Staatssecretaris van Ark van SZW heeft op 13 februari de Kamerbrief aan de Tweede Kamer verzonden over Voortgang implementatie Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en Verbreding beslagregister. De algehele uitvoering Vereenvoudiging Beslagvrije Voet zal per 1 januari 2021 ingaan.

Mede door de druk die de sociaal raadslieden en Sociaal Werk Nederland hebben uitgeoefend is de urgentie voor tussenmaatregelen rond de huidige beslagvrije voet doorgedrongen. Van Ark:” Wij zijn daarbij ook Sociaal Werk Nederland erkentelijk voor de door hen gedane suggesties.’


Van Ark refereert in haar Kamerbrief dan ook expliciet aan de brief van Sociaal Werk Nederland en de LOSR met de suggesties voor tussenmaatregelen.

Voorzitter LOSR André Moerman: “Het is mooi dat de meeste suggesties zijn overgenomen, maar het blijft pijnlijk en eigenlijk onbestaanbaar dat tienduizenden inwoners door toedoen van de overheid en deze vertraging verder in schulden raken’.

De Kamerbrief informeert de Tweede Kamer verder over de inwerkingtredingsdatum van de wet en over te treffen tussenmaatregelen. Met deze tussenmaatregelen zetten de ministeries daar waar dit mogelijk is op korte termijn stappen richting het door de wet voorgestane systeem: “Stappen die effect hebben voor de groep die op dit moment geconfronteerd wordt met een te laag vastgestelde beslagvrije voet. Het gaat dan om maatregelen die een direct effect hebben op hun bestedingsmogelijkheden. Maatregelen die op die manier het verschil kunnen maken tussen extra schulden maken om rond te komen en voldoende overhouden om in het levensonderhoud te voorzien. Daarom zetten wij ons in om de tussenmaatregelen met spoed te realiseren.”

Hieronder een overzicht van de tussenmaatregelen die genomen worden:

Beslagvrije voet bij inzet overheidsvordering
De belastingdienst heeft de mogelijkheid om belastingaanslagen met een soort van ‘automatische incasso’ af te schrijven van de bankrekening, wat tot allerlei problemen leidt. De burger kan dan achteraf om toepassing van de beslagvrije voet vragen.
Sociaal raadslieden hebben als ‘tussenmaatregel’ voorgesteld dat de Belastingdienst deze zogenaamde overheidsvordering voorlopig niet meer toepast tot dat de nieuwe wet van kracht wordt.
Dit hele voorstel wordt niet overgenomen, maar in de Kamerbrief staat wel dat de Belastingdienst nog in 2019 zal afstappen van de huidige praktijk om een beslagvrije voet bij overheidsvorderingen achteraf én slechts op verzoek van een belastingschuldige toe te passen. De Belastingdienst gaat deze beslagvrije voet bij een dergelijke vordering voortaan standaard vooraf toepassen. Dat wil zeggen dat de Belastingdienst eerst een beslagvrije voet van een belastingschuldige berekent, alvorens een overheidsvordering wordt gedaan.

Beslagvrije voet bij dwangverrekening toeslagen
Verrekening van toeslagen vormt voor mensen met problematische schulden vaak een probleem. Volgens de huidige werkwijze moet de burger zelf in actie komen om de beslagvrije voet aan te vragen. De LOSR/Sociaal Werk Nederland willen dat de belastingdienst dat proactief vooraf toepast.
De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet regelt dat de beslagvrije voet bij dwangverrekening van toeslagen proactief, dus vooraf, wordt toegepast.
In de Kamerbrief staat: “De belastingdienst streeft ernaar die proactieve bescherming via een tussenmaatregel nog dit jaar te realiseren.”

Uniforme wijze van berekening beslagvrije voet
Sociaal raadslieden hebben erop gewezen dat met name UWV op bepaalde onderdelen een afwijkende berekening van de beslagvrije voet hanteert. Het gaat dan ten eerste om de wijze waarop bij de berekening van de beslagvrije voet rekening wordt gehouden met een eventuele verrekening van de huur- of zorgtoeslag. UWV heeft, daar naar gevraagd, aangegeven dat de werkinstructie reeds eerder is aangepast. Het geconstateerde probleem zou niet meer moeten optreden.
Daarnaast wijst de LOSR erop dat UWV bij de berekening van de correctie in verband met kosten zorgverzekering, enkel corrigeert indien deze zorgkosten door de beslagene zelf (en bijvoorbeeld niet door zijn partner) worden voldaan. Aan deze handelwijze ligt een wetsinterpretatie ten grondslag waarvoor het huidig wettelijk kader ruimte biedt. De werkwijze heeft in specifieke situaties echter een lagere beslagvrije voet voor betrokkene tot gevolg. Van Ark: UWV heeft aangegeven te zullen onderzoeken of de werkwijze kan worden aangepast.

Geen standaard gebruik laagste beslagvrije voet
Wanneer beslag op de uitkering wordt gelegd stelt het UWV zich zeer lijdelijk op door altijd de laagste beslagvrije voet te hanteren. Wanneer er meerdere beslagleggers zijn heeft dit tot gevolg dat de debiteur na correctie van de beslagvrije voet bij een volgend beslag weer onder het bestaansminimum terecht komt. De Nationale ombudsman heeft over dit onderwerp ook een rapport uitgebracht en de LOSR heeft hiervoor aandacht gevraagd
De staatsecretaris zal onderzoeken of dit opgelost kan worden door vooruit te lopen op de ‘coördinerend deurwaarder’ zoals opgenomen in de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet.

Beslagvrije voet bij jongeren (18 t/m 20 jaar)
Voor jongeren geldt, ongeacht of ze uit- of thuiswonend zijn, een beslagvrije voet van € 228. In de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet wordt de beslagvrije voet voor jongeren gelijk aan die van 21-jaar en ouder. De LOSR heeft verzocht om versnelde invoering van deze hogere beslagvrije voet. Van Ark schrijft dat dit verzoek wordt gehonoreerd en binnenkort in een wetsvoorstel wordt opgenomen.

