Een verzekerde moest het eigen risico van € 329,14 aan AnderZorg (onderdeel van Menzis) betalen. De verzekerde verzuimt € 0,14 en rente te betalen, met verhoging van incassokosten tot gevolg. AnderZorg, bijgestaan door deurwaarder LAVG dagvaardt betrokkene. De kantonrechter Den Haag maakt korte metten: de vordering is weliswaar rechtmatig maar niet fatsoenlijk. De vordering wordt bij verstek toegewezen maar de kosten worden afgewezen. Grote vraag is nu: gaat LAVG dit vonnis nog officieel aan betrokkene overhandigen en daarmee de vordering alsnog met kosten verhogen?

Wat vooraf ging
AnderZorg vordert, bijgestaan door LAVG, de veroordeling van X tot betaling van € 52,76, vermeerderd met de wettelijke rente over € 0,14 vanaf 28 maart 2019 en met de proceskosten.
X heeft bij AnderZorg een zorgverzekering afgesloten waarvoor een eigen risico geldt. AnderZorg heeft in 2018 een bedrag van € 329,14 aan medische kosten voor X betaald die onder het eigen risico vielen. LAVG heeft X op 27 december 2018 tot betaling van dit bedrag aangemaand (de veertiendagenbrief). X heeft € 329 betaald.
AnderZorg dagvaardt betrokkene voor een bedrag van € 0,14 verhoogd met incassokosten van € 48,40 en op wettelijke rente van € 4,22.

De kantonrechter oordeelt als volgt
Nu tegen gedaagde verstek is verleend, dient beoordeeld te worden of de vordering de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Dat is niet het geval, zodat de vordering op de hieronder te noemen wijze zal worden toegewezen.

Dat de vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, betekent niet dat de vordering van € 0,14 de kantonrechter ook fatsoenlijk voorkomt. De kantonrechter kan eiseres weliswaar niet het recht ontzeggen om een dergelijk gering bedrag in rechte te vorderen, maar dat laat onverlet dat het voeren van een gerechtelijke procedure, voor de inning van een objectief gezien zeer gering bedrag niet is bedoeld, mede gelet op de belasting van het gerechtelijk systeem.

Het voorgaande brengt met zich dat de in de veertiendagenbrief van 27 december 2018 aangezegde en in onderhavige procedure gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen. Gedaagde heeft immers de facto voldaan aan de aanmaning van de gemachtigde van eiseres door na het ontvangen van de veertiendagenbrief en vóór het uitbrengen van de dagvaarding het overgrote deel (ad € 329,-) van het verschuldigde bedrag te voldoen.

Nu de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen zal eiseres als grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde.

De beslissing

De kantonrechter:

  1. veroordeelt gedaagde om tegen bewijs van kwijting aan de eiseres te betalen de som van € 4,36 vermeerderd met de wettelijke rente over € 0,14 vanaf 28 maart 2019 tot de dag der voldoening;
  2. veroordeelt eiseres in de kosten van deze procedure aan de zijde van de gedaagde, tot aan deze uitspraak, begroot op nihil;
  3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
  4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Derijks, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2019.

Naschrift
De kantonrechter wijst terecht de gevorderde kosten af, maar kon helaas niet anders dan de zeer lage vordering wel toewijzen. Het is te hopen dat LAVG dit vonnis niet ook nog eens officieel aan betrokkene gaat overhandigen (betekenen) waardoor de vordering alsnog met € 95,29 aan kosten wordt verhoogd.
Opmerkelijk is ook dat AnderZorg als onderdeel van Menzis dit laat gebeuren. Menzis heeft immers het ethisch manifest van de schuldeiserscoalitie ondertekend. Er is nog veel werk aan de winkel.

Meer informatie
Rb Den Haag 15 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:5000
Achtergrondinfo deurwaarderskosten

Een schuld bij de zorgverzekeraar verjaart na een periode van vijf jaar. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer er vijf jaar niet is afgelost en er geen aanmaning is verstuurd. De vordering bestaat dan nog wel, maar is niet meer afdwingbaar. Er resteert een natuurlijke verbintenis. Er kan bijvoorbeeld geen loonbeslag worden gelegd. Mocht je op deze vordering betalen dan heb je dat echter niet onverschuldigd gedaan. Je kunt het betaalde geld niet terugvorderen. Het Zilveren Kruis gebruikt de aanmelding bij het CAK als drukmiddel om een betalingsregeling af te dwingen. De Geschillencommissie van de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen oordeelt als volgt.


Wat vooraf ging
X heeft een achterstand bij Zilveren Kruis ad. € 3.633,60 die betrekking heeft op de periode 14 juli 2006 tot 1 december 2009. Het Zilveren Kruis heeft X met ingang van 1 april 2010 als wanbetaler aangemeld bij het toenmalige CVZ. Omdat de zorgverzekeraar de verjaring van de betreffende vordering niet tijdig heeft gestuit, is deze op 1 december 2014 verjaard.
X vraag de zorgverzekeraar om hem met terugwerkende kracht tot 1 december 2014 af te melden als wanbetaler bij het CAK. De zorgverzekeraar is hiertoe niet bereid. Het beleid van de zorgverzekeraar is dat verjaarde vorderingen niet worden kwijtgescholden, maar open blijven staan als natuurlijke verbintenis. De zorgverzekeraar leidt uit de Zorgverzekeringswet af dat een verzekerde afgemeld moet worden indien alle uit de zorgverzekering voortvloeiende schulden zijn betaald of teniet zijn gegaan. De zorgverzekeraar is van mening dat ook een verjaarde vordering is te beschouwen als een vordering die voortvloeit uit de zorgverzekering.

Zilveren Kruis heeft aan X nog het voorstel gedaan om voor de openstaande vordering van € 3.633,60 een betalingsregeling af te spreken. Indien X gedurende 36 maanden een bedrag van € 75,– per maand betaalt, zal het restant (€ 933,60) worden kwijtgescholden. Met dit voorstel is X niet akkoord gegaan.

X heeft een klacht ingediend bij de Geschillencommissie van de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen. De geschillencommissie oordeelt als volgt:

Beoordeling
Een vordering als de onderhavige verjaart vijf jaren na het opeisbaar worden daarvan (artikel 3:307 BW). Dit is slechts anders indien de schuldeiser de verjaring tijdig heeft gestuit (artikel 3:317 BW). Vast staat dat de zorgverzekeraar de verjaring van de vordering van € 3.633,60 niet tijdig heeft gestuit. Anders dan verzoeker lijkt te veronderstellen, ontstaat door de verjaring voor de zorgverzekeraar geen verplichting de vordering kwijt te schelden. De verjaarde vordering blijft als een natuurlijke verbintenis bestaan en de zorgverzekeraar houdt onder andere zijn bevoegdheid tot verrekening (artikel 6:131 BW). Dit wordt de ‘zwakke werking’ van de verjaring genoemd. Het feit dat sprake is van een natuurlijke verbintenis maakt tevens dat indien verzoeker de vordering ooit alsnog zou voldoen, de betaling niet onverschuldigd geschiedt (en het bedrag zou moeten worden teruggestort). 

Kenmerk van een natuurlijke verbintenis is dat deze rechtens niet afdwingbaar is. Met dit laatste als uitgangspunt is het niet passend een aanmelding als wanbetaler bij het CAK in stand te laten. Indien dit namelijk wel het geval zou zijn, kan de betrokken verzekerde alleen worden afgemeld als ook de verjaarde vordering wordt voldaan. Daarmee wordt de aanmelding als wanbetaler bij het CAK oneigenlijk gebruikt. Dit geldt te meer omdat een verzekeraar op grond van artikel 34a, tweede lid, Zvw verplicht is inspanningen tot incasso te verrichten. Hierin is de zorgverzekeraar nalatig geweest, aangezien de verjaring van de vordering niet tijdig is gestuit. Denkbaar is dat een dergelijke nalatigheid alleen de zorgverzekeraar treft, in die zin dat het recht op de bijdrage vervalt. Naar verzoeker toe zou dit niet redelijk zijn. Hij zou dan – door middel van de hogere bestuursrechtelijke premie – moeten bijdragen aan de uitvoeringskosten van een compensatieregeling waarvan de zorgverzekeraar in zijn specifieke geval geen gebruik (meer) mag maken. 

Uit het voorgaande in samenhang met artikel 18d Zvw kan worden geconcludeerd dat de wetgever heeft beoogd te regelen dat indien alle opeisbare vorderingen zijn voldaan afmelding als wanbetaler plaatsvindt. Omdat een natuurlijke verbintenis niet is aan te merken als een opeisbare vordering en daarnaast geen sprake is van andere opeisbare vorderingen, kan de zorgverzekeraar de aanmelding van verzoeker als wanbetaler bij het CAK niet in stand houden. Om die reden dient de zorgverzekeraar verzoeker met terugwerkende kracht af te melden als wanbetaler bij het CAK. Dit tot de datum waarop het jongste deel van de vordering is verjaard. Niet in geschil is dat dit de premie voor de maand november 2009 is. De gehele vordering is daarom verjaard op 1 december 2014. De zorgverzekeraar dient verzoeker met terugwerkende kracht tot die datum af te melden als wanbetaler bij het CAK en de voor verzoeker hiermee gepaard gaande financiële gevolgen ongedaan te maken. Dit betekent dat de zorgverzekeraar verzoeker dient te vergoeden al hetgeen vanaf 1 december 2014 door of namens het CAK in het kader van de bestuursrechtelijke premieheffing als bedoeld in artikel 18d Zvw is geheven en (wordt) geïnd. Een en ander voorzover het CAK de bestuursrechtelijke premie niet restitueert. Daartegenover is verzoeker gehouden aan de zorgverzekeraar alsnog de nominale premie voor de zorgverzekering te voldoen – voor zover dat nog niet heeft plaatsgevonden – over de periode vanaf 1 december 2014. Immers, ingevolge artikel 16, tweede lid, onder b, Zvw is geen premie verschuldigd gedurende de periode dat een bestuursrechtelijke premie verschuldigd is.

Conclusie
Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek dient te worden toegewezen, in die zin dat de zorgverzekeraar gehouden is verzoeker met terugwerkende kracht tot 1 december 2014 af te melden als wanbetaler bij het CAK en de financiële gevolgen van de aanmelding ongedaan te maken, althans voor zover het CAK de betaalde bestuursrechtelijke premie niet restitueert.

Hardleers
Het Zilveren Kruis heeft de werkwijze nog niet aangepast zo blijkt uit de volgende brief die een klant op 24 april 2019 van LAVG heeft ontvangen.

Geachte heer/mevrouw

We hebben van onze opdrachtgever vernomen dat de vordering verjaard is. Echter zal het Zilveren Kruis de vordering niet afboeken. Mocht u zijn aangemeld bij het CAK, dan wordt u hier niet afgemeld. Om deze reden willen wij graag voor de openstaande vordering een betalingsregeling met u afspreken.

Gezien de hoogte van het openstaande saldo kunnen wij akkoord gaan met een minimale betalingsregeling van € 35 per maand. De betalingsregeling heb ik al voor u ingevoerd in ons systeem. In de bijlage treft u de bevestiging van de betalingsregeling.

Wij vertrouwen erop u voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

Op basis van de uitspraak van de geschillencommissie kan in deze situatie om afmelding bij het CAK met terugwerkende kracht worden gevraagd en tevens om restitutie van de teveel betaalde premie.

Meer informatie
Bindend advies SKGZ 6 maart 2019, nr. 201801598
Achtergrondinfo verjaring
Achtergrondinfo zorgverzekering

Regelmatig komt het voor dat tijdens een minnelijk traject schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsanering (wsnp) beschermingsbewind wordt ingezet. Onderbewindstelling is dan nodig voor het welslagen van het traject. Maar wie betaalt de bewindvoerder? Dient hiervoor bijzondere bijstand te worden verstrekt of komt dit ten laste van de betalingscapaciteit zodat schuldeisers minder krijgen?


Bijzondere bijstand
Voor kosten beschermingsbewind kun je bijzondere bijstand aanvragen wanneer je over onvoldoende draagkracht beschikt. Eerder berichten we op SchuldInfo dat voor deze draagkrachtberekening bij loonbeslag uitgegaan moet worden van het feitelijk lager inkomen, na beslagafdracht. Tijdens de wsnp en de minnelijke schuldhulpverlening beschik je ook over een lager inkomen, namelijk het vrij te laten bedrag. Geldt dan hetzelfde, of moet je voor de kosten van het beschermingsbewind om verhoging van het vrij te laten bedrag verzoeken?

Correctie tijdens wsnp
Als het beschermingsbewind noodzakelijk is en er vanwege het inkomen geen bijzondere bijstand mogelijk is, dan is een correctie mogelijk op het ‘vrij te laten bedrag’, zo lezen we in het vtlb-rapport:

5.7 Correctie voor kosten budgetbeheer, budgetbegeleiding en beschermingsbewind
Kosten voor budgetbeheer, budgetbegeleiding en beschermingsbewindvoering dienen te worden betaald uit het vtlb. De rechter-commissaris kan een correctie toestaan in het nominaal bedrag, als de maatregel noodzakelijk wordt geacht voor een goed verloop van de regeling en de schuldenaar gezien zijn inkomen niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand.
 

De CRvB heeft eerder geoordeeld over een situatie waarbij het college bijzondere bijstand voor kosten bewindvoering heeft verleend met daaraan verbonden de verplichting om  binnen 15 dagen de wsnp-bewindvoerder te verzoeken om een grotere vrijlating van zijn inkomsten vanwege de kosten van beschermingsbewind. Volgens de CRvB kan het college deze verplichting opleggen. “Dat het gevolg geven aan die verplichting met zich meebrengt dat er minder overblijft voor de schuldeisers speelt in het kader van de bijstandsverlening geen rol.”

