt gelet op het vooroverwogene eveneens.

Conclusie is dat de rechtshandeling ongeldig is en de vordering afgewezen zal worden.

Bewindregister
Sinds 1 januari 2014 is het mogelijk om een onderbewindstelling vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand in te schrijven in het curatele- en bewindregister. Bij onderbewindstelling worden de volgende personen geregistreerd:

  • Bij onderbewindstelling vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand, wanneer de rechter daartoe heeft besloten. Dit kan op verzoek van de onderbewindgestelde, de bewindvoerder of
    ambtshalve door de rechter. De rechter maakt hierbij een afweging tussen privacy en de noodzakelijkheid.


Voordeel van publicatie van onderbewindstelling is dat de schuldeiser geacht
wordt op de hoogte zijn van het beschermingsbewind. De bewindvoerder kan zich er dan op beroepen dat de overeenkomst ongeldig is. Schuldeisers kunnen zich niet verhalen op de onder bewind gestelde goederen. Het einde van het bewind brengt hierin geen verandering.

Meer jurisprudentie
Er zijn inmiddels meer uitspraken waarbij succesvol een beroep op het bewindregister is gedaan. Twee voorbeelden:

NRC met I-Phone
Een onderbewindgestelde sluit een NRC-abonnement af inclusief levering van een i-Phone. De bewindvoerder wist van niets. Pas na een vonnis komt hij achter de nieuwe schuld. Het bewindregister biedt uitkomst. NRC had kunnen weten dat betrokkene onder bewind stond. De bewindvoerder gaat in verzet tegen het vonnis en de rechtbank Noord-Holland wijst alsnog de vordering af. >>>Uitspraak

Geboekte reis
Een onderbewindgestelde heeft een vliegreis geboekt voor zo’n  € 1500. Omdat de rekening niet werd betaald heeft Tui op het laatste moment de overeenkomst ontbonden en op basis van de algemene voorwaarden 90% van de reissom in rekening gebracht. Pas na een vonnis komt de bewindvoerder achter deze nieuwe schuld. Tui had vanwege inschrijving in het bewindregister kunnen weten dat betrokkene onder bewind stond. De bewindvoerder gaat in verzet tegen het vonnis en de rechtbank Noord-Holland wijst alsnog de vordering af. >>>Uitspraak

Jurisprudentie gevraagd
Heb je ook interessante jurisprudentie die niet op rechtspraak.nl is gepubliceerd, mail het naar info@schuldinfo.nl

Meer informatie
Rb Overijssel 17 april 2018, zaaknr.: 6507316\CV EXPL 17-3909
NRC-abonnement met i-Phone, geen verhaal mogelijk op onder bewind gestelde goederen
Aangaan geldlening wel geldige rechtshandeling, maar geen verhaal mogelijk op onder bewind gestelde goederen
Geboekte reis geen geldige rechtshandeling, geen derdebescherming, betrokkene staat in bewindregister
Vernietiging overeenkomst ivm curatele, niet raadplegen curateleregister komt voor eigen rekening
Achtergrondinfo beschermingsmaatregelen

Actueel

Troostgedicht door Boudewijn Betzema
19 oktober 2018

Fatal error: Call to undefined function md_clone_excerpt() in /var/www/vhosts/sallandsedialoog.nl/httpdocs/wp-content/themes/md-clone/archive.php on line 80