In inrichting verblijvenden
De LOSR heeft eveneens aangekaart dat uitkeringsinstanties, de Belastingdienst en deurwaarders de beslagvrije voet bij verblijf in een inrichting, in weerwil van de bedoeling van de wetgever, door een letterlijke interpretatie van de wet te laag vaststellen. Ook hiervoor is een verduidelijking in de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet opgenomen. De staatssecretaris van SZW zal deze verduidelijking in een binnenkort te verschijnen wetsvoorstel opnemen.

Terugwerkende kracht beslagvrije voet
De LOSR heeft aandacht gevraagd voor het probleem dat met name de Belastingdienst niet bereid is om de beslagvrije voet met terugwerkende kracht te corrigeren indien op een later moment de daarvoor benodigde informatie wordt verstrekt. Juist van de Belastingdienst zou meer flexibiliteit mogen worden verwacht nu de vertraging van de invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet voor een belangrijk deel veroorzaakt wordt door implementatieproblemen dan wel prioritering bij de Belastingdienst.  
De staatssecretaris van Financiën komt gedeeltelijk tegemoet aan dit verzoek door het beleid als volgt aan te scherpen: Belastingschuldigen die zich melden, krijgen de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn de juiste informatie aan te leveren. Indien zij dit doen, wordt hun beslagvrije voet met ingang van het meldingsmoment – dus met een beperkte terugwerkende kracht – vastgesteld.

Beslagvrije voet bij verrekening
Volgens de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is de beslagvrije voet bij een inkomen gelijk of lager dan de bijstandsnorm gelijk aan 95% van het inkomen. Gemeenten, UWV en SVB moeten bij het verrekenen op de uitkering rekening houden met de beslagvrije voet.
Sociaal raadslieden stellen als ‘tussenmaatregel’ voor om bij beslaglegging of verrekening op een uitkering op bijstandsniveau uit te gaan van een beslagvrije voet van minimaal 95% van het inkomen.
Dit voorstel is gedeeltelijk overgenomen: de staatssecretaris van SZW zal gemeenten oproepen om, anticiperend op de wet minimaal uit te gaan van een percentage gelijk aan 95% van de bijstandsnorm voor respectievelijk een alleenstaande of gehuwde.

Meer informatie
Kamerbrief voortgang implementatie Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en Verbreding beslagregister
Uitzending Kassa: Dieper in de schulden door de overheid (9-02-2019)
Vertraging nieuwe beslagvrije voet is onacceptabel

Overheidinstanties werken nog te veel vanuit hun eigen kaders als zij schulden invorderen. Daarbij verliezen ze het perspectief van mensen met schulden uit het oog, waardoor die vaak verder in de financiële problemen komen. Dat concludeert Nationale ombudsman Reinier van Zutphen in zijn rapport Behoorlijk invorderen vanuit het burgerperspectief. Hij roept overheidsinstanties op om behoorlijk in te vorderen, oftewel met oog voor de positie en het belang van mensen met schulden. In zijn rapport presenteert hij daartoe een behoorlijkheidskader waarin hij aangeeft wat mensen van de overheid mogen verwachten als die schulden bij hen invordert.


Verschillende problemen

Mensen met schulden bij de overheid lopen tegen verschillende problemen aan, blijkt uit Invorderen vanuit het burgerperspectief. Zo respecteert de overheid de beslagvrije voet, het deel van het inkomen waarop geen beslag mag worden gelegd, lang niet altijd. Ook lopen mensen er tegenaan dat persoonlijk contact niet mogelijk is en ze geen (begrijpelijke) schuldenoverzichten ontvangen. Verder werken overheidsorganisaties niet of te weinig samen, met onnodige invorderingsacties tot gevolg. Ze sturen mensen van het kastje naar de muur, werken niet mee aan schuldhulpverlening of leveren nauwelijks maatwerk.

Nationale ombudsman Reinier van Zutphen: ‘De overheid heeft onvoldoende oog voor de persoonlijke situatie van mensen met schulden. Veel mensen wíllen wel betalen, maar kúnnen dat niet.  De overheid houdt daar in zijn invorderingsbeleid geen rekening mee. Dat moet veranderen.’

Behoorlijkheidskader

Te vaak brengt het invorderingsbeleid van de overheid mensen met schulden dieper in de financiële problemen, vindt de ombudsman. Reinier van Zutphen: ‘Dat moet stoppen. De overheid moet bij het invorderen oog hebben voor de positie en het belang van mensen met schulden.’

In ‘Invorderen vanuit burgerperspectief‘ presenteert de ombudsman daartoe een behoorlijkheidskader. Daarmee geeft de ombudsman weer waarop mensen moeten kunnen vertrouwen als de overheid schulden bij hen invordert. Zo vindt de ombudsman dat de overheid zich bij het innen van schulden moet inspannen om verdere schulden te voorkomen, duidelijk moet communiceren en ernaar moet streven om waar nodig persoonlijk contact op te nemen. Verder moet de overheid redelijk handelen en maatwerk leveren, de beslagvrije voet waarborgen, meewerken aan schuldhulpverlening en zoveel mogelijk samenwerken met andere overheidsinstanties. En als de overheid vorderingen uitbesteedt, bijvoorbeeld aan een deurwaarder, moet ook dat op een behoorlijke manier gebeuren.

Grote haast

De Nationale ombudsman roept overheidsinstanties op om het behoorlijkheidskader na te leven. Van de (Rijks)overheid verwacht de ombudsman dat zij overheidsinstanties daarvoor ruimte biedt. Reinier van Zuphen: ‘Overheidsinstanties moeten nu toch echt behoorlijk gaan invorderen. Ook vooruitlopend op aangekondigde wet- en regelgeving moeten ze doen wat nu al mogelijk is. Sommige organisaties hebben daarin al mooie stappen gezet, maar er moet nog veel gebeuren. En daar is grote haast bij.’

Aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid doet de ombudsman de oproep om het behoorlijkheidskader in te bedden in haar Brede Schuldenaanpak.

Hoe nu verder?