Minnelijke schuldhulpverlening
Voor de minnelijke schuldhulpverlening wordt in de praktijk, waar mogelijk, zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het vtlb-rapport. Moet het ‘vrij te laten bedrag’ dan ook worden verhoogd met de kosten van beschermingsbewind? De CRvB oordeelt in een uitspraak van 9 april 2019 als volgt:

“Betrokkene neemt deel aan een (buitenwettelijk) minnelijk schuldhulpverleningstraject en beschikt in dat kader over een door zijn schuldhulpverlener vastgesteld vrij te laten bedrag van zijn inkomen. Met het verschil tussen het inkomen en dat vrij te laten bedrag worden de schulden van betrokkene afgelost. Betrokkene heeft daartoe met de Stichting Kredietbank Nederland (Kredietbank) een schuldregelingsovereenkomst gesloten op grond waarvan hij verplicht is zijn volledige inkomen boven het vastgestelde vrij te laten bedrag over te maken aan de Kredietbank. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij het sluiten van die overeenkomst niet een hoger vrij te laten bedrag had kunnen bedingen, zodanig dat hij daaruit de kosten van bewindvoering zelf kan voldoen uit zijn inkomen. Uit de brief van X van de Kredietbank van 8 maart 2016 blijkt ook dat de kosten van beschermingsbewind als correctiepost kunnen worden opgevoerd bij de berekening van de afloscapaciteit. Dat een eventuele verhoging van het vrij te laten bedrag ten koste gaat van de aflossingscapaciteit en dat schuldeisers hierdoor mogelijk niet bereid zijn mee te werken aan de minnelijke regeling, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, speelt de omstandigheid dat minder overblijft voor schuldeisers na verhoging van het vrij te laten bedrag geen rol in het kader van bijstandsverlening.”

Kortom: volgens de CRvB had betrokkene bij het sluiten van de overeenkomst bij de Kredietbank maar een hoger ‘vrij te laten bedrag’ moeten bedingen. De CRvB legt de verantwoordelijkheid hiervan wel erg makkelijk bij betrokkene neer. Het is van belang om te realiseren dat ook schuldhulpverlening en de uitvoering hiervan door de Kredietbank, onder verantwoordelijkheid van het college van B&W plaatsvindt en dat het ‘vrij te laten bedrag’ in de praktijk eenzijdig door schuldhulpverlening wordt vastgesteld. De overweging “had bij overeenkomst kunnen bedingen” is slechts een theoretisch construct. Waarom heeft de Kredietbank zelf geen rekening gehouden met de kosten van beschermingsbewind?

Hoe te handelen?
Met de uitspraak van de CRvB in het achterhoofd is het voor bewindvoerders verstandig om als volgt te werk te gaan: Verzoek de afdeling schuldhulpverlening om bij het ‘vrij te laten bedrag’ rekening te houden met de kosten voor beschermingsbewind en dien tegelijkertijd een aanvraag bijzondere bijstand in. Linksom of rechtsom zullen de kosten moeten worden voldaan.

Penny wise, pound foolish
Gemeenten moeten zich bij het nemen van een besluit wel realiseren dat de kans van slagen van een minnelijk traject afhangt van het concrete voorstel dat aan de schuldeisers wordt gedaan. Wanneer de kosten van beschermingsbewind er toe leidt dat aan de schuldeisers vrijwel geen reëel voorstel kan worden gedaan is het niet verstrekken van bijzondere bijstand “penny wise, pound foolish”.
 

Meer informatie
CRvB 9 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1304
CRvB 11 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP0483
Bijzondere bijstand als vangnet, ook bij loonbeslag!
Is loonbeslag het gevolg van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid?

21 april 2019 - Schuldinfo

Jaarlijks raken duizenden Nederlanders, waaronder veel kinderen, in armoede en schulden door de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Sociaal raadslieden zien schrijnende gevallen van alleenstaande ouders die in de problemen raken doordat ze volgens deze toeslagenwet toch echt een fiscaal partner hebben ‘met voldoende inkomen’. Dat heeft directe gevolgen voor het recht óp en de hoogte ván toeslagen. Toeslagen zijn voor gezinnen met een laag inkomen een substantieel onderdeel van het inkomen. Het missen van toeslagen leidt direct tot financiële problemen. De Landelijk Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR) en Sociaal Werk Nederland doen in het rapport Toeslagpartners Tegen Wil en Dank aanbevelingen, en vragen de minister om de wet aan te passen.

Zonder toeslagen is er in principe immers geen sociaal minimum voor deze doelgroep. Want als je niet samen met een partner de dagelijkse huishouding voert, maar fiscaal wél zo behandeld wordt, mis je een deel van dat substantiële inkomen uit toeslagen.

Aan de andere kant zien sociaal raadslieden ook situaties waarbij een van de gehuwde partners met het grote probleem zit dat de andere partner niet kan bijdragen aan het gezin. Bijvoorbeeld partners van gedetineerden, mensen met een partner in het buitenland of in een verpleeghuis.

Onterecht gezien als toeslagpartner
Als het mis gaat is er vaak sprake van burgers die volgens de fiscale regels een partner hebben, maar die met deze partner niet daadwerkelijk hun dagelijkse zorg en lasten kunnen delen (zorgverzekering, kosten van levensonderhoud van kinderen, huur). Deze burgers worden door de Belastingdienst vervolgens ten onrechte als toeslagpartners gezien.

Twee categorieën toeslagpartner leveren in de uitvoering problemen op
1) Ongehuwden die samenleven met een niet-gemeenschappelijk minderjarig kind zijn volgens de Belastingdienst fiscale en toeslagpartners. Het ingeschreven staan van een minderjarig kind op hetzelfde adres in het BRP is voldoende om te stellen dat sprake is van toeslagpartnerschap. Deze uitbreiding van het partnerbegrip is bedacht om te voorkomen dat ongehuwd samenwonenden met (een) kind(eren) uit een eerdere relatie in samengestelde gezinnen, dubbele fiscale voordelen zouden krijgen. Maar onder de nieuwe definitie blijkt uiteindelijk een veel grotere groep te vallen dan bedoeld.

Alleenstaande ouders die door andere omstandigheden dan het bewust stichten van een nieuw gezin met andere volwassenen zijn gaan wonen, worden financieel hard getroffen. Het betreft meestal alleenstaanden die uit een scheiding of huiselijk-geweld-situatie komen. Zij vinden opvang op eigen kracht en/of in hun eigen netwerk, maar ze verliezen vervolgens de toeslagen die zij ontvangen voor hun kinderen en een deel van hun zorgtoeslag. Daarmee raken ze een groot deel van hun noodzakelijke inkomen kwijt. Aangezien bij de andere meerderjarige inwoner(s) geen sprake is van een onderhoudsplicht, kunnen deze alleenstaande ouders het verliezen van toeslagen nergens aanvechten c.q. compenseren.

2) Tegelijkertijd leidt het strengere toeslagpartnerbegrip tot problemen bij mensen die getrouwd zijn maar die (noodgedwongen) niet (kunnen) samenwonen. Het gehuwd zijn betekent dat er sprake is van toeslagpartnerschap met alle gevolgen van dien. Mensen komen in de problemen doordat ze nog gekoppeld zijn aan een partner, terwijl deze geen (financiële) bijdrage meer levert aan het gezin.

Aanbevelingen

  • Verwijs in de Wet IB 2001 en in de Awir nadrukkelijk naar de Hardheidsclausule van art 63 AWR voor gevallen waarin geen sprake is van een samengesteld gezin of voor gehuwden die noodgedwongen moeten leven als waren zij niet gehuwd.
  • Wijzig artikel 1 lid sub e van de Awir en art 1 lid 2 aanhef sub e Wet IB 2001.
  • Maak het ook voor gehuwden mogelijk om niet meer als toeslagpartner aangemerkt te worden op het moment dat een van de partners opgenomen wordt in een verpleeghuis.
  • Partners in het buitenland die niet als kwalificerend belastingplichtigen kunnen worden aangemerkt moeten worden opgenomen in de uitzonderingen van het partnerschapbegrip.

Meer informatie
Toeslagpartners tegen wil en dank

Deurwaarders zijn onderworpen aan tuchtrechtspraak, uitgevoerd door de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders en in hoger beroep door het Hof Amsterdam. Hierbij een selectie van uitspraken gepubliceerd in de maanden januari t/m maart 2019.

Dreigen met controle en ophouden aan grens
Een deurwaarder stuurt aan zijn debiteuren de volgende brief:
“Gaat u binnenkort nog op vakantie?
Om er onbezorgd van te gaan genieten adviseer ik u voor vertrek te checken of u nog openstaande rekeningen heeft.
Niets is zo vervelend als oponthoud bij de grensovergang of op weg naar uw binnenlandse vakantiebestemming.
X is namelijk bevoegd – namens haar opdrachtgevers – om beslag te leggen op uw voertuig en/of caravan.
Voorkom extra kosten én vakantiestress en betaal uw openstaande rekeningen daarom direct .”

Deze brief die door de deurwaarder aan klager en andere debiteuren is gestuurd is in strijd met artikel 8 beroeps- en gedragsregels. Het dreigen met controle en ophouden aan de grens zijn maatregelen die buiten de bevoegdheden van een deurwaarder vallen en die in het onderhavige geval ongepast is, nu op het inkomen van klagers al jaren loonbeslag ligt en het niet voor de hand ligt dat zij op vakantie zouden kunnen gaan. Maatregel boete ad. € 1000 opgelegd. >>>Uitspraak

Bankbeslag op gemeenschappelijke rekening niet aan echtgenoot betekend
Wanneer bankbeslag wordt gelegd moet binnen 8 dagen het beslag worden overbetekend aan de schuldenaar. Dat klager geen belang had bij betekening omdat hij al wist van het beslag doet niet al aan het wettelijk vereiste te betekenen. Beslag had ook aan klager betekend moeten worden aangezien het een schuld van de echtgenote betrof en beslag werd gelegd op een gemeenschappelijke rekening. Maatregel: berisping. >>>Uitspraak

Bankbeslag terecht niet overbetekend omdat het al was opgeheven
De deurwaarder heeft het gelegde bankbeslag niet overbetekend. Het beslag was binnen de termijn van art 475i Rv (8 dagen) al opgeheven zodat betekening geen zin meer had. Uit kostenoverwegingen heeft de deurwaarder dit nagelaten. Niet tuchtrechtelijk laakbaar. >>>Uitspraak

Te snel beslagleggen en de overbetekening van twee beslagen niet samenvoegen
De deurwaarder heeft niet binnen een redelijke termijn op de e-mail van klager van 4 mei 2017 gereageerd. Er waren voldoende aanwijzingen voor de deurwaarder aanwezig dat klagers welwillend waren om het juiste verschuldigde bedrag te betalen. De deurwaarder heeft echter pas na de gelegde beslagen goed naar de overgelegde bewijzen van klagers gekeken. De deurwaarder heeft zich in deze te veel laten leiden door zijn opdrachtgever en heeft onvoldoende getoond dat hij een eigen verantwoordelijkheid heeft. De deurwaarder heeft erkend dat in het exploot van betekening en bevel ten onrechte de wettelijke handelsrente is berekend in plaats van de wettelijke consumentenrente. Klagers hadden dit reeds eerder per e-mail aan de deurwaarder kenbaar gemaakt. Volgens vaste tuchtrechtspraak geldt dat als een ambtshandeling bij één exploot kán worden gedaan, dan behoort deze in beginsel ook bij één exploot te worden gedaan. Los van de vraag of de deurwaarder redelijkerwijs al tot de beslagleggingen had moeten overgaan en de vraag of daar dan direct twee beslagleggingen met de daaraan verbonden kosten voor nodig waren, dan nog hadden deze beide beslagen bij één exploot aan klager betekend moeten worden, althans dan had er voor beiden exploten maar éénmaal de kosten aan klager doorberekend mogen worden. Klacht gegrond, geldboete € 750. >>>Uitspraak

Deurwaarder weigert beslag op auto op te heffen
Openbare verkoop van auto is niet doorgegaan. De deurwaarder weigert echter het beslag op de auto op te heffen. Beslag laten liggen op auto zonder het doel deze openbaar te verkopen is klachtwaardig. Er wordt geen maatregel opgelegd. >>>Uitspraak

Verkoop inboedel zonder advertentie en aanslaan biljet
Ten aanzien van de verkoop van de inbeslaggenomen roerende zaken overweegt de Kamer dat de aankondiging van de verkoop via een biljet aangeslagen dient te worden en dat een advertentie geplaatst moet worden in een dagblad indien de verwachte opbrengst van de verkoop boven € 180,00 ligt. Dit is ten onrechte niet gebeurd.
Bovendien heeft klager het bewijs aangeboden in de vorm van verklaringen en een video, dat goederen in beslag zijn genomen die niet aan hem toebehoorden, overweegt de Kamer dat klager bewijs heeft aangeboden in de vorm van verklaringen en een video-opname. De deurwaarder had dit concrete bewijsaanbod niet zonder nadere onderbouwing terzijde mogen schuiven.
Nu bij het inzetten van een ingrijpend middel zoals beslaglegging van de deurwaarder uiterste zorgvuldigheid mag worden verwacht en die zorgvuldigheid hier niet in acht is genomen wordt als maatregel een geldboete ad. € 500 opgelegd. >>>Uitspraak

Betalingsregeling afdwingen terwijl inkomen onder de beslagvrije voet
Naar het oordeel van de kamer heeft de deurwaarder oneigenlijke druk op klaagster uitgeoefend door aan haar de brief van 11 november 2016 te versturen waarin wordt gedreigd met executiemaatregelen in de vorm van beslag op en het verkopen van haar inboedel, of haar auto indien zij niet voldoet aan een betalingsregeling van € 50,- per maand. Door aan klaagster, onder dreiging van beslag dat waarschijnlijk niets oplevert, een betalingsregeling aan te bieden waardoor het inkomen van klaagster, zoals de deurwaarder op dat moment wist of in ieder geval had kunnen weten onder de beslagvrije voet kwam te liggen, maakt de deurwaarder misbruik van recht. Maatregel van berisping opgelegd. >>>Uitspraak

Te late aanpassing beslagvrije voet van alleenstaand naar samenwonend
Deurwaarder had beslagvrije voet van alleenstaande naar samenwonende moeten wijzigen, naar aanleiding van melding klager dat hij een partner had. Aanpassing na drie en halve maand is te laat, ook al waren bewijsstukken nog niet ontvangen.  De door de deurwaarder opgevraagde onderliggende stukken dienden ten behoeve van het aantonen van het inkomen en van de uitgaven van klager, maar niet om aan te tonen dat klager een partner had. >>>Uitspraak

Te late aanpassing beslagvrije voet
Klaagster heeft op 23 december 2016 het formulier voor de beslagvrije voet geretourneerd. De deurwaarder heeft daar pas op 31 januari 2017 op gereageerd. Dit heeft te lang geduurd. Klaagster is hierdoor in financiële problemen geraakt. Maatregel berisping opgelegd. >>>Uitspraak

Uit loonbeslag ontvangen geld zonder controle doorstorten aan opdrachtgever
De kamer acht het tuchtrechtelijk laakbaar dat de deurwaarder de uit het beslag ontvangen gelden gelijk aan de opdrachtgeefster heeft doorgestort zonder te controleren of het UWV rekening had gehouden met de nieuwe beslagvrije voet. De kamer is van oordeel dat het aan de deurwaarder was om het teveel geïnde bedrag direct aan klager te storten. Het heeft in dit geval te lang geduurd voordat klager het geld waar hij recht op had heeft ontvangen. Klacht gegrond, maatregel van berisping. >>>Uitspraak
 

Niet reageren op verzoek om informatie door schuldhulpverlening
Gebleken is dat de deurwaarder niet accuraat gereageerd heeft op verzoeken om informatie van de gemachtigde, de schulphulpverlener van klaagster. Er is vier keer om een overzicht van de verdeling van de opbrengsten van het loonbeslag verzocht. De deurwaarder heeft hierop niet gereageerd. De gemachtigde had deze informatie nodig voor het in kaart brengen van de omvang van de schulden.  De kamer legt als maatregel een berisping op. >>>Uitspraak

Te snel beslagleggen
De deurwaarder had moeten reageren op betalingsvoorstel van klager alvorens beslag te leggen op het salaris van de echtgenote van klager. De deurwaarder heeft te hoge nakosten berekend. Onheuse bejegening niet aangetoond. Maatregel van berisping opgelegd. >>>Uitspraak

Niet houden aan afspraak over incassokosten
Deurwaarder heeft zich niet gehouden aan de afspraak dat klaagster de incassokosten niet hoefde te betalen indien zij de vordering op 23 november 2015 zou betalen en bezwaar zou maken tegen de incassokosten. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder ongegrond verklaard. Het hof is, anders dan de kamer, van oordeel dat de klacht gegrond is. Het hof vernietigt de bestreden beslissing, verklaart de klacht gegrond en legt de deurwaarder de maatregel van waarschuwing op. Kostenveroordeling behandeling van de klacht ad. € 3000. >>>Uitspraak

Aandelen DAS in deurwaarderskantoor
Klacht van Nederlandse Belangenvereniging voor Gerechtsdeurwaarders (Deurwaardersbelangen.nu) over participatie van DAS in gerechtsdeurwaardersorganisaties. De deurwaarders wordt samengevat verweten dat zij niet voldoen aan het bepaalde in de Verordening onafhankelijkheid 2010. Bij constructies waarin de derde weliswaar voor 49% minderheidsaandeelhouder is, maar door preferentie op de aandelen een winstrecht heeft van bijna 100%, is er geen sprake van (slechts) ‘enige’ vorm van betrokkenheid. In de praktijk zal het optreden van de deurwaarders blootstaan aan de invloed van deze grote particuliere belangen.
Klacht gegrond, geen maatregel opgelegd. >>>Uitspraak

Belangenverstrengeling
De deurwaarder heeft de schijn van belangenverstrengeling gewekt door medewerker van incassokantoor bij de deurwaarder te laten werken. Incassokantoor en deurwaarder onvoldoende onafhankelijk van elkaar. Maatregel van berisping opgelegd. >>>Uitspraak

Oproep e-Court is geen ambtshandeling
Een oproep bij exploot voor e-Court kan niet gekwalificeerd worden als een ambtshandeling. Klacht gegrond. Geen maatregel, omdat er door de notitie van de eigen beroepsorganisatie in 2016 mogelijk wel verwarring is ontstaan bij de gerechtsdeurwaarder over de vraag wat er in deze is toegestaan. >>>Uitspraak
Zie ook: LOSR wint rechtszaak: deurwaarder mag geen kosten berekenen voor oproepen voor e-Court

Extra aflossing wordt door systeem niet herkend
Klagers hebben een extra aflossing gedaan en hadden de gerechtvaardigde veronderstelling dat vordering was voldaan en beslag niet meer bestond. Dat het geautomatiseerde systeem van de deurwaarder de extra aflossing niet heeft herkend kan klagers niet worden tegengeworpen. Maatregel waarschuwing opgelegd. >>>Uitspraak

Naast beslag op inkomen ook beslag op inboedel leggen
Een beslag op het inkomen staat, in beginsel, het beslag op roerende zaken niet in de weg. Het staat de deurwaarder ook vrij om met klagers een betalingsregeling overeen te komen om ze op deze manier de gelegenheid te bieden het beslag op roerende zaken te voorkomen. Uit de aangeleverde stukken is verder niet gebleken dat er sprake is geweest van het uitoefenen van dwang of oneigenlijke druk. Het niet afwachten van een schuldsaneringstraject door een deurwaarder is in het algemeen niet tuchtrechtelijk laakbaar. Anders dan klagers menen te hebben begrepen uit de aankondiging beslaglegging, heeft de deurwaarder klagers slechts gewezen op de mogelijkheid voor hem binnen te treden op grond van art 444 Rv. Het als zodanig opnemen in de aankondiging is niet tuchtrechtelijk laakbaar, ook al kan dit mogelijk dreigend over komen. De koelkast en wasmachine maken vooralsnog geen deel uit van de lijst van objecten waar op grond van artikelen 447 en 448 Rv beslagverbod op rust. Klacht ongegrond. >>>Uitspraak

Beslagvrije voet met kostgeld verlagen?
Over de vraag of kostgeld moet worden gezien als inkomen in de zin van art 475 d lid 6 Rv wordt verschillend gedacht.Niet kan worden gesteld dat het in het algemeen onjuist is om kostgeld als inkomen te zien bij het vaststellen van de beslagvrije voet. Klacht ongegrond >>>Uitspraak

 
Advocaat heeft geen machtiging nodig
De klacht betreft het verstrekken van gegevens aan een advocaat die voor een debiteur optreedt. De kamer overweegt dat indien duidelijk is dat de aanvraag door een advocaat wordt gedaan, er geen machtiging nodig is om de gevraagde gegevens te verstrekken. De klacht wordt gegrond verklaard. Maatregel van berisping opgelegd. >>>Uitspraak
 

Niet zeuren
De door klager gestelde bejegening heeft de deurwaarder niet betwist. De kamer gaat er dan ook van uit dat tegen klager is gezegd dat hij “niet zo moet zeuren”. De klacht is op dit onderdeel terecht voorgesteld, omdat dit niet de manier is waarop een goed gerechtsdeurwaarder zich zou moeten gedragen. Klacht gegrond, geen maatregel. >>>Uitspraak

Meer informatie
Overzichten tuchtrechtspraak deurwaarders
Website tuchtrechtspraak 

31 maart 2019 - Schuldinfo

Wanneer een meeverzekerd kind 18 jaar wordt moet hij volgens de Zorgverzekeringswet zelf premie gaan betalen. Veel zorgverzekeraars gaan er vanuit dat als het meerderjarig geworden kind niets onderneemt, hij zowel voor de basis- als de aanvullende verzekering, bij zijn ouders verzekerd blijft. Het hof Den Bosch oordeelt echter anders. Meeverzekerd zijn kan alleen met nadrukkelijke toestemming van de ouders. VGZ kon, vanwege het ontbreken van deze toestemming, de premie niet op de ouders verhalen.


Wat vooraf ging

De zoon van X is op 15 mei 2011 18 jaar geworden. Tot 1 juni 2011 was de zoon als minderjarige gratis meeverzekerd op de polis van X. Vanaf 18 jaar dient hij zelf een verzekering af te sluiten en de premie te betalen.
VGZ heeft daartoe de zoon bij brief van 26 april 2011 aangeschreven. In deze brief staat onder meer:

Zelfstandig verzekerd
Volgens de Zorgverzekeringswet ga je premie betalen vanaf de maand volgend op die waarin je 18 jaar wordt. Dit geldt voor zowel de VGZ Zorgverzekering als de aanvullende
verzekering. (…)
Doe je niets, dan blijf je ook prima verzekerd. Je houdt dan je huidige aanvullende verzekering.

Omdat de zoon van X na deze brief niets van zich heeft laten horen heeft VGZ de zoon bijgeschreven op de polis van X.
Bij brief van 19 november 2012 heeft X VGZ verzocht zijn zoon van de polis te halen. Per 1 december 2012 heeft VGZ de zoon van de polis gehaald.
VGZ stelt dat X als hoofdverzekerde op de polis gehouden is tot betaling van de verzekeringspremies. VGZ vordert onder meer € 1.085,50 in verband met niet betaalde premie voor de zoon.

Het hof oordeelt als volgt
Dat het volgens VGZ gebruikelijk is een minderjarige na het meerderjarig worden bij te schrijven op de polis van (één van) de ouders maakt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet dat deze ouder daarvoor toestemming heeft gegeven. Evenmin kan deze gestelde gebruikelijke gang van zaken, eveneens zonder nadere toelichting die ontbreekt, leiden tot een verplichting tot betaling van de verzekeringspremies van de meerderjarige door de ouder. Zoals VGZ zelf in haar brief aan de zoon van X schrijft is hij vanaf zijn 18e zelfstandig verzekerd. Daarmee is de zoon ook zelf gehouden tot betaling van de verzekeringspremies.
Anders dan VGZ betoogt kan uit de enkele erkenning van X dat zijn zoon van 1 juni 2011 tot 1 december 2012 bij hem op de polis heeft gestaan geen, al dan niet stilzwijgende, toestemming voor de bijschrijving worden afgeleid. Bovendien kan uit deze erkenning ook geen grondslag voor een betalingsverplichting aan de zijde van X voor de verzekeringspremies van zijn zoon worden afgeleid.

Dat X pas bij brief van 19 november 2012 heeft gevraagd zijn zoon van de polis te halen kan niet tot een ander oordeel leiden. Op het moment dat X op de polis van 2013 zag dat zijn zoon bij hem op de polis stond, heeft hij verzocht tot verwijdering van zijn zoon van de polis. Daarmee erkent X geen verschuldigdheid van de verzekeringspremies van zijn zoon over de voorliggende periode.

Naschrift
Een veelvoorkomend probleem in de praktijk is dat de zorgverzekeraar niet bereid is om een meerderjarig geworden kind van de polis van de ouder te halen, voordat het kind zelf een zorgverzekering heeft afgesloten. Op zich wel begrijpelijk, het kind moet immers ook verzekerd zijn. Aan de andere kant beschikt de ouder mogelijk niet over het inkomen, w.o. de zorgtoeslag, om deze premie te kunnen betalen. Als de ouder onder bewind staat, zal de bewindvoerder om splitsing vragen. Met het hier vermeld arrest in de hand zal dat een stuk makkelijker gaan, al is het wel verstandig om te proberen er ook voor te zorgen dat het kind zelf verzekerd wordt.

Meer informatie
Hof Den Bosch 26 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1147
– Zie ook: Rb Amsterdam 16 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:322
Achtergrondinfo schulden uit zorgverzekering

25 maart 2019 - Schuldinfo

Wanneer een betalingsregeling is getroffen en een betaling niet op tijd plaatsvindt, komt in veel gevallen de regeling te vervallen en wordt de vordering in z’n geheel opeisbaar. Reden om te dagvaarden. Maar met een dagvaarding, vonnis en beslag lopen de kosten alleen maar verder op, terwijl daar nu juist geen geld voor is. Een kantonrechter van rechtbank Midden-Nederland moest oordelen over een achterstand bij Ditzo, een merknaam van ASR. De betalingsregeling werd weliswaar niet altijd stipt nagekomen, maar betrokkene hield wel contact hierover en deed z’n best. Volgens de kantonrechter is ASR de procedure onnodig begonnen en zijn er onnodig kosten gemaakt.


De kantonrechter overweegt het volgende.

De dagvaarding en de nadien opgestelde specificatie van de vordering wijken van elkaar af. De kantonrechter oordeelt dat ASR haar dagvaarding onvoldoende correct heeft geformuleerd.

Tijdens de zitting is gebleken dat X, die een beperkt inkomen heeft, steeds zo goed en kwaad als het ging zijn betalingsverplichtingen jegens ASR is nagekomen. Daar zat soms enige vertraging in, dat is zeker waar, maar uit de WhatsApp-gesprekken volgt dat X bij vertraging steeds contact opnam met ASR. X heeft, met andere woorden, de zaak niet op zijn beloop gelaten. In de specificatie van de vordering (…) wordt dit betalingsgedrag bevestigd: zowel voordat de zaak door ASR ter incasso uit handen was gegeven als daarna heeft X zijn betalingsgedrag ongewijzigd voortgezet. Op het moment van dagvaarding bedroeg de achterstand (los van rente en kosten) nog € 100,00.