Om de vinger aan de pols te houden, zal de ombudsman klachten over het invorderen van schulden voortaan toetsen aan zijn behoorlijkheidskader. Hij heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gevraagd om hem binnen drie maanden te informeren over de manier waarop zij het behoorlijkheidskader zal inbedden in haar Brede Schuldenaanpak. Begin 2020 vraagt de ombudsman het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan tafel om hem te informeren over de voortgang rond behoorlijke invordering.

Wat vooraf ging

Invordering door de overheid heeft al langer de aandacht van de Nationale ombudsman. In 2013 bracht hij het rapport In het krijt bij de overheid uit, waarin knelpunten bij invordering door de overheid worden beschreven. Zes jaar later zijn de meeste knelpunten uit dat rapport nog steeds niet opgelost,  ondanks meerdere verbeterplannen van de overheid. Reinier van Zutphen: ‘Ik vind het zorgwekkend dat er nog steeds mensen verder in de financiële problemen komen door toedoen van de overheid. Overheidsinstanties moeten daar nú wat aan doen. Het uitstellen van wet- en regelgeving mag geen reden zijn om te wachten.’


Meer informatie

Rapport: Invorderen vanuit burgerperspectief
Samenvatting rapport
Infographic ‘Schulden bij de overheid’

3 februari 2019 - Schuldinfo

Wanneer een betalingsregeling is getroffen en een betaling niet op tijd plaatsvindt, komt in veel gevallen de regeling te vervallen en wordt de vordering in z’n geheel opeisbaar. Reden om te dagvaarden. Maar met een dagvaarding, vonnis en beslag lopen de kosten alleen maar verder op, terwijl daar nu juist geen geld voor is. Kantonrechter Staal van de rechtbank Limburg maakt korte metten met zo’n handelwijze. Iemand die geruime tijd keurig een betalingsregeling nakomt en er gaat vervolgens wat mis, kun je niet ineens zo maar gaan dagvaarden.


   foto: Gerd Altmann

De kantonrechter komt tot de volgende beoordeling.

De opstelling van Menzis en/of haar gemachtigde roept ook dit keer weer vragen op. Die was / is formeel of liever formalistisch en niet gericht op oplossing van een reëel probleem, althans zonder oog voor het evidente belang van een in een afhankelijke schuldpositie verkerende maar onmiskenbaar coöperatieve verzekerde.
Om te beginnen wordt Menzis er ook dit keer maar weer eens op geattendeerd dat zij met haar veel te globale processtukken zelf steken laat vallen die doen twijfelen aan de zorgvuldigheid waarmee zij haar klanten bejegent. De aan een eisende partij (…) opgelegde processuele verplichtingen tot correct en zorgvuldig procederen lappen Menzis en het gemachtigde deurwaarderskantoor in belangrijke mate aan hun laars. Daarmee doen zij hun wederpartij onrecht en brengen zij de rechter – indien en voor zover de gedaagde partij het beeld niet corrigeert – op een dwaalspoor. Tot het van de aanvang af vereiste substantiëren van de vordering en het naar waarheid en volledig onderbouwen van haar grondslagen behoort immers – om maar wat voorbeelden te noemen – dat Menzis inzicht had moeten bieden in aard en inhoud van de overeenkomst, de wijze van uitvoering, de facturering, de vraag of, waarom en wanneer ter zake van een opeisbare vordering betalingsverzuim van de debiteur ingetreden is en de eventuele doorbreking van die opeisbaarheid ten gevolge van een regeling tot afbetaling. Merendeels heeft Menzis zelfs bij repliek dit inzicht niet geboden.

Waar X zelf in zijn antwoord het al gedurende twee jaar bestaan van een betalingsregeling in combinatie met informatie over zijn nijpende schuldenpositie als relevant gegeven te berde gebracht had, heeft Menzis dit niet bestreden. Zij heeft op haar beurt slechts ten aanzien van de in juni 2018 aangepaste afspraak een tipje van de sluier opgelicht. Daarbij is vooral de nadruk gelegd op wat X fout deed zonder acht te slaan op het onbetwist gebleven feit dat X (of zijn echtgenote die in een gelijke positie verkeert) al geruime tijd braaf aflossingen verricht. Ook verzweeg Menzis dat zij thans met X als verzekerde geen premierelatie onderhoudt omdat zijn (niet ‘vrijwillige’) schulden uit het verleden nog steeds in de weg staan aan een volwaardige verzekering. X is tot nu toe verplicht genoegen te nemen met de veel duurdere bestuursrechtelijke voorziening voor de verzekering van ziektekosten. Dat gegeven alleen al had Menzis tot voorzichtigheid en zorgvuldigheid moeten bewegen in de behandeling van een over de jaren 2015, 2016 en 2017 opgebouwde vordering aan ‘eigen risico’. Een vordering die voor een normale schuldenaar overzienbaar zou moeten zijn (€ 771,97 in hoofdsom totaal), maar die dit kennelijk voor X allerminst is. De schuld staat immers niet op zichzelf en bij betaling dient ieder bedrag afgewogen te worden tegen een andere uitgave.

Inmiddels heeft X stapsgewijs bijna het gehele bedrag in hoofdsom voldaan (€ 465,19 was al ten tijde van dagvaarding afgelost, en nadien is blijkens de repliek nog € 195,00 in mindering door Menzis ontvangen, terwijl de kantonrechter er van uitgaat dat X zijn belofte gestand gedaan heeft om ook na medio november 2018 € 65,00 per maand te blijven voldoen. Dit betekent dat Menzis alleen buiten rechte én vervolgens in rechte tracht niet alleen kosten van invordering te maken, maar ook deze op X te verhalen. En dat waar zij weet, althans zich zou moeten realiseren, dat X iedere euro moet omdraaien en elk kostenbedrag kan missen als kiespijn. Menzis heeft in deze procedure de kantonrechter er niet van kunnen overtuigen dat er in september 2018 een objectieve noodzaak bestond om de lopende betalingsregeling (zelfs na een voorafgaande waarschuwing) als beëindigd te beschouwen omdat door stornering van een onderweg zijnd bedrag van € 65,00 de laatste termijn niet stipt op tijd kwam. Juist omdat X er in het nabije verleden blijk van gegeven had de zaak in geen enkel opzicht te willen traineren, had Menzis (via “GGN”) moeten nagaan of er iets misgegaan was dat zich voor eenvoudige correctie leende. Dat die correctie er alsnog op initiatief van X zelf kwam, leert het vervolg.