Uit de producties van ASR blijkt dat X de gemaakte afbetalingsafspraken niet steeds stipt is nagekomen. Uit die producties (…) blijkt dat er herinneringen zijn gestuurd, maar niet dat X daarop niet heeft betaald. Uit het overzicht, zoals hiervoor is weergegeven, blijkt dat X regelmatig wel, zij het niet altijd tijdig, betaalde.

Uit de WhatsApp-gesprekken volgt voorts, (…) dat hij de betalingen aan ASR (Ditzo) had gedaan, ook nadat hij van de incassogemachtigde al bericht had gehad, na overleg met de gesprekspartner van ASR. Dat is op zichzelf door ASR niet weersproken. Dat, zoals ASR nadien heeft gezegd, X een verkeerd betalingskenmerk heeft gebruikt, doet niet af aan de betalingen. Enig onderzoek mag van ASR, dan wel de incassogemachtigde (Van Arkel), worden verwacht.

De kantonrechter stelt vast dat X zijn best doet zijn verplichtingen jegens ASR na te komen en dat hij dat ook doorgaans doet. Hoewel de opstelling van ASR om de vordering uit handen te geven (er was immers niet steeds tijdig betaald) op zichzelf, dus los van de omstandigheden van deze zaak, wel begrijpelijk is, oordeelt de kantonrechter dat ASR gelet op die hiervoor beschreven omstandigheden onvoldoende noodzaak had de incasso uit handen te geven. Zij had, simpel gezegd, wat meer geduld moeten hebben met X, die aantoonbaar van goede wil is. Zij had ook meer onderzoek moeten doen naar de door X gedane betalingen.
De conclusie luidt dat ASR deze procedure onnodig is begonnen. ASR heeft dan ook onnodig kosten gemaakt. Die kosten kunnen niet ten laste van X worden gebracht. De vordering zal worden afgewezen.

De beslissing

De kantonrechter

wijst de vordering af,

veroordeelt ASR in de kosten van de procedure en begroot deze aan de kant van X op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders, kantonrechter, en in het openbaar in aanwezigheid van de griffie uitgesproken op 23 januari 2019.

Naschrift
ASR heeft het manifest van de schuldeiserscoalitie ondertekend. Er is nog werk aan de winkel.

Meer informatie
Rb Midden-Nederland 23 januari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:215
Rauwelijks gedagvaard door Menzis

Eerder berichtten we op SchuldInfo over een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant dat bij de draagkrachtberekening voor bijzondere bijstand, het deel van het inkomen waar beslag op is gelegd, niet meegenomen mag worden. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2006 heeft z’n gelding niet verloren. Bijzondere bijstand geldt als vangnet, ook bij loonbeslag. De rechtbank Noord-Nederland moest oordelen over de vraag of het loonbeslag verwijtbaar is. In termen van de Participatiewet of er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Dit zou betekenen dat er alsnog geen rekening hoeft te worden gehouden met het loonbeslag. De rechtbank oordeelde echter anders.


Wat vooraf ging
Betrokkene ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering ad. € 1510 netto per maand. Vanwege een beslag door de zorgverzekeraar wordt er slechts € 1275 per maand uitbetaald.
De bewindvoerder heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor intakekosten en maandelijkse kosten voor beschermingsbewind. De gemeente Achtkarspelen heeft de draagkracht berekend op basis van het inkomen ad. € 1275 dat na beslag wordt uitbetaald, aangezien dit het bedrag is waar betrokkene feitelijk over kan beschikken. Maar omdat het loonbeslag volgens het college het gevolg is ven een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, is het recht op bijzondere bijstand afgestemd door deze lager vast te stellen op basis van een fictieve draagkrachtberekening, al zou er geen loonbeslag zijn gelegd.

De bewindvoerder heeft beroep aangetekend en de rechtbank Noord-Nederland oordeelt als volgt:

Beoordeling
4.5 De rechtbank stelt vast dat de CRvB bij uitspraak van 28 maart 2006 heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat wordt beschikt of redelijkerwijs kan worden beschikt over een inkomen voor zover daarop executoriaal beslag is gelegd. Uit de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017 kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid dat daarmee is beoogd af te wijken van de tot dan toe gehanteerde lijn in de jurisprudentie. Voorts stelt de rechtbank vast dat uit de uitspraak van de CRvB van 24 februari 2009 volgt dat bij een ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan bij de berekening van draagkracht geen rekening hoeft te worden gehouden met een gelegd beslag.

5. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat eiser door een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid niet beschikt of redelijkerwijs niet kan beschikken over zijn gehele inkomen. De rechtbank overweegt daartoe dat een deel van eisers inkomen door de beslaglegging wordt besteed aan de aflossing van een schuld bij Friesland Zorgverzekeraar B.V. In tegenstelling tot verweerder is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak van de CRvB van 24 februari 2009 niet vergelijkbaar is met de zaak van eiser, nu de betrokkene in die uitspraak, in tegenstelling tot eiser, door eigen toedoen zijn schulden heeft laten oplopen. Immers de verbeurte van een dwangsom was in die zaak het gevolg van het door die betrokkene niet voldoen aan een rechterlijke beschikking en vonnis. Naar het oordeel van de rechtbank is deze situatie anders de schuld van eiser door het niet voldoen van de door hem (vaststaande) verschuldigde zorgpremie aan Friesland Zorgverzekeraar B.V.

Meer informatie
Rb Noord-Nederland 18 februari 2019, zaaknummer: LEE 18/3341
Rb Oost-Brabant 21 december 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:6393
Bijzondere bijstand als vangnet, ook bij loonbeslag!

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) moet in sommige gevallen verzoeken om een vaststaande boete te herzien opnieuw inhoudelijk beoordelen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraken van vandaag vuistregels gegeven voor de beoordeling van deze verzoeken. Het gaat in deze zaken om vaststaande boetes aan uitkeringsgerechtigden die gebaseerd zijn op het oude, veel strengere boeteregime en die soms zelfs hoger zijn dan de maximale geldboete die een strafrechter destijds kon opleggen.

Boetes
De betrokkenen in deze zaken ontvingen een uitkering. Zij kregen van het Uwv een boete, omdat zij de zogenoemde inlichtingenverplichting hadden geschonden. De boetes van deze mensen zijn gebaseerd op het aangescherpte boeteregime dat in 2013 van kracht werd. Hierbij konden boetes worden opgelegd die veel hoger waren dan daarvoor. Bovendien ontstond door dit aangescherpte boeteregime een groot verschil in de behandeling van overtreders van de inlichtingenverplichting tussen de strafrechter en de bestuursrechter. Al in 2014 oordeelde de CRvB dat dit boeteregime in strijd was met internationaal recht (ECLI:NL:CRVB:2014:3754). Dit heeft ertoe geleid dat sinds 2017 een lichter boeteregime geldt. Er was echter niet voorzien in een overgangsregeling waardoor voor veel mensen de hogere boete bleef staan.

De betrokkenen in deze zaken hebben het Uwv gevraagd om alsnog hun vaststaande boetes te herzien. Het Uwv weigerde dit, omdat de boetebesluiten waren genomen volgens de toen geldende regels. Deze boetebesluiten zijn dus volgens het Uwv niet onrechtmatig.

Vuistregels voor beoordeling herzieningsverzoeken
De CRvB concludeert in de uitspraken van vandaag dat het onder omstandigheden evident onredelijk is om verzoeken om herziening van dergelijke boetebesluiten af te wijzen. Het in stand houden van deze boetes heeft voor sommige uitkeringsgerechtigden verstrekkende gevolgen. Bovendien waren de boetes gebaseerd op regelgeving waaraan fundamentele gebreken kleefden.

Bij gebrek aan wettelijke regels en beleid om herzieningsverzoeken van dergelijke vaststaande boetes te beoordelen, heeft de CRvB nu zelf uitgangspunten geformuleerd. Er wordt daarbij een onderscheid gemaakt tussen boetes die op het moment van het herzieningsverzoek al zijn afbetaald en boetes die nog niet zijn afbetaald. Als de boete op dat moment al helemaal is betaald, hoeft het Uwv de boete niet te herzien. Dit is anders als de boete hoger was dan de maximale boete die de strafrechter zou hebben opgelegd. Als dat zo is dan moet het Uwv de boete herzien naar deze maximale boete. Als de boete nog niet (helemaal) is betaald, dan moet het Uwv de herzieningsverzoeken inhoudelijk beoordelen en herzien. De CRvB geeft ook vuistregels voor deze beoordeling.

Voor de betrokkenen in deze zaken heeft de CRvB geoordeeld dat het evident onredelijk is om de hen opgelegde boetes niet te herzien en deze boetes aan de hand van deze vuistregels verlaagd.

Naschrift SchuldInfo
Het is dus zinvol om bij boetes die opgelegd zijn tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2017 na te gaan of een verzoek om herziening mogelijk is. Dit geldt voor boetes opgelegd door het UWV, SVB en gemeenten.
De uitvoeringsorganisaties zouden de boetes eigenlijk uit zich zelf (ambtshalve) moeten aanpassen. Een mooi onderwerp voor Kamervragen!

Meer informatie
CRvB 7 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:659
CRvB 7 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:660
CRvB 7 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:661
Achtergrondinfo te veel ontvangen uitkering

In 2018 is veel ophef geweest over e-Court, een vorm van digitale arbitrage. Bijna alle zorgverzekeraars zorgden via de algemene voorwaarden, dat premie-achterstanden op eenvoudige wijze door e-Court van een vonnis werden voorzien. De rechtbank Overijssel zorgde voor een stempel zodat de vonnissen ten uitvoer konden worden gelegd. De Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (Sociaal Werk Nederland) had bedenkingen bij deze werkwijze en bracht het rapport “Rechtspraak op bestelling?” uit. De Groene Amsterdammer kopte met “Vonnis te koop”. Is e-Court wel onafhankelijk en wordt er wel, ook als geen verweer wordt gevoerd, ambtshalve aan bepaalde regels getoetst?
E-Court lijkt inmiddels een stille dood gestorven. De rechtbank Amsterdam stelt nu vragen aan de Hoge Raad over een vergelijkbare werkwijze door een ander arbitrage-instituut.

Arbitrage
Arbitrage kan daadwerkelijk van betekenis zijn wanneer betrokken partijen er bij een geschil bewust voor kiezen of wanneer speciale kennis vereist is die de overheidsrechter niet kan bieden, bijvoorbeeld over bouwtechnische kwesties.
Bij arbitrage voor ‘incassobulkzaken’, zoals bij e-Court het geval was, is geen sprake van een bewuste keus noch van specialistische kennis. Via de algemene voorwaarden wordt de schuldenaar onbewust aan arbitrage gelieerd. Meestal voert de schuldenaar geen verweer en wordt bij verstek veroordeeld.

Ambtshalve toetsing
Arbitrage geregeld via de algemene voorwaarden is eigenlijk een vorm van commerciële rechtspraak. Het ligt voor de hand dat schuldeisers kiezen voor het scheidsgerecht dat de voor hen gunstigste procedure en uitkomst biedt. Toetst de arbiter wel ambtshalve of aan de Europese richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten wordt voldaan en of de zogenaamde 14-dagenbrief voor incassokosten wel correct is toegepast?

Vragen aan de Hoge Raad
Een arbitraal vonnis is pas afdwingbaar wanneer de voorzieningenrechter een verlof tot tenuitvoerlegging (exequatur) verleent. De rechtbank Amsterdam kreeg een verzoek voorgelegd om een verstekvonnis van Stichting Arbitrage Rechtspraak Nederland afdwingbaar te maken. Bij deze gelegenheid zijn aan de Hoge Raad de volgende prejudiciële vragen gesteld over hoe de wet moet worden uitgelegd:

  1. Is het voor toewijzing van het verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis, dat bij verstek is gewezen tegen een consument, nodig dat in het arbitrale vonnis is opgenomen, dan wel op verzoek van de voorzieningenrechter door degene die verzoekt om verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis wordt aannemelijk gemaakt:

    a. dat aan gedaagde een termijn van tenminste een maand is gegund om voor beslissing van de zaak door de overheidsrechter te kiezen. Indien het vonnis of de toelichting deze vermelding bevat, is dat dan (in beginsel, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn die nopen tot nader onderzoek) afdoende?

    b. dat, en zo ja in hoeverre, gedaagde is geïnformeerd over de relevante verschillen tussen de hem aangeboden vorm van arbitrage en de anders openstaande weg naar de overheidsrechter?

    c. dat de arbiter bij de beoordeling van de vorderingen de Richtlijn ambtshalve heeft toegepast?

  2. Indien in een arbitraal vonnis buitengerechtelijke kosten zijn toegewezen tegen een natuurlijke persoon maar niet blijkt dat de arbiter heeft onderzocht of de veertien dagen brief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW is verstuurd, is het vonnis dan in strijd met de openbare orde of kan de voorzieningenrechter pas tot dit oordeel komen nadat aan de verzoeker over de veertien dagen brief een toelichting is gevraagd?

Meer informatie
Rb Amsterdam 27 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1338 (einduitspraak)
Rb Amsterdam 25 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1339 (tussenuitspraak)
Rb Overijssel 15 juni 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:2037
Rapport: Rechtspraak op bestelling? (3 Mb)
Alle vonnissen e-Court in strijd met arrest incassokosten

Een verzekerde moest het eigen risico van € 329,14 aan AnderZorg (onderdeel van Menzis) betalen. De verzekerde verzuimt € 0,14 en rente te betalen, met verhoging van incassokosten tot gevolg. AnderZorg, bijgestaan door deurwaarder LAVG dagvaardt betrokkene. De kantonrechter Den Haag maakt korte metten: de vordering is weliswaar rechtmatig maar niet fatsoenlijk. De vordering wordt bij verstek toegewezen maar de kosten worden afgewezen. Grote vraag is nu: gaat LAVG dit vonnis nog officieel aan betrokkene overhandigen en daarmee de vordering alsnog met kosten verhogen?

Wat vooraf ging
AnderZorg vordert, bijgestaan door LAVG, de veroordeling van X tot betaling van € 52,76, vermeerderd met de wettelijke rente over € 0,14 vanaf 28 maart 2019 en met de proceskosten.
X heeft bij AnderZorg een zorgverzekering afgesloten waarvoor een eigen risico geldt. AnderZorg heeft in 2018 een bedrag van € 329,14 aan medische kosten voor X betaald die onder het eigen risico vielen. LAVG heeft X op 27 december 2018 tot betaling van dit bedrag aangemaand (de veertiendagenbrief). X heeft € 329 betaald.
AnderZorg dagvaardt betrokkene voor een bedrag van € 0,14 verhoogd met incassokosten van € 48,40 en op wettelijke rente van € 4,22.

De kantonrechter oordeelt als volgt
Nu tegen gedaagde verstek is verleend, dient beoordeeld te worden of de vordering de kantonrechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Dat is niet het geval, zodat de vordering op de hieronder te noemen wijze zal worden toegewezen.

Dat de vordering de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, betekent niet dat de vordering van € 0,14 de kantonrechter ook fatsoenlijk voorkomt. De kantonrechter kan eiseres weliswaar niet het recht ontzeggen om een dergelijk gering bedrag in rechte te vorderen, maar dat laat onverlet dat het voeren van een gerechtelijke procedure, voor de inning van een objectief gezien zeer gering bedrag niet is bedoeld, mede gelet op de belasting van het gerechtelijk systeem.

Het voorgaande brengt met zich dat de in de veertiendagenbrief van 27 december 2018 aangezegde en in onderhavige procedure gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen. Gedaagde heeft immers de facto voldaan aan de aanmaning van de gemachtigde van eiseres door na het ontvangen van de veertiendagenbrief en vóór het uitbrengen van de dagvaarding het overgrote deel (ad € 329,-) van het verschuldigde bedrag te voldoen.

Nu de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen zal eiseres als grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde.

De beslissing

De kantonrechter:

  1. veroordeelt gedaagde om tegen bewijs van kwijting aan de eiseres te betalen de som van € 4,36 vermeerderd met de wettelijke rente over € 0,14 vanaf 28 maart 2019 tot de dag der voldoening;
  2. veroordeelt eiseres in de kosten van deze procedure aan de zijde van de gedaagde, tot aan deze uitspraak, begroot op nihil;
  3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
  4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Derijks, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2019.

Naschrift
De kantonrechter wijst terecht de gevorderde kosten af, maar kon helaas niet anders dan de zeer lage vordering wel toewijzen. Het is te hopen dat LAVG dit vonnis niet ook nog eens officieel aan betrokkene gaat overhandigen (betekenen) waardoor de vordering alsnog met € 95,29 aan kosten wordt verhoogd.
Opmerkelijk is ook dat AnderZorg als onderdeel van Menzis dit laat gebeuren. Menzis heeft immers het ethisch manifest van de schuldeiserscoalitie ondertekend. Er is nog veel werk aan de winkel.

Meer informatie
Rb Den Haag 15 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:5000
Achtergrondinfo deurwaarderskosten

Een schuld bij de zorgverzekeraar verjaart na een periode van vijf jaar. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer er vijf jaar niet is afgelost en er geen aanmaning is verstuurd. De vordering bestaat dan nog wel, maar is niet meer afdwingbaar. Er resteert een natuurlijke verbintenis. Er kan bijvoorbeeld geen loonbeslag worden gelegd. Mocht je op deze vordering betalen dan heb je dat echter niet onverschuldigd gedaan. Je kunt het betaalde geld niet terugvorderen. Het Zilveren Kruis gebruikt de aanmelding bij het CAK als drukmiddel om een betalingsregeling af te dwingen. De Geschillencommissie van de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen oordeelt als volgt.


Wat vooraf ging
X heeft een achterstand bij Zilveren Kruis ad. € 3.633,60 die betrekking heeft op de periode 14 juli 2006 tot 1 december 2009. Het Zilveren Kruis heeft X met ingang van 1 april 2010 als wanbetaler aangemeld bij het toenmalige CVZ. Omdat de zorgverzekeraar de verjaring van de betreffende vordering niet tijdig heeft gestuit, is deze op 1 december 2014 verjaard.
X vraag de zorgverzekeraar om hem met terugwerkende kracht tot 1 december 2014 af te melden als wanbetaler bij het CAK. De zorgverzekeraar is hiertoe niet bereid. Het beleid van de zorgverzekeraar is dat verjaarde vorderingen niet worden kwijtgescholden, maar open blijven staan als natuurlijke verbintenis. De zorgverzekeraar leidt uit de Zorgverzekeringswet af dat een verzekerde afgemeld moet worden indien alle uit de zorgverzekering voortvloeiende schulden zijn betaald of teniet zijn gegaan. De zorgverzekeraar is van mening dat ook een verjaarde vordering is te beschouwen als een vordering die voortvloeit uit de zorgverzekering.

Zilveren Kruis heeft aan X nog het voorstel gedaan om voor de openstaande vordering van € 3.633,60 een betalingsregeling af te spreken. Indien X gedurende 36 maanden een bedrag van € 75,– per maand betaalt, zal het restant (€ 933,60) worden kwijtgescholden. Met dit voorstel is X niet akkoord gegaan.

X heeft een klacht ingediend bij de Geschillencommissie van de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen. De geschillencommissie oordeelt als volgt:

Beoordeling
Een vordering als de onderhavige verjaart vijf jaren na het opeisbaar worden daarvan (artikel 3:307 BW). Dit is slechts anders indien de schuldeiser de verjaring tijdig heeft gestuit (artikel 3:317 BW). Vast staat dat de zorgverzekeraar de verjaring van de vordering van € 3.633,60 niet tijdig heeft gestuit. Anders dan verzoeker lijkt te veronderstellen, ontstaat door de verjaring voor de zorgverzekeraar geen verplichting de vordering kwijt te schelden. De verjaarde vordering blijft als een natuurlijke verbintenis bestaan en de zorgverzekeraar houdt onder andere zijn bevoegdheid tot verrekening (artikel 6:131 BW). Dit wordt de ‘zwakke werking’ van de verjaring genoemd. Het feit dat sprake is van een natuurlijke verbintenis maakt tevens dat indien verzoeker de vordering ooit alsnog zou voldoen, de betaling niet onverschuldigd geschiedt (en het bedrag zou moeten worden teruggestort). 

Kenmerk van een natuurlijke verbintenis is dat deze rechtens niet afdwingbaar is. Met dit laatste als uitgangspunt is het niet passend een aanmelding als wanbetaler bij het CAK in stand te laten. Indien dit namelijk wel het geval zou zijn, kan de betrokken verzekerde alleen worden afgemeld als ook de verjaarde vordering wordt voldaan. Daarmee wordt de aanmelding als wanbetaler bij het CAK oneigenlijk gebruikt. Dit geldt te meer omdat een verzekeraar op grond van artikel 34a, tweede lid, Zvw verplicht is inspanningen tot incasso te verrichten. Hierin is de zorgverzekeraar nalatig geweest, aangezien de verjaring van de vordering niet tijdig is gestuit. Denkbaar is dat een dergelijke nalatigheid alleen de zorgverzekeraar treft, in die zin dat het recht op de bijdrage vervalt. Naar verzoeker toe zou dit niet redelijk zijn. Hij zou dan – door middel van de hogere bestuursrechtelijke premie – moeten bijdragen aan de uitvoeringskosten van een compensatieregeling waarvan de zorgverzekeraar in zijn specifieke geval geen gebruik (meer) mag maken. 

Uit het voorgaande in samenhang met artikel 18d Zvw kan worden geconcludeerd dat de wetgever heeft beoogd te regelen dat indien alle opeisbare vorderingen zijn voldaan afmelding als wanbetaler plaatsvindt. Omdat een natuurlijke verbintenis niet is aan te merken als een opeisbare vordering en daarnaast geen sprake is van andere opeisbare vorderingen, kan de zorgverzekeraar de aanmelding van verzoeker als wanbetaler bij het CAK niet in stand houden. Om die reden dient de zorgverzekeraar verzoeker met terugwerkende kracht af te melden als wanbetaler bij het CAK. Dit tot de datum waarop het jongste deel van de vordering is verjaard. Niet in geschil is dat dit de premie voor de maand november 2009 is. De gehele vordering is daarom verjaard op 1 december 2014. De zorgverzekeraar dient verzoeker met terugwerkende kracht tot die datum af te melden als wanbetaler bij het CAK en de voor verzoeker hiermee gepaard gaande financiële gevolgen ongedaan te maken. Dit betekent dat de zorgverzekeraar verzoeker dient te vergoeden al hetgeen vanaf 1 december 2014 door of namens het CAK in het kader van de bestuursrechtelijke premieheffing als bedoeld in artikel 18d Zvw is geheven en (wordt) geïnd. Een en ander voorzover het CAK de bestuursrechtelijke premie niet restitueert. Daartegenover is verzoeker gehouden aan de zorgverzekeraar alsnog de nominale premie voor de zorgverzekering te voldoen – voor zover dat nog niet heeft plaatsgevonden – over de periode vanaf 1 december 2014. Immers, ingevolge artikel 16, tweede lid, onder b, Zvw is geen premie verschuldigd gedurende de periode dat een bestuursrechtelijke premie verschuldigd is.

Conclusie
Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek dient te worden toegewezen, in die zin dat de zorgverzekeraar gehouden is verzoeker met terugwerkende kracht tot 1 december 2014 af te melden als wanbetaler bij het CAK en de financiële gevolgen van de aanmelding ongedaan te maken, althans voor zover het CAK de betaalde bestuursrechtelijke premie niet restitueert.

Hardleers
Het Zilveren Kruis heeft de werkwijze nog niet aangepast zo blijkt uit de volgende brief die een klant op 24 april 2019 van LAVG heeft ontvangen.

Geachte heer/mevrouw

We hebben van onze opdrachtgever vernomen dat de vordering verjaard is. Echter zal het Zilveren Kruis de vordering niet afboeken. Mocht u zijn aangemeld bij het CAK, dan wordt u hier niet afgemeld. Om deze reden willen wij graag voor de openstaande vordering een betalingsregeling met u afspreken.

Gezien de hoogte van het openstaande saldo kunnen wij akkoord gaan met een minimale betalingsregeling van € 35 per maand. De betalingsregeling heb ik al voor u ingevoerd in ons systeem. In de bijlage treft u de bevestiging van de betalingsregeling.

Wij vertrouwen erop u voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

Op basis van de uitspraak van de geschillencommissie kan in deze situatie om afmelding bij het CAK met terugwerkende kracht worden gevraagd en tevens om restitutie van de teveel betaalde premie.

Meer informatie
Bindend advies SKGZ 6 maart 2019, nr. 201801598
Achtergrondinfo verjaring
Achtergrondinfo zorgverzekering

Regelmatig komt het voor dat tijdens een minnelijk traject schuldhulpverlening en de wettelijke schuldsanering (wsnp) beschermingsbewind wordt ingezet. Onderbewindstelling is dan nodig voor het welslagen van het traject. Maar wie betaalt de bewindvoerder? Dient hiervoor bijzondere bijstand te worden verstrekt of komt dit ten laste van de betalingscapaciteit zodat schuldeisers minder krijgen?


Bijzondere bijstand
Voor kosten beschermingsbewind kun je bijzondere bijstand aanvragen wanneer je over onvoldoende draagkracht beschikt. Eerder berichten we op SchuldInfo dat voor deze draagkrachtberekening bij loonbeslag uitgegaan moet worden van het feitelijk lager inkomen, na beslagafdracht. Tijdens de wsnp en de minnelijke schuldhulpverlening beschik je ook over een lager inkomen, namelijk het vrij te laten bedrag. Geldt dan hetzelfde, of moet je voor de kosten van het beschermingsbewind om verhoging van het vrij te laten bedrag verzoeken?

Correctie tijdens wsnp
Als het beschermingsbewind noodzakelijk is en er vanwege het inkomen geen bijzondere bijstand mogelijk is, dan is een correctie mogelijk op het ‘vrij te laten bedrag’, zo lezen we in het vtlb-rapport:

5.7 Correctie voor kosten budgetbeheer, budgetbegeleiding en beschermingsbewind
Kosten voor budgetbeheer, budgetbegeleiding en beschermingsbewindvoering dienen te worden betaald uit het vtlb. De rechter-commissaris kan een correctie toestaan in het nominaal bedrag, als de maatregel noodzakelijk wordt geacht voor een goed verloop van de regeling en de schuldenaar gezien zijn inkomen niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand.
 

De CRvB heeft eerder geoordeeld over een situatie waarbij het college bijzondere bijstand voor kosten bewindvoering heeft verleend met daaraan verbonden de verplichting om  binnen 15 dagen de wsnp-bewindvoerder te verzoeken om een grotere vrijlating van zijn inkomsten vanwege de kosten van beschermingsbewind. Volgens de CRvB kan het college deze verplichting opleggen. “Dat het gevolg geven aan die verplichting met zich meebrengt dat er minder overblijft voor de schuldeisers speelt in het kader van de bijstandsverlening geen rol.”