Het gebrek aan redelijke noodzaak van het doen uitbrengen van een dagvaarding aan X krijgt extra inkleuring door na te gaan of Menzis wel aangetoond heeft dat ten tijde van dagvaarding sprake was van betalingsverzuim van X. De betalingsherinnering van “GGN” d.d. 27 augustus 2018 is niet als ingebrekestelling aan te merken en bevat ook niet de boodschap dat de betalingsregeling vervallen is. Ook aan de brief van 7 juni 2018 over de verlengde regeling kan niet ontleend worden dat verzuim bij (beperkte) nalatigheid van de schuldenaar in het voldoen van een enkele termijn van rechtswege intreedt. Dit betekent dat X eerst in betalingsverzuim geraakt is als gevolg van de daad van dagvaarding en wel per 10 oktober 2018, de dag waartegen hij in rechte opgeroepen werd. Maar op die dag had Menzis, zoals uit de repliek blijkt, al twee bedragen van € 65,00 extra geïncasseerd en was al weer bijna een derde termijn onderweg. (…) Dit betekent dat de veroordeling van X tot betaling van enig restbedrag beperkt moet blijven tot hetgeen na de laatst bekende termijnbetaling van 24 oktober 2018 aan hoofdsom resteert: € 111,78. Wel wordt daarover de wettelijke rente met ingang van 11 oktober 2018 toewijsbaar geacht. Het is dus heel wel denkbaar dat X met verdere aflossingen na 24 oktober 2018 het stadium bereikt heeft dat hij meer voldeed dan hij krachtens dit vonnis nog verschuldigd is. Hij kan dan tegenover Menzis op restitutie van dit verschil aanspraak maken.

Daarbij komt dat Menzis in het licht van het voorgaande als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten verwezen wordt. Voor het tweevoudig bezoeken van de rolzitting voor het leveren van verweer worden de kosten aan de zijde van X begroot op tweemaal een bedrag van € 36,00 (half salaris gemachtigde) ofwel € 72,00. Menzis zal tot betaling daarvan veroordeeld worden zonder dat dit onderdeel uitvoerbaar verklaard wordt bij voorraad omdat daar nu eenmaal door X niet om gevraagd is. Er wordt evenwel op vertrouwd dat dit door Menzis netjes in de verdere afwikkeling van de zaak betrokken wordt.

De beslissing
De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

  • De tot 24 oktober 2018 becijferde vordering van Menzis wordt slechts tot een bedrag van € 111,78 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 11 oktober 2018 tot de datum van volledige betaling, onder veroordeling van X om een eventueel thans nog openstaand saldo aan Menzis te betalen.
  • Het vonnis wordt op dit onderdeel uitvoerbaar verklaard bij voorraad.
  • Menzis wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten die aan de zijde van X bepaald zijn op een bedrag van € 72,00.
  • Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Naschrift
Menzis heeft het manifest van de schuldeiserscoalitie ondertekend. Er is nog werk aan de winkel.

Meer informatie
Rb Limburg 16 januari 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:331
Achtergrondinfo deurwaarderskosten

De Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden, aangesloten bij Sociaal Werk Nederland, heeft op alle onderdelen gelijk gekregen: deurwaarders mogen geen ‘ambtelijke kosten’ in rekening brengen voor een oproep voor e-court. Deurwaarders kunnen die kosten wel in rekening brengen voor bijvoorbeeld een oproep om voor de kantonrechter te verschijnen. e-Court is een commerciële instelling en geen overheidsinstelling.


3,3 miljoen euro
André Moerman, voorzitter van de signaleringscommissie van de LOSR, had de zaak samen met een cliënt aangespannen, tegen een van de grootste deurwaarderskantoren. Dit kantoor, deurwaarderskantoor GGN, heeft bij zo’n 33.000 mensen ten onrechte ongeveer honderd euro in rekening gebracht voor een oproep voor e-court. In totaal gaat het dus om pakweg 3.3 miljoen euro.

De uitspraak van de tuchtrechter opent volgens sociaal raadslieden de weg voor tienduizenden mensen om ten onrechte betaalde deurwaarderskosten terug te vorderen. Volgens de kamer voor gerechtsdeurwaarders in Amsterdam bracht deurwaarder Rinus van Etten kosten in rekening bij een schuldenaar terwijl dat niet mocht.

Zijn kantoor riep mensen op voor e-court, de digitale geschillenbeslechter die concept-vonnissen produceert voor de rechtbank. Bij die oproep voor e-court werden ‘ambtelijke kosten’ in rekening gebracht, zoals een deurwaarder die in rekening mag brengen voor een oproep om voor de kantonrechter te verschijnen. De tuchtrechter oordeelt dat een oproep voor e-court en een oproep voor de kantonrechter de deurwaarder niet dezelfde rechten op ‘ambtelijke kosten’ geeft.

Verwarring
André Moerman: “Ik ben er erg blij mee. Dat de rechter geen maatregel heeft opgelegd aan het kantoor GGN vind ik overigens niet terecht; maar ik snap het wel ten aanzien van het aanmerken van een ambtshandeling. De verantwoordelijkheid voor die verwarring is ontstaan door de notitie van de KBvG. Organisaties zoals GGN volgden wat de KBvG als richtlijn aangaf. Maar ik snap het niet ten aanzien van het in rekening brengen van kosten. Zie onderdeel 4.5. Daar is geen verwarring over geweest.”

Beide partijen gaan in beroep
Zowel Moerman als Van Etten overwegen in appel te gaan tegen de uitspraak. Moerman omdat de tuchtrechter Van Etten geen sanctie oplegde, Van Etten omdat volgens hem de gang van zaken rond de oproep voor het e-court eerder goedkeuring kreeg van zowel de beroepsorganisatie als van verschillende rechtbanken.