Minnelijke schuldhulpverlening
Voor de minnelijke schuldhulpverlening wordt in de praktijk, waar mogelijk, zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij het vtlb-rapport. Moet het ‘vrij te laten bedrag’ dan ook worden verhoogd met de kosten van beschermingsbewind? De CRvB oordeelt in een uitspraak van 9 april 2019 als volgt:

“Betrokkene neemt deel aan een (buitenwettelijk) minnelijk schuldhulpverleningstraject en beschikt in dat kader over een door zijn schuldhulpverlener vastgesteld vrij te laten bedrag van zijn inkomen. Met het verschil tussen het inkomen en dat vrij te laten bedrag worden de schulden van betrokkene afgelost. Betrokkene heeft daartoe met de Stichting Kredietbank Nederland (Kredietbank) een schuldregelingsovereenkomst gesloten op grond waarvan hij verplicht is zijn volledige inkomen boven het vastgestelde vrij te laten bedrag over te maken aan de Kredietbank. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij het sluiten van die overeenkomst niet een hoger vrij te laten bedrag had kunnen bedingen, zodanig dat hij daaruit de kosten van bewindvoering zelf kan voldoen uit zijn inkomen. Uit de brief van X van de Kredietbank van 8 maart 2016 blijkt ook dat de kosten van beschermingsbewind als correctiepost kunnen worden opgevoerd bij de berekening van de afloscapaciteit. Dat een eventuele verhoging van het vrij te laten bedrag ten koste gaat van de aflossingscapaciteit en dat schuldeisers hierdoor mogelijk niet bereid zijn mee te werken aan de minnelijke regeling, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, speelt de omstandigheid dat minder overblijft voor schuldeisers na verhoging van het vrij te laten bedrag geen rol in het kader van bijstandsverlening.”

Kortom: volgens de CRvB had betrokkene bij het sluiten van de overeenkomst bij de Kredietbank maar een hoger ‘vrij te laten bedrag’ moeten bedingen. De CRvB legt de verantwoordelijkheid hiervan wel erg makkelijk bij betrokkene neer. Het is van belang om te realiseren dat ook schuldhulpverlening en de uitvoering hiervan door de Kredietbank, onder verantwoordelijkheid van het college van B&W plaatsvindt en dat het ‘vrij te laten bedrag’ in de praktijk eenzijdig door schuldhulpverlening wordt vastgesteld. De overweging “had bij overeenkomst kunnen bedingen” is slechts een theoretisch construct. Waarom heeft de Kredietbank zelf geen rekening gehouden met de kosten van beschermingsbewind?

Hoe te handelen?
Met de uitspraak van de CRvB in het achterhoofd is het voor bewindvoerders verstandig om als volgt te werk te gaan: Verzoek de afdeling schuldhulpverlening om bij het ‘vrij te laten bedrag’ rekening te houden met de kosten voor beschermingsbewind en dien tegelijkertijd een aanvraag bijzondere bijstand in. Linksom of rechtsom zullen de kosten moeten worden voldaan.

Penny wise, pound foolish
Gemeenten moeten zich bij het nemen van een besluit wel realiseren dat de kans van slagen van een minnelijk traject afhangt van het concrete voorstel dat aan de schuldeisers wordt gedaan. Wanneer de kosten van beschermingsbewind er toe leidt dat aan de schuldeisers vrijwel geen reëel voorstel kan worden gedaan is het niet verstrekken van bijzondere bijstand “penny wise, pound foolish”.
 

Meer informatie
CRvB 9 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1304
CRvB 11 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP0483
Bijzondere bijstand als vangnet, ook bij loonbeslag!
Is loonbeslag het gevolg van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid?

21 april 2019 - Schuldinfo

Jaarlijks raken duizenden Nederlanders, waaronder veel kinderen, in armoede en schulden door de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Sociaal raadslieden zien schrijnende gevallen van alleenstaande ouders die in de problemen raken doordat ze volgens deze toeslagenwet toch echt een fiscaal partner hebben ‘met voldoende inkomen’. Dat heeft directe gevolgen voor het recht óp en de hoogte ván toeslagen. Toeslagen zijn voor gezinnen met een laag inkomen een substantieel onderdeel van het inkomen. Het missen van toeslagen leidt direct tot financiële problemen. De Landelijk Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR) en Sociaal Werk Nederland doen in het rapport Toeslagpartners Tegen Wil en Dank aanbevelingen, en vragen de minister om de wet aan te passen.

Zonder toeslagen is er in principe immers geen sociaal minimum voor deze doelgroep. Want als je niet samen met een partner de dagelijkse huishouding voert, maar fiscaal wél zo behandeld wordt, mis je een deel van dat substantiële inkomen uit toeslagen.

Aan de andere kant zien sociaal raadslieden ook situaties waarbij een van de gehuwde partners met het grote probleem zit dat de andere partner niet kan bijdragen aan het gezin. Bijvoorbeeld partners van gedetineerden, mensen met een partner in het buitenland of in een verpleeghuis.

Onterecht gezien als toeslagpartner
Als het mis gaat is er vaak sprake van burgers die volgens de fiscale regels een partner hebben, maar die met deze partner niet daadwerkelijk hun dagelijkse zorg en lasten kunnen delen (zorgverzekering, kosten van levensonderhoud van kinderen, huur). Deze burgers worden door de Belastingdienst vervolgens ten onrechte als toeslagpartners gezien.

Twee categorieën toeslagpartner leveren in de uitvoering problemen op
1) Ongehuwden die samenleven met een niet-gemeenschappelijk minderjarig kind zijn volgens de Belastingdienst fiscale en toeslagpartners. Het ingeschreven staan van een minderjarig kind op hetzelfde adres in het BRP is voldoende om te stellen dat sprake is van toeslagpartnerschap. Deze uitbreiding van het partnerbegrip is bedacht om te voorkomen dat ongehuwd samenwonenden met (een) kind(eren) uit een eerdere relatie in samengestelde gezinnen, dubbele fiscale voordelen zouden krijgen. Maar onder de nieuwe definitie blijkt uiteindelijk een veel grotere groep te vallen dan bedoeld.

Alleenstaande ouders die door andere omstandigheden dan het bewust stichten van een nieuw gezin met andere volwassenen zijn gaan wonen, worden financieel hard getroffen. Het betreft meestal alleenstaanden die uit een scheiding of huiselijk-geweld-situatie komen. Zij vinden opvang op eigen kracht en/of in hun eigen netwerk, maar ze verliezen vervolgens de toeslagen die zij ontvangen voor hun kinderen en een deel van hun zorgtoeslag. Daarmee raken ze een groot deel van hun noodzakelijke inkomen kwijt. Aangezien bij de andere meerderjarige inwoner(s) geen sprake is van een onderhoudsplicht, kunnen deze alleenstaande ouders het verliezen van toeslagen nergens aanvechten c.q. compenseren.

2) Tegelijkertijd leidt het strengere toeslagpartnerbegrip tot problemen bij mensen die getrouwd zijn maar die (noodgedwongen) niet (kunnen) samenwonen. Het gehuwd zijn betekent dat er sprake is van toeslagpartnerschap met alle gevolgen van dien. Mensen komen in de problemen doordat ze nog gekoppeld zijn aan een partner, terwijl deze geen (financiële) bijdrage meer levert aan het gezin.

Aanbevelingen

  • Verwijs in de Wet IB 2001 en in de Awir nadrukkelijk naar de Hardheidsclausule van art 63 AWR voor gevallen waarin geen sprake is van een samengesteld gezin of voor gehuwden die noodgedwongen moeten leven als waren zij niet gehuwd.
  • Wijzig artikel 1 lid sub e van de Awir en art 1 lid 2 aanhef sub e Wet IB 2001.
  • Maak het ook voor gehuwden mogelijk om niet meer als toeslagpartner aangemerkt te worden op het moment dat een van de partners opgenomen wordt in een verpleeghuis.
  • Partners in het buitenland die niet als kwalificerend belastingplichtigen kunnen worden aangemerkt moeten worden opgenomen in de uitzonderingen van het partnerschapbegrip.

Meer informatie
Toeslagpartners tegen wil en dank

Deurwaarders zijn onderworpen aan tuchtrechtspraak, uitgevoerd door de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders en in hoger beroep door het Hof Amsterdam. Hierbij een selectie van uitspraken gepubliceerd in de maanden januari t/m maart 2019.

Dreigen met controle en ophouden aan grens
Een deurwaarder stuurt aan zijn debiteuren de volgende brief:
“Gaat u binnenkort nog op vakantie?
Om er onbezorgd van te gaan genieten adviseer ik u voor vertrek te checken of u nog openstaande rekeningen heeft.
Niets is zo vervelend als oponthoud bij de grensovergang of op weg naar uw binnenlandse vakantiebestemming.
X is namelijk bevoegd – namens haar opdrachtgevers – om beslag te leggen op uw voertuig en/of caravan.
Voorkom extra kosten én vakantiestress en betaal uw openstaande rekeningen daarom direct .”

Deze brief die door de deurwaarder aan klager en andere debiteuren is gestuurd is in strijd met artikel 8 beroeps- en gedragsregels. Het dreigen met controle en ophouden aan de grens zijn maatregelen die buiten de bevoegdheden van een deurwaarder vallen en die in het onderhavige geval ongepast is, nu op het inkomen van klagers al jaren loonbeslag ligt en het niet voor de hand ligt dat zij op vakantie zouden kunnen gaan. Maatregel boete ad. € 1000 opgelegd. >>>Uitspraak

Bankbeslag op gemeenschappelijke rekening niet aan echtgenoot betekend
Wanneer bankbeslag wordt gelegd moet binnen 8 dagen het beslag worden overbetekend aan de schuldenaar. Dat klager geen belang had bij betekening omdat hij al wist van het beslag doet niet al aan het wettelijk vereiste te betekenen. Beslag had ook aan klager betekend moeten worden aangezien het een schuld van de echtgenote betrof en beslag werd gelegd op een gemeenschappelijke rekening. Maatregel: berisping. >>>Uitspraak

Bankbeslag terecht niet overbetekend omdat het al was opgeheven
De deurwaarder heeft het gelegde bankbeslag niet overbetekend. Het beslag was binnen de termijn van art 475i Rv (8 dagen) al opgeheven zodat betekening geen zin meer had. Uit kostenoverwegingen heeft de deurwaarder dit nagelaten. Niet tuchtrechtelijk laakbaar. >>>Uitspraak

Te snel beslagleggen en de overbetekening van twee beslagen niet samenvoegen
De deurwaarder heeft niet binnen een redelijke termijn op de e-mail van klager van 4 mei 2017 gereageerd. Er waren voldoende aanwijzingen voor de deurwaarder aanwezig dat klagers welwillend waren om het juiste verschuldigde bedrag te betalen. De deurwaarder heeft echter pas na de gelegde beslagen goed naar de overgelegde bewijzen van klagers gekeken. De deurwaarder heeft zich in deze te veel laten leiden door zijn opdrachtgever en heeft onvoldoende getoond dat hij een eigen verantwoordelijkheid heeft. De deurwaarder heeft erkend dat in het exploot van betekening en bevel ten onrechte de wettelijke handelsrente is berekend in plaats van de wettelijke consumentenrente. Klagers hadden dit reeds eerder per e-mail aan de deurwaarder kenbaar gemaakt. Volgens vaste tuchtrechtspraak geldt dat als een ambtshandeling bij één exploot kán worden gedaan, dan behoort deze in beginsel ook bij één exploot te worden gedaan. Los van de vraag of de deurwaarder redelijkerwijs al tot de beslagleggingen had moeten overgaan en de vraag of daar dan direct twee beslagleggingen met de daaraan verbonden kosten voor nodig waren, dan nog hadden deze beide beslagen bij één exploot aan klager betekend moeten worden, althans dan had er voor beiden exploten maar éénmaal de kosten aan klager doorberekend mogen worden. Klacht gegrond, geldboete € 750. >>>Uitspraak

Deurwaarder weigert beslag op auto op te heffen
Openbare verkoop van auto is niet doorgegaan. De deurwaarder weigert echter het beslag op de auto op te heffen. Beslag laten liggen op auto zonder het doel deze openbaar te verkopen is klachtwaardig. Er wordt geen maatregel opgelegd. >>>Uitspraak

Verkoop inboedel zonder advertentie en aanslaan biljet
Ten aanzien van de verkoop van de inbeslaggenomen roerende zaken overweegt de Kamer dat de aankondiging van de verkoop via een biljet aangeslagen dient te worden en dat een advertentie geplaatst moet worden in een dagblad indien de verwachte opbrengst van de verkoop boven € 180,00 ligt. Dit is ten onrechte niet gebeurd.
Bovendien heeft klager het bewijs aangeboden in de vorm van verklaringen en een video, dat goederen in beslag zijn genomen die niet aan hem toebehoorden, overweegt de Kamer dat klager bewijs heeft aangeboden in de vorm van verklaringen en een video-opname. De deurwaarder had dit concrete bewijsaanbod niet zonder nadere onderbouwing terzijde mogen schuiven.
Nu bij het inzetten van een ingrijpend middel zoals beslaglegging van de deurwaarder uiterste zorgvuldigheid mag worden verwacht en die zorgvuldigheid hier niet in acht is genomen wordt als maatregel een geldboete ad. € 500 opgelegd. >>>Uitspraak

Betalingsregeling afdwingen terwijl inkomen onder de beslagvrije voet
Naar het oordeel van de kamer heeft de deurwaarder oneigenlijke druk op klaagster uitgeoefend door aan haar de brief van 11 november 2016 te versturen waarin wordt gedreigd met executiemaatregelen in de vorm van beslag op en het verkopen van haar inboedel, of haar auto indien zij niet voldoet aan een betalingsregeling van € 50,- per maand. Door aan klaagster, onder dreiging van beslag dat waarschijnlijk niets oplevert, een betalingsregeling aan te bieden waardoor het inkomen van klaagster, zoals de deurwaarder op dat moment wist of in ieder geval had kunnen weten onder de beslagvrije voet kwam te liggen, maakt de deurwaarder misbruik van recht. Maatregel van berisping opgelegd. >>>Uitspraak

Te late aanpassing beslagvrije voet van alleenstaand naar samenwonend
Deurwaarder had beslagvrije voet van alleenstaande naar samenwonende moeten wijzigen, naar aanleiding van melding klager dat hij een partner had. Aanpassing na drie en halve maand is te laat, ook al waren bewijsstukken nog niet ontvangen.  De door de deurwaarder opgevraagde onderliggende stukken dienden ten behoeve van het aantonen van het inkomen en van de uitgaven van klager, maar niet om aan te tonen dat klager een partner had. >>>Uitspraak

Te late aanpassing beslagvrije voet
Klaagster heeft op 23 december 2016 het formulier voor de beslagvrije voet geretourneerd. De deurwaarder heeft daar pas op 31 januari 2017 op gereageerd. Dit heeft te lang geduurd. Klaagster is hierdoor in financiële problemen geraakt. Maatregel berisping opgelegd. >>>Uitspraak

Uit loonbeslag ontvangen geld zonder controle doorstorten aan opdrachtgever
De kamer acht het tuchtrechtelijk laakbaar dat de deurwaarder de uit het beslag ontvangen gelden gelijk aan de opdrachtgeefster heeft doorgestort zonder te controleren of het UWV rekening had gehouden met de nieuwe beslagvrije voet. De kamer is van oordeel dat het aan de deurwaarder was om het teveel geïnde bedrag direct aan klager te storten. Het heeft in dit geval te lang geduurd voordat klager het geld waar hij recht op had heeft ontvangen. Klacht gegrond, maatregel van berisping. >>>Uitspraak
 

Niet reageren op verzoek om informatie door schuldhulpverlening
Gebleken is dat de deurwaarder niet accuraat gereageerd heeft op verzoeken om informatie van de gemachtigde, de schulphulpverlener van klaagster. Er is vier keer om een overzicht van de verdeling van de opbrengsten van het loonbeslag verzocht. De deurwaarder heeft hierop niet gereageerd. De gemachtigde had deze informatie nodig voor het in kaart brengen van de omvang van de schulden.  De kamer legt als maatregel een berisping op. >>>Uitspraak

Te snel beslagleggen
De deurwaarder had moeten reageren op betalingsvoorstel van klager alvorens beslag te leggen op het salaris van de echtgenote van klager. De deurwaarder heeft te hoge nakosten berekend. Onheuse bejegening niet aangetoond. Maatregel van berisping opgelegd. >>>Uitspraak

Niet houden aan afspraak over incassokosten
Deurwaarder heeft zich niet gehouden aan de afspraak dat klaagster de incassokosten niet hoefde te betalen indien zij de vordering op 23 november 2015 zou betalen en bezwaar zou maken tegen de incassokosten. De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder ongegrond verklaard. Het hof is, anders dan de kamer, van oordeel dat de klacht gegrond is. Het hof vernietigt de bestreden beslissing, verklaart de klacht gegrond en legt de deurwaarder de maatregel van waarschuwing op. Kostenveroordeling behandeling van de klacht ad. € 3000. >>>Uitspraak

Aandelen DAS in deurwaarderskantoor
Klacht van Nederlandse Belangenvereniging voor Gerechtsdeurwaarders (Deurwaardersbelangen.nu) over participatie van DAS in gerechtsdeurwaardersorganisaties. De deurwaarders wordt samengevat verweten dat zij niet voldoen aan het bepaalde in de Verordening onafhankelijkheid 2010. Bij constructies waarin de derde weliswaar voor 49% minderheidsaandeelhouder is, maar door preferentie op de aandelen een winstrecht heeft van bijna 100%, is er geen sprake van (slechts) ‘enige’ vorm van betrokkenheid. In de praktijk zal het optreden van de deurwaarders blootstaan aan de invloed van deze grote particuliere belangen.
Klacht gegrond, geen maatregel opgelegd. >>>Uitspraak

Belangenverstrengeling
De deurwaarder heeft de schijn van belangenverstrengeling gewekt door medewerker van incassokantoor bij de deurwaarder te laten werken. Incassokantoor en deurwaarder onvoldoende onafhankelijk van elkaar. Maatregel van berisping opgelegd. >>>Uitspraak

Oproep e-Court is geen ambtshandeling
Een oproep bij exploot voor e-Court kan niet gekwalificeerd worden als een ambtshandeling. Klacht gegrond. Geen maatregel, omdat er door de notitie van de eigen beroepsorganisatie in 2016 mogelijk wel verwarring is ontstaan bij de gerechtsdeurwaarder over de vraag wat er in deze is toegestaan. >>>Uitspraak
Zie ook: LOSR wint rechtszaak: deurwaarder mag geen kosten berekenen voor oproepen voor e-Court

Extra aflossing wordt door systeem niet herkend
Klagers hebben een extra aflossing gedaan en hadden de gerechtvaardigde veronderstelling dat vordering was voldaan en beslag niet meer bestond. Dat het geautomatiseerde systeem van de deurwaarder de extra aflossing niet heeft herkend kan klagers niet worden tegengeworpen. Maatregel waarschuwing opgelegd. >>>Uitspraak

Naast beslag op inkomen ook beslag op inboedel leggen
Een beslag op het inkomen staat, in beginsel, het beslag op roerende zaken niet in de weg. Het staat de deurwaarder ook vrij om met klagers een betalingsregeling overeen te komen om ze op deze manier de gelegenheid te bieden het beslag op roerende zaken te voorkomen. Uit de aangeleverde stukken is verder niet gebleken dat er sprake is geweest van het uitoefenen van dwang of oneigenlijke druk. Het niet afwachten van een schuldsaneringstraject door een deurwaarder is in het algemeen niet tuchtrechtelijk laakbaar. Anders dan klagers menen te hebben begrepen uit de aankondiging beslaglegging, heeft de deurwaarder klagers slechts gewezen op de mogelijkheid voor hem binnen te treden op grond van art 444 Rv. Het als zodanig opnemen in de aankondiging is niet tuchtrechtelijk laakbaar, ook al kan dit mogelijk dreigend over komen. De koelkast en wasmachine maken vooralsnog geen deel uit van de lijst van objecten waar op grond van artikelen 447 en 448 Rv beslagverbod op rust. Klacht ongegrond. >>>Uitspraak

Beslagvrije voet met kostgeld verlagen?
Over de vraag of kostgeld moet worden gezien als inkomen in de zin van art 475 d lid 6 Rv wordt verschillend gedacht.Niet kan worden gesteld dat het in het algemeen onjuist is om kostgeld als inkomen te zien bij het vaststellen van de beslagvrije voet. Klacht ongegrond >>>Uitspraak

 
Advocaat heeft geen machtiging nodig
De klacht betreft het verstrekken van gegevens aan een advocaat die voor een debiteur optreedt. De kamer overweegt dat indien duidelijk is dat de aanvraag door een advocaat wordt gedaan, er geen machtiging nodig is om de gevraagde gegevens te verstrekken. De klacht wordt gegrond verklaard. Maatregel van berisping opgelegd. >>>Uitspraak
 

Niet zeuren
De door klager gestelde bejegening heeft de deurwaarder niet betwist. De kamer gaat er dan ook van uit dat tegen klager is gezegd dat hij “niet zo moet zeuren”. De klacht is op dit onderdeel terecht voorgesteld, omdat dit niet de manier is waarop een goed gerechtsdeurwaarder zich zou moeten gedragen. Klacht gegrond, geen maatregel. >>>Uitspraak

Meer informatie
Overzichten tuchtrechtspraak deurwaarders
Website tuchtrechtspraak 

31 maart 2019 - Schuldinfo

Wanneer een meeverzekerd kind 18 jaar wordt moet hij volgens de Zorgverzekeringswet zelf premie gaan betalen. Veel zorgverzekeraars gaan er vanuit dat als het meerderjarig geworden kind niets onderneemt, hij zowel voor de basis- als de aanvullende verzekering, bij zijn ouders verzekerd blijft. Het hof Den Bosch oordeelt echter anders. Meeverzekerd zijn kan alleen met nadrukkelijke toestemming van de ouders. VGZ kon, vanwege het ontbreken van deze toestemming, de premie niet op de ouders verhalen.


Wat vooraf ging

De zoon van X is op 15 mei 2011 18 jaar geworden. Tot 1 juni 2011 was de zoon als minderjarige gratis meeverzekerd op de polis van X. Vanaf 18 jaar dient hij zelf een verzekering af te sluiten en de premie te betalen.
VGZ heeft daartoe de zoon bij brief van 26 april 2011 aangeschreven. In deze brief staat onder meer:

Zelfstandig verzekerd
Volgens de Zorgverzekeringswet ga je premie betalen vanaf de maand volgend op die waarin je 18 jaar wordt. Dit geldt voor zowel de VGZ Zorgverzekering als de aanvullende
verzekering. (…)
Doe je niets, dan blijf je ook prima verzekerd. Je houdt dan je huidige aanvullende verzekering.

Omdat de zoon van X na deze brief niets van zich heeft laten horen heeft VGZ de zoon bijgeschreven op de polis van X.
Bij brief van 19 november 2012 heeft X VGZ verzocht zijn zoon van de polis te halen. Per 1 december 2012 heeft VGZ de zoon van de polis gehaald.
VGZ stelt dat X als hoofdverzekerde op de polis gehouden is tot betaling van de verzekeringspremies. VGZ vordert onder meer € 1.085,50 in verband met niet betaalde premie voor de zoon.

Het hof oordeelt als volgt
Dat het volgens VGZ gebruikelijk is een minderjarige na het meerderjarig worden bij te schrijven op de polis van (één van) de ouders maakt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet dat deze ouder daarvoor toestemming heeft gegeven. Evenmin kan deze gestelde gebruikelijke gang van zaken, eveneens zonder nadere toelichting die ontbreekt, leiden tot een verplichting tot betaling van de verzekeringspremies van de meerderjarige door de ouder. Zoals VGZ zelf in haar brief aan de zoon van X schrijft is hij vanaf zijn 18e zelfstandig verzekerd. Daarmee is de zoon ook zelf gehouden tot betaling van de verzekeringspremies.
Anders dan VGZ betoogt kan uit de enkele erkenning van X dat zijn zoon van 1 juni 2011 tot 1 december 2012 bij hem op de polis heeft gestaan geen, al dan niet stilzwijgende, toestemming voor de bijschrijving worden afgeleid. Bovendien kan uit deze erkenning ook geen grondslag voor een betalingsverplichting aan de zijde van X voor de verzekeringspremies van zijn zoon worden afgeleid.

Dat X pas bij brief van 19 november 2012 heeft gevraagd zijn zoon van de polis te halen kan niet tot een ander oordeel leiden. Op het moment dat X op de polis van 2013 zag dat zijn zoon bij hem op de polis stond, heeft hij verzocht tot verwijdering van zijn zoon van de polis. Daarmee erkent X geen verschuldigdheid van de verzekeringspremies van zijn zoon over de voorliggende periode.

Naschrift
Een veelvoorkomend probleem in de praktijk is dat de zorgverzekeraar niet bereid is om een meerderjarig geworden kind van de polis van de ouder te halen, voordat het kind zelf een zorgverzekering heeft afgesloten. Op zich wel begrijpelijk, het kind moet immers ook verzekerd zijn. Aan de andere kant beschikt de ouder mogelijk niet over het inkomen, w.o. de zorgtoeslag, om deze premie te kunnen betalen. Als de ouder onder bewind staat, zal de bewindvoerder om splitsing vragen. Met het hier vermeld arrest in de hand zal dat een stuk makkelijker gaan, al is het wel verstandig om te proberen er ook voor te zorgen dat het kind zelf verzekerd wordt.

Meer informatie
Hof Den Bosch 26 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1147
– Zie ook: Rb Amsterdam 16 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:322
Achtergrondinfo schulden uit zorgverzekering

25 maart 2019 - Schuldinfo

Wanneer een betalingsregeling is getroffen en een betaling niet op tijd plaatsvindt, komt in veel gevallen de regeling te vervallen en wordt de vordering in z’n geheel opeisbaar. Reden om te dagvaarden. Maar met een dagvaarding, vonnis en beslag lopen de kosten alleen maar verder op, terwijl daar nu juist geen geld voor is. Een kantonrechter van rechtbank Midden-Nederland moest oordelen over een achterstand bij Ditzo, een merknaam van ASR. De betalingsregeling werd weliswaar niet altijd stipt nagekomen, maar betrokkene hield wel contact hierover en deed z’n best. Volgens de kantonrechter is ASR de procedure onnodig begonnen en zijn er onnodig kosten gemaakt.


De kantonrechter overweegt het volgende.

De dagvaarding en de nadien opgestelde specificatie van de vordering wijken van elkaar af. De kantonrechter oordeelt dat ASR haar dagvaarding onvoldoende correct heeft geformuleerd.

Tijdens de zitting is gebleken dat X, die een beperkt inkomen heeft, steeds zo goed en kwaad als het ging zijn betalingsverplichtingen jegens ASR is nagekomen. Daar zat soms enige vertraging in, dat is zeker waar, maar uit de WhatsApp-gesprekken volgt dat X bij vertraging steeds contact opnam met ASR. X heeft, met andere woorden, de zaak niet op zijn beloop gelaten. In de specificatie van de vordering (…) wordt dit betalingsgedrag bevestigd: zowel voordat de zaak door ASR ter incasso uit handen was gegeven als daarna heeft X zijn betalingsgedrag ongewijzigd voortgezet. Op het moment van dagvaarding bedroeg de achterstand (los van rente en kosten) nog € 100,00.