Meer informatie

Kamer voor gerechtsdeurwaarders 22 januari 2019
Oorspronkelijke klacht tegen GGN
Deurwaarder GGN bracht ten onrechte ruim 3 miljoen euro kosten in rekening (Follow the money)
Tuchtrechter: deurwaarder mocht geen vergoeding vragen voor e-court (NOS)
Meer info e-Court

20 januari 2019 - Schuldinfo

Wie geld leent wordt geregistreerd bij Bureau Kredietregistratie. Ook een telefoonabonnement met telefoon ter waarde van € 250 of meer staat genoteerd. Heb je problemen met aflossen dan komt daar een negatieve codering bij, die 5 jaar na het voldoen van het krediet blijft staan.
Op deze wijze worden kredietverstrekkers beschermd tegen financiële risico’s en burgers tegen overkreditering. Een goede zaak! Echter soms is de situatie inmiddels ingrijpend gewijzigd en staat de negatieve registratie niet meer in verhouding tot het doel. Wat kun je dan doen?

Gratis overzicht BKR-registratie
Het is allereerst van belang om te weten hoe je bij BKR geregistreerd
staat. Hier kom je achter door inzage te vragen. Sinds invoering van de
AVG op 25 mei 2018 moet het BKR gratis inzage verschaffen. Op de website staat deze mogelijkheid nogal verstopt en de werkwijze is omslachtig.
Je moet het formulier uitprinten, invullen en per post opsturen en dan
ontvang je pas na 28 dagen bericht. Bovendien kom je maar één keer per
jaar voor dit gratis overzicht in aanmerking. Deze omslachtige werkwijze voor het ‘gratis overzicht’ is door BKR ingevoerd om het ‘betaald
overzicht’ aantrekkelijk te houden. Digitaal aanvragen met een snelle
afhandeling kan namelijk ook, maar dan tegen betaling.
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft overigens aangegeven te onderzoeken of BKR met deze werkwijze wel voldoet aan art. 12 AVG.

Codering
Op het overzicht dat BKR verstrekt kan achter de lening een code staan. De kredietverstrekker vermeld een code wanneer een achterstand is ontstaan of bij andere bijzonderheden.  De verschillende codes hebben de
volgende betekenis.

A Achterstand van enkele maanden bij terugbetalen lening.
H Herstelmelding: achterstand is ingelopen.
1 Betalingsregeling of schuldregeling getroffen.
2 Restant krediet is in z’n geheel opgeëist.
3 Schuld is afgeboekt of kwijtgescholden. Bij kwijtschelding staat een einddatum vermeld.
4 De kredietverstrekker kan je niet bereiken
5 Er is een preventieve betalingsregeling getroffen voor een hypotheek

Disproportioneel
Een negatieve
kredietregistratie blijft in beginsel 5 jaar staan nadat de schuld is
voldaan. Deze termijn kan in bepaalde gevallen te lang zijn. De Hoge
Raad heeft namelijk in het Santander-arrest bepaald dat de registratie bij BKR moet voldoen aan de beginselen van
proportionaliteit en subsidiariteit. Dit betekent dat de bank bij een
verzoek tot verwijdering van een negatieve BKR-registratie een
belangenafweging moet maken tussen de belangen van de consument
(bijvoorbeeld om een hypotheek te kunnen verkrijgen) en de belangen van
de bank om financiële risico’s te beperken en de consument te behoeden
voor overkreditering.

Verzoek tot wijziging
Wanneer je het niet eens bent met de wijze waarop je geregistreerd staat bij
BKR kun je een verzoek tot wijziging van de gegevens indienen bij de
kredietverstrekker. Het is belangrijk om dit goed onderbouwd te doen.
Verstrek bij het verzoek de volgende informatie:

  • Beschrijving van de situatie die tot de negatieve BKR-registratie heeft geleid. Wat
    is er gebeurd? Hoe hoog was de achterstand? Hoe is deze ontstaan? Welke
    omstandigheden speelden hierbij een rol? Hoe snel is de achterstand
    ingelopen?
  • Beschrijving van de huidige situatie. Wat is
    veranderd? Hoe is de financiële situatie nu en die van de eventuele
    partner? Overleg hierbij ook loonstroken e.d.
  • Welke problemen ondervind je als gevolg van de negatieve BKR-registratie? Voeg stukken bij waaruit dit blijkt.

Wanneer het niet lukt
Wanneer het verzoek tot wijziging van de BKR-registratie wordt geweigerd zijn er drie mogelijkheden om dit aan te kaarten:

  • Binnen 2 maanden via de geschillencommissie van BKR.
  • Binnen 6 weken via een verzoek bij de rechter op basis van art. 35 Uitvoeringswet AVG. Voor dit verzoek is geen advocaat nodig, al is dit wel verstandig.
  • Via een kort geding wanneer er een spoedeisend belang is. Hiervoor heb je wel een advocaat nodig.


Voorbeelden van uitspraken

Voorbeeld 1 (vordering in kort geding)
Jan kan geen hypotheek krijgen vanwege een negatieve registratie bij BKR.
De reden van deze registratie is dat hij in 2014 een schone lei heeft
gekregen. De bank Qander heeft destijds zo’n € 5000 moeten afboeken op
de vordering. Jan heeft sindsdien geen schulden gemaakt. Andere
schuldeisers hebben hun coderingen wel verwijderd. Qander is de enige
die de codering handhaaft.  De schulden waren destijds ontstaan omdat
Jan werkloos was geraakt. De huidige situatie is stabiel. Hij heeft een
vaste baan, een partner die ook een inkomen heeft en er is sprake van
een gezonde financiële situatie. Jan heeft er belang bij dat hij op
korte termijn een woning kan kopen. Hij lijdt aan astma en kan vanwege
vochtproblemen niet in zijn huidige huurwoning blijven wonen.
De
rechter beslist dat de bank binnen drie dagen de registratie moet
verwijderen, op straffe van een dwangsom wanneer Qander in gebreke
blijft. >>>Uitspraak