Uit de producties van ASR blijkt dat X de gemaakte afbetalingsafspraken niet steeds stipt is nagekomen. Uit die producties (…) blijkt dat er herinneringen zijn gestuurd, maar niet dat X daarop niet heeft betaald. Uit het overzicht, zoals hiervoor is weergegeven, blijkt dat X regelmatig wel, zij het niet altijd tijdig, betaalde.

Uit de WhatsApp-gesprekken volgt voorts, (…) dat hij de betalingen aan ASR (Ditzo) had gedaan, ook nadat hij van de incassogemachtigde al bericht had gehad, na overleg met de gesprekspartner van ASR. Dat is op zichzelf door ASR niet weersproken. Dat, zoals ASR nadien heeft gezegd, X een verkeerd betalingskenmerk heeft gebruikt, doet niet af aan de betalingen. Enig onderzoek mag van ASR, dan wel de incassogemachtigde (Van Arkel), worden verwacht.

De kantonrechter stelt vast dat X zijn best doet zijn verplichtingen jegens ASR na te komen en dat hij dat ook doorgaans doet. Hoewel de opstelling van ASR om de vordering uit handen te geven (er was immers niet steeds tijdig betaald) op zichzelf, dus los van de omstandigheden van deze zaak, wel begrijpelijk is, oordeelt de kantonrechter dat ASR gelet op die hiervoor beschreven omstandigheden onvoldoende noodzaak had de incasso uit handen te geven. Zij had, simpel gezegd, wat meer geduld moeten hebben met X, die aantoonbaar van goede wil is. Zij had ook meer onderzoek moeten doen naar de door X gedane betalingen.
De conclusie luidt dat ASR deze procedure onnodig is begonnen. ASR heeft dan ook onnodig kosten gemaakt. Die kosten kunnen niet ten laste van X worden gebracht. De vordering zal worden afgewezen.

De beslissing

De kantonrechter

wijst de vordering af,

veroordeelt ASR in de kosten van de procedure en begroot deze aan de kant van X op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders, kantonrechter, en in het openbaar in aanwezigheid van de griffie uitgesproken op 23 januari 2019.

Naschrift
ASR heeft het manifest van de schuldeiserscoalitie ondertekend. Er is nog werk aan de winkel.

Meer informatie
Rb Midden-Nederland 23 januari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:215
Rauwelijks gedagvaard door Menzis

Eerder berichtten we op SchuldInfo over een uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant dat bij de draagkrachtberekening voor bijzondere bijstand, het deel van het inkomen waar beslag op is gelegd, niet meegenomen mag worden. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2006 heeft z’n gelding niet verloren. Bijzondere bijstand geldt als vangnet, ook bij loonbeslag. De rechtbank Noord-Nederland moest oordelen over de vraag of het loonbeslag verwijtbaar is. In termen van de Participatiewet of er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Dit zou betekenen dat er alsnog geen rekening hoeft te worden gehouden met het loonbeslag. De rechtbank oordeelde echter anders.


Wat vooraf ging
Betrokkene ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering ad. € 1510 netto per maand. Vanwege een beslag door de zorgverzekeraar wordt er slechts € 1275 per maand uitbetaald.
De bewindvoerder heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor intakekosten en maandelijkse kosten voor beschermingsbewind. De gemeente Achtkarspelen heeft de draagkracht berekend op basis van het inkomen ad. € 1275 dat na beslag wordt uitbetaald, aangezien dit het bedrag is waar betrokkene feitelijk over kan beschikken. Maar omdat het loonbeslag volgens het college het gevolg is ven een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, is het recht op bijzondere bijstand afgestemd door deze lager vast te stellen op basis van een fictieve draagkrachtberekening, al zou er geen loonbeslag zijn gelegd.

De bewindvoerder heeft beroep aangetekend en de rechtbank Noord-Nederland oordeelt als volgt:

Beoordeling
4.5 De rechtbank stelt vast dat de CRvB bij uitspraak van 28 maart 2006 heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat wordt beschikt of redelijkerwijs kan worden beschikt over een inkomen voor zover daarop executoriaal beslag is gelegd. Uit de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017 kan volgens de rechtbank niet worden afgeleid dat daarmee is beoogd af te wijken van de tot dan toe gehanteerde lijn in de jurisprudentie. Voorts stelt de rechtbank vast dat uit de uitspraak van de CRvB van 24 februari 2009 volgt dat bij een ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan bij de berekening van draagkracht geen rekening hoeft te worden gehouden met een gelegd beslag.

5. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat eiser door een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid niet beschikt of redelijkerwijs niet kan beschikken over zijn gehele inkomen. De rechtbank overweegt daartoe dat een deel van eisers inkomen door de beslaglegging wordt besteed aan de aflossing van een schuld bij Friesland Zorgverzekeraar B.V. In tegenstelling tot verweerder is de rechtbank van oordeel dat de uitspraak van de CRvB van 24 februari 2009 niet vergelijkbaar is met de zaak van eiser, nu de betrokkene in die uitspraak, in tegenstelling tot eiser, door eigen toedoen zijn schulden heeft laten oplopen. Immers de verbeurte van een dwangsom was in die zaak het gevolg van het door die betrokkene niet voldoen aan een rechterlijke beschikking en vonnis. Naar het oordeel van de rechtbank is deze situatie anders de schuld van eiser door het niet voldoen van de door hem (vaststaande) verschuldigde zorgpremie aan Friesland Zorgverzekeraar B.V.

Meer informatie
Rb Noord-Nederland 18 februari 2019, zaaknummer: LEE 18/3341
Rb Oost-Brabant 21 december 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:6393
Bijzondere bijstand als vangnet, ook bij loonbeslag!

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) moet in sommige gevallen verzoeken om een vaststaande boete te herzien opnieuw inhoudelijk beoordelen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn uitspraken van vandaag vuistregels gegeven voor de beoordeling van deze verzoeken. Het gaat in deze zaken om vaststaande boetes aan uitkeringsgerechtigden die gebaseerd zijn op het oude, veel strengere boeteregime en die soms zelfs hoger zijn dan de maximale geldboete die een strafrechter destijds kon opleggen.

Boetes
De betrokkenen in deze zaken ontvingen een uitkering. Zij kregen van het Uwv een boete, omdat zij de zogenoemde inlichtingenverplichting hadden geschonden. De boetes van deze mensen zijn gebaseerd op het aangescherpte boeteregime dat in 2013 van kracht werd. Hierbij konden boetes worden opgelegd die veel hoger waren dan daarvoor. Bovendien ontstond door dit aangescherpte boeteregime een groot verschil in de behandeling van overtreders van de inlichtingenverplichting tussen de strafrechter en de bestuursrechter. Al in 2014 oordeelde de CRvB dat dit boeteregime in strijd was met internationaal recht (ECLI:NL:CRVB:2014:3754). Dit heeft ertoe geleid dat sinds 2017 een lichter boeteregime geldt. Er was echter niet voorzien in een overgangsregeling waardoor voor veel mensen de hogere boete bleef staan.

De betrokkenen in deze zaken hebben het Uwv gevraagd om alsnog hun vaststaande boetes te herzien. Het Uwv weigerde dit, omdat de boetebesluiten waren genomen volgens de toen geldende regels. Deze boetebesluiten zijn dus volgens het Uwv niet onrechtmatig.

Vuistregels voor beoordeling herzieningsverzoeken
De CRvB concludeert in de uitspraken van vandaag dat het onder omstandigheden evident onredelijk is om verzoeken om herziening van dergelijke boetebesluiten af te wijzen. Het in stand houden van deze boetes heeft voor sommige uitkeringsgerechtigden verstrekkende gevolgen. Bovendien waren de boetes gebaseerd op regelgeving waaraan fundamentele gebreken kleefden.

Bij gebrek aan wettelijke regels en beleid om herzieningsverzoeken van dergelijke vaststaande boetes te beoordelen, heeft de CRvB nu zelf uitgangspunten geformuleerd. Er wordt daarbij een onderscheid gemaakt tussen boetes die op het moment van het herzieningsverzoek al zijn afbetaald en boetes die nog niet zijn afbetaald. Als de boete op dat moment al helemaal is betaald, hoeft het Uwv de boete niet te herzien. Dit is anders als de boete hoger was dan de maximale boete die de strafrechter zou hebben opgelegd. Als dat zo is dan moet het Uwv de boete herzien naar deze maximale boete. Als de boete nog niet (helemaal) is betaald, dan moet het Uwv de herzieningsverzoeken inhoudelijk beoordelen en herzien. De CRvB geeft ook vuistregels voor deze beoordeling.

Voor de betrokkenen in deze zaken heeft de CRvB geoordeeld dat het evident onredelijk is om de hen opgelegde boetes niet te herzien en deze boetes aan de hand van deze vuistregels verlaagd.

Naschrift SchuldInfo
Het is dus zinvol om bij boetes die opgelegd zijn tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2017 na te gaan of een verzoek om herziening mogelijk is. Dit geldt voor boetes opgelegd door het UWV, SVB en gemeenten.
De uitvoeringsorganisaties zouden de boetes eigenlijk uit zich zelf (ambtshalve) moeten aanpassen. Een mooi onderwerp voor Kamervragen!

Meer informatie
CRvB 7 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:659
CRvB 7 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:660
CRvB 7 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:661
Achtergrondinfo te veel ontvangen uitkering

In 2018 is veel ophef geweest over e-Court, een vorm van digitale arbitrage. Bijna alle zorgverzekeraars zorgden via de algemene voorwaarden, dat premie-achterstanden op eenvoudige wijze door e-Court van een vonnis werden voorzien. De rechtbank Overijssel zorgde voor een stempel zodat de vonnissen ten uitvoer konden worden gelegd. De Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (Sociaal Werk Nederland) had bedenkingen bij deze werkwijze en bracht het rapport “Rechtspraak op bestelling?” uit. De Groene Amsterdammer kopte met “Vonnis te koop”. Is e-Court wel onafhankelijk en wordt er wel, ook als geen verweer wordt gevoerd, ambtshalve aan bepaalde regels getoetst?
E-Court lijkt inmiddels een stille dood gestorven. De rechtbank Amsterdam stelt nu vragen aan de Hoge Raad over een vergelijkbare werkwijze door een ander arbitrage-instituut.

Arbitrage
Arbitrage kan daadwerkelijk van betekenis zijn wanneer betrokken partijen er bij een geschil bewust voor kiezen of wanneer speciale kennis vereist is die de overheidsrechter niet kan bieden, bijvoorbeeld over bouwtechnische kwesties.
Bij arbitrage voor ‘incassobulkzaken’, zoals bij e-Court het geval was, is geen sprake van een bewuste keus noch van specialistische kennis. Via de algemene voorwaarden wordt de schuldenaar onbewust aan arbitrage gelieerd. Meestal voert de schuldenaar geen verweer en wordt bij verstek veroordeeld.

Ambtshalve toetsing
Arbitrage geregeld via de algemene voorwaarden is eigenlijk een vorm van commerciële rechtspraak. Het ligt voor de hand dat schuldeisers kiezen voor het scheidsgerecht dat de voor hen gunstigste procedure en uitkomst biedt. Toetst de arbiter wel ambtshalve of aan de Europese richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten wordt voldaan en of de zogenaamde 14-dagenbrief voor incassokosten wel correct is toegepast?

Vragen aan de Hoge Raad
Een arbitraal vonnis is pas afdwingbaar wanneer de voorzieningenrechter een verlof tot tenuitvoerlegging (exequatur) verleent. De rechtbank Amsterdam kreeg een verzoek voorgelegd om een verstekvonnis van Stichting Arbitrage Rechtspraak Nederland afdwingbaar te maken. Bij deze gelegenheid zijn aan de Hoge Raad de volgende prejudiciële vragen gesteld over hoe de wet moet worden uitgelegd:

  1. Is het voor toewijzing van het verzoek om verlof tot tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis, dat bij verstek is gewezen tegen een consument, nodig dat in het arbitrale vonnis is opgenomen, dan wel op verzoek van de voorzieningenrechter door degene die verzoekt om verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitrale vonnis wordt aannemelijk gemaakt:

    a. dat aan gedaagde een termijn van tenminste een maand is gegund om voor beslissing van de zaak door de overheidsrechter te kiezen. Indien het vonnis of de toelichting deze vermelding bevat, is dat dan (in beginsel, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn die nopen tot nader onderzoek) afdoende?

    b. dat, en zo ja in hoeverre, gedaagde is geïnformeerd over de relevante verschillen tussen de hem aangeboden vorm van arbitrage en de anders openstaande weg naar de overheidsrechter?

    c. dat de arbiter bij de beoordeling van de vorderingen de Richtlijn ambtshalve heeft toegepast?

  2. Indien in een arbitraal vonnis buitengerechtelijke kosten zijn toegewezen tegen een natuurlijke persoon maar niet blijkt dat de arbiter heeft onderzocht of de veertien dagen brief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW is verstuurd, is het vonnis dan in strijd met de openbare orde of kan de voorzieningenrechter pas tot dit oordeel komen nadat aan de verzoeker over de veertien dagen brief een toelichting is gevraagd?

Meer informatie
Rb Amsterdam 27 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1338 (einduitspraak)
Rb Amsterdam 25 januari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1339 (tussenuitspraak)
Rb Overijssel 15 juni 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:2037
Rapport: Rechtspraak op bestelling? (3 Mb)
Alle vonnissen e-Court in strijd met arrest incassokosten

Actueel