Voorbeeld 2 (verzoek bij rechtbank)
Miriam heeft begin 2015 een achterstand in de aflossing van een lening
gekregen ad. € 613,66, vermoedelijk doordat het saldo op de bankrekening te laag was vanwege kosten voor een verbouwing. De brieven van de
Volksbank die gingen over de achterstand en de melding bij BKR heeft ze
ongeopend gelaten omdat ze veronderstelde dat dit berichten waren over
de hoogte van de variabele rente op haar hypotheek. Zodra ze achter de
achterstand ontdekte heeft ze deze voldaan. Miriam heeft voldoende
inkomen (tweemaal modaal) en haar financiële situatie is stabiel. De
negatieve BKR-registratie heeft er toe geleid dat ze geen hypotheek kon
krijgen. De rechter beslist dat de Volksbank binnen twee weken de
codering moet verwijderen op straffe van een dwangsom wanneer de
Volksbank in gebreke blijft. >>>Uitspraak

Voorbeeld 3 (verzoek bij rechtbank)
Gerard heeft een schuld bij Wehkamp gehad ad. € 3900 die is ontstaan als
gevolg van een relatiebreuk. Gerard is met alle schulden achtergebleven
en hij is tevens enige tijd werkeloos geweest. Door deze omstandigheden
is hij bovendien depressief geraakt en stapelden de schulden zich op.
Hij heeft hulp gezocht en het door hem gevolgde
schuldhulpverleningstraject in 2015 voortijdig kunnen beëindigen door
een groot geldbedrag te sparen en met dit bedrag alle schulden af te
lossen. Inmiddels is Gerard al enige jaren financieel stabiel. De
rechtbank is van oordeel dat de door Gerard aangevoerde feiten en
omstandigheden onvoldoende zijn om te komen tot het oordeel dat de
A2-codering verwijderd dient te worden. De betalingsachterstand betrof
een tamelijk hoog bedrag, en het heeft bijna drie jaar geduurd voordat
Gerard deze achterstand volledig had terugbetaald. Het belang bij
instandhouding van de registratie van de A2-codering is hiermee gegeven; kredietverleners dienen beschermd te worden tegen dergelijke vormen van ernstige wanbetaling. Slechts indien sprake is van bijzondere
individuele omstandigheden op grond waarvan de betrokkene onevenredig in zijn persoonlijke belangen wordt getroffen, kan aanleiding bestaan voor het oordeel dat voornoemd belang bij registratie van de
betalingsachterstand dient te wijken voor het individuele belang van de
betrokkene. De enkele wens van Gerard en zijn partner om een woning te
kopen is wat dit betreft onvoldoende.  >>>Uitspraak

Voorbeeld 4 (verzoek bij geschillencommissie BKR)
Sjaak heeft een achterstand opgelopen ad. € 92,74. De brieven hierover heeft
hij niet ontvangen omdat hij heeft verzuimd een verhuisbericht door te
geven.
De Commissie is van oordeel dat de toe te passen
belangenafweging in het voordeel van Sjaak moet uitvallen. Alle
omstandigheden overziende is de Commissie van oordeel dat Sjaak geen
debiteur is waartegen de branche blijvend moet worden gewaarschuwd of
dat hij tegen zichzelf moet worden beschermd. Hij heeft al 16 jaar een
vaste baan bij dezelfde werkgever en verkeert in een stabiele financiële situatie. Nadat hij op de hoogte was van de vordering heeft hij de
vordering in één keer betaald. De lakse houding van Sjaak om geen
verhuisadres door te geven ziet de Commissie als een incident. De
negatieve BKR-registratie bestaat al twee jaar. Alles bij elkaar genomen acht de Commissie het laten voortduren van de registratie
disproportioneel. >>>Uitspraak

Hulp tegen betaling
Er zijn allerlei bureaus actief die je graag willen helpen om tegen
betaling de BKR-registratie gewijzigd te krijgen. Voordat je besluit om
dit te doen is het van belang te realiseren dat in veel gevallen de
BKR-registratie klopt en niet disproportioneel is. Inschakelen van zo’n
bureau is dan zonde van het geld. Bovendien kun je prima zelf een
verzoek tot aanpassing doen, maar doe dit wel zorgvuldig en goed
onderbouwd.

Meer informatie
Gratis overzicht bij BKR opvragen
Klacht indienen bij de geschillencommissie
Uitspraken geschillencommissie BKR
Zie hier voor meer uitspraken (klik op ‘uitspraken’) 

20 januari 2019 - Schuldinfo

Wie geld leent wordt geregistreerd bij Bureau Kredietregistratie. Ook een telefoonabonnement met telefoon ter waarde van € 250 of meer staat genoteerd. Heb je problemen met aflossen dan komt daar een negatieve codering bij, die 5 jaar na het voldoen van het krediet blijft staan.
Op deze wijze worden kredietverstrekkers beschermd tegen financiële risico’s en burgers tegen overkreditering. Een goede zaak! Echter soms is de situatie inmiddels ingrijpend gewijzigd en staat de negatieve registratie niet meer in verhouding tot het doel. Wat kun je dan doen?

Gratis overzicht BKR-registratie
Het is allereerst van belang om te weten hoe je bij BKR geregistreerd
staat. Hier kom je achter door inzage te vragen. Sinds invoering van de
AVG op 25 mei 2018 moet het BKR gratis inzage verschaffen. Op de website staat deze mogelijkheid nogal verstopt en de werkwijze is omslachtig.
Je moet het formulier uitprinten, invullen en per post opsturen en dan
ontvang je pas na 28 dagen bericht. Bovendien kom je maar één keer per
jaar voor dit gratis overzicht in aanmerking. Deze omslachtige werkwijze voor het ‘gratis overzicht’ is door BKR ingevoerd om het ‘betaald
overzicht’ aantrekkelijk te houden. Digitaal aanvragen met een snelle
afhandeling kan namelijk ook, maar dan tegen betaling.
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft overigens aangegeven te onderzoeken of BKR met deze werkwijze wel voldoet aan art. 12 AVG.

Codering
Op het overzicht dat BKR verstrekt kan achter de lening een code staan. De kredietverstrekker vermeld een code wanneer een achterstand is ontstaan of bij andere bijzonderheden.  De verschillende codes hebben de
volgende betekenis.

A Achterstand van enkele maanden bij terugbetalen lening.
H Herstelmelding: achterstand is ingelopen.
1 Betalingsregeling of schuldregeling getroffen.
2 Restant krediet is in z’n geheel opgeëist.
3 Schuld is afgeboekt of kwijtgescholden. Bij kwijtschelding staat een einddatum vermeld.
4 De kredietverstrekker kan je niet bereiken
5 Er is een preventieve betalingsregeling getroffen voor een hypotheek

Disproportioneel
Een negatieve
kredietregistratie blijft in beginsel 5 jaar staan nadat de schuld is
voldaan. Deze termijn kan in bepaalde gevallen te lang zijn. De Hoge
Raad heeft namelijk in het Santander-arrest bepaald dat de registratie bij BKR moet voldoen aan de beginselen van
proportionaliteit en subsidiariteit. Dit betekent dat de bank bij een
verzoek tot verwijdering van een negatieve BKR-registratie een
belangenafweging moet maken tussen de belangen van de consument
(bijvoorbeeld om een hypotheek te kunnen verkrijgen) en de belangen van
de bank om financiële risico’s te beperken en de consument te behoeden
voor overkreditering.

Verzoek tot wijziging
Wanneer je het niet eens bent met de wijze waarop je geregistreerd staat bij
BKR kun je een verzoek tot wijziging van de gegevens indienen bij de
kredietverstrekker. Het is belangrijk om dit goed onderbouwd te doen.
Verstrek bij het verzoek de volgende informatie:

  • Beschrijving van de situatie die tot de negatieve BKR-registratie heeft geleid. Wat
    is er gebeurd? Hoe hoog was de achterstand? Hoe is deze ontstaan? Welke
    omstandigheden speelden hierbij een rol? Hoe snel is de achterstand
    ingelopen?
  • Beschrijving van de huidige situatie. Wat is
    veranderd? Hoe is de financiële situatie nu en die van de eventuele
    partner? Overleg hierbij ook loonstroken e.d.
  • Welke problemen ondervind je als gevolg van de negatieve BKR-registratie? Voeg stukken bij waaruit dit blijkt.

Wanneer het niet lukt
Wanneer het verzoek tot wijziging van de BKR-registratie wordt geweigerd zijn er drie mogelijkheden om dit aan te kaarten:

  • Binnen 2 maanden via de geschillencommissie van BKR.
  • Binnen 6 weken via een verzoek bij de rechter op basis van art. 35 Uitvoeringswet AVG. Voor dit verzoek is geen advocaat nodig, al is dit wel verstandig.
  • Via een kort geding wanneer er een spoedeisend belang is. Hiervoor heb je wel een advocaat nodig.


Voorbeelden van uitspraken

Voorbeeld 1 (vordering in kort geding)
Jan kan geen hypotheek krijgen vanwege een negatieve registratie bij BKR.
De reden van deze registratie is dat hij in 2014 een schone lei heeft
gekregen. De bank Qander heeft destijds zo’n € 5000 moeten afboeken op
de vordering. Jan heeft sindsdien geen schulden gemaakt. Andere
schuldeisers hebben hun coderingen wel verwijderd. Qander is de enige
die de codering handhaaft.  De schulden waren destijds ontstaan omdat
Jan werkloos was geraakt. De huidige situatie is stabiel. Hij heeft een
vaste baan, een partner die ook een inkomen heeft en er is sprake van
een gezonde financiële situatie. Jan heeft er belang bij dat hij op
korte termijn een woning kan kopen. Hij lijdt aan astma en kan vanwege
vochtproblemen niet in zijn huidige huurwoning blijven wonen.
De
rechter beslist dat de bank binnen drie dagen de registratie moet
verwijderen, op straffe van een dwangsom wanneer Qander in gebreke
blijft. >>>Uitspraak

Voorbeeld 2 (verzoek bij rechtbank)
Miriam heeft begin 2015 een achterstand in de aflossing van een lening
gekregen ad. € 613,66, vermoedelijk doordat het saldo op de bankrekening te laag was vanwege kosten voor een verbouwing. De brieven van de
Volksbank die gingen over de achterstand en de melding bij BKR heeft ze
ongeopend gelaten omdat ze veronderstelde dat dit berichten waren over
de hoogte van de variabele rente op haar hypotheek. Zodra ze achter de
achterstand ontdekte heeft ze deze voldaan. Miriam heeft voldoende
inkomen (tweemaal modaal) en haar financiële situatie is stabiel. De
negatieve BKR-registratie heeft er toe geleid dat ze geen hypotheek kon
krijgen. De rechter beslist dat de Volksbank binnen twee weken de
codering moet verwijderen op straffe van een dwangsom wanneer de
Volksbank in gebreke blijft. >>>Uitspraak

Voorbeeld 3 (verzoek bij rechtbank)
Gerard heeft een schuld bij Wehkamp gehad ad. € 3900 die is ontstaan als
gevolg van een relatiebreuk. Gerard is met alle schulden achtergebleven
en hij is tevens enige tijd werkeloos geweest. Door deze omstandigheden
is hij bovendien depressief geraakt en stapelden de schulden zich op.
Hij heeft hulp gezocht en het door hem gevolgde
schuldhulpverleningstraject in 2015 voortijdig kunnen beëindigen door
een groot geldbedrag te sparen en met dit bedrag alle schulden af te
lossen. Inmiddels is Gerard al enige jaren financieel stabiel. De
rechtbank is van oordeel dat de door Gerard aangevoerde feiten en
omstandigheden onvoldoende zijn om te komen tot het oordeel dat de
A2-codering verwijderd dient te worden. De betalingsachterstand betrof
een tamelijk hoog bedrag, en het heeft bijna drie jaar geduurd voordat
Gerard deze achterstand volledig had terugbetaald. Het belang bij
instandhouding van de registratie van de A2-codering is hiermee gegeven; kredietverleners dienen beschermd te worden tegen dergelijke vormen van ernstige wanbetaling. Slechts indien sprake is van bijzondere
individuele omstandigheden op grond waarvan de betrokkene onevenredig in zijn persoonlijke belangen wordt getroffen, kan aanleiding bestaan voor het oordeel dat voornoemd belang bij registratie van de
betalingsachterstand dient te wijken voor het individuele belang van de
betrokkene. De enkele wens van Gerard en zijn partner om een woning te
kopen is wat dit betreft onvoldoende.  >>>Uitspraak

Voorbeeld 4 (verzoek bij geschillencommissie BKR)
Sjaak heeft een achterstand opgelopen ad. € 92,74. De brieven hierover heeft
hij niet ontvangen omdat hij heeft verzuimd een verhuisbericht door te
geven.
De Commissie is van oordeel dat de toe te passen
belangenafweging in het voordeel van Sjaak moet uitvallen. Alle
omstandigheden overziende is de Commissie van oordeel dat Sjaak geen
debiteur is waartegen de branche blijvend moet worden gewaarschuwd of
dat hij tegen zichzelf moet worden beschermd. Hij heeft al 16 jaar een
vaste baan bij dezelfde werkgever en verkeert in een stabiele financiële situatie. Nadat hij op de hoogte was van de vordering heeft hij de
vordering in één keer betaald. De lakse houding van Sjaak om geen
verhuisadres door te geven ziet de Commissie als een incident. De
negatieve BKR-registratie bestaat al twee jaar. Alles bij elkaar genomen acht de Commissie het laten voortduren van de registratie
disproportioneel. >>>Uitspraak

Hulp tegen betaling
Er zijn allerlei bureaus actief die je graag willen helpen om tegen
betaling de BKR-registratie gewijzigd te krijgen. Voordat je besluit om
dit te doen is het van belang te realiseren dat in veel gevallen de
BKR-registratie klopt en niet disproportioneel is. Inschakelen van zo’n
bureau is dan zonde van het geld. Bovendien kun je prima zelf een
verzoek tot aanpassing doen, maar doe dit wel zorgvuldig en goed
onderbouwd.

Meer informatie
Gratis overzicht bij BKR opvragen
Klacht indienen bij de geschillencommissie
Uitspraken geschillencommissie BKR
Zie hier voor meer uitspraken (klik op ‘uitspraken’) 

Bij een verzoek om bijzondere bijstand voor bepaalde kosten zal het college van B&W vaststellen hoeveel betrokkene zelf van deze kosten kan betalen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in een uitspraak op 28 maart 2006 bepaald dat bij deze zogenaamde draagkrachtberekening het deel van het inkomen waar beslag op ligt, niet meegenomen mag worden, omdat je over dat deel redelijkerwijze niet kunt beschikken. Een mooie uitspraak die recht doet aan bijstand als vangnet. De CRvB oordeelde echter op 14 februari 2017 anders. Er zou geen rekening hoeven worden gehouden met loonbeslag. Volgens de rechtbank Oost-Brabant kan echter uit deze laatste uitspraak, gedaan door een enkelvoudige kamer en niet goed onderbouwd, niet de conclusie worden getrokken dat sprake is van een koerswijziging van de CRvB.


Wat vooraf ging
Betrokkene is vanwege schulden onder bewind gesteld. De bewindvoerder heeft bij de gemeente Helmond bijzondere bijstand aangevraagd voor griffierecht, intakekosten en de maandelijkse kosten voor beschermingsbewind. Aangezien er beslag op zijn inkomen is gelegd is betrokkene niet in staat deze kosten zelf te betalen.
De gemeente Helmond wijst de aanvraag af en verklaart het bezwaarschrift ongegrond. Volgens het college moet het deel van het inkomen waar beslag op ligt ook meegenomen worden bij het berekenen van de draagkracht, omdat dit anders zou leiden tot het indirect verstrekken van bijstand voor schulden. Dat is in strijd met artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw.
Het college beroept zich daarbij op een uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017. Met die uitspraak is de CRVB volgens het college teruggekomen van eerdere vaste rechtspraak op basis waarvan inkomen waar beslag op ligt niet mag worden betrokken bij de vaststelling van de draagkracht, zoals bijvoorbeeld de uitspraak van de CRVB van 28 maart 2006.

De bewindvoerder heeft beroep aangetekend en de rechtbank Oost-Brabant oordeelt als volgt:

Beoordeling

13. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat uit de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017 niet kan worden afgeleid dat daarmee is beoogd af te wijken van de tot dan toe gehanteerde lijn van de CRVB zoals die is verwoord in de uitspraak van 28 maart 2006. In deze uitspraak heeft de CRvB over het in beschouwing nemen van het inkomen voor zover daarop executoriaal beslag is gelegd overwogen dat niet kan worden gezegd dat de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over zijn inkomen voor zover daarop executoriaal beslag is gelegd omdat de betrokkene dat inkomensdeel immers niet feitelijk kan besteden, ter zake niet beschikkingsbevoegd is noch zijn werkgeefster aan kan spreken om, in weerwil van het gelegde beslag, bedoeld inkomensdeel aan hem uit te betalen. De CRvB heeft daarbij expliciet vermeld dat het bepaalde in artikel 15 van de destijds vigerende Algemene Bijstandswet (ABW) aan het vorenstaande niet afdeed. De strekking van artikel 15 van de ABW was vrijwel identiek aan het huidige artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw.

14. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank niet in de rede dat de CRvB ongemotiveerd, in enkelvoudig verband en zonder aan te geven dat sprake is van een fundamentele koerswijziging van de hiervoor bedoelde vaste rechtspraak zou afwijken. De rechtbank volgt daarom verweerder niet in de conclusie dat, gelet op de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017, een aanvrager van bijzondere bijstand voor de bepaling van zijn draagkracht, anders dan voorheen, nu wel geacht wordt redelijkerwijs te kunnen beschikken over het deel van zijn inkomen waarop executoriaal beslag ligt. De rechtbank hecht aan de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017 dus niet de betekenis die verweerder daaraan gehecht wenst te zien.

15. Gelet op bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder het gedeelte van eisers inkomen waar beslag op is gelegd ten onrechte heeft aangemerkt als inkomen dat moet worden meegenomen bij de berekening van de draagkracht van eiser. Het beroep is dan ook gegrond wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb, en het bestreden besluit wordt vernietigd.

Naschrift
Deze jurisprudentie is ook van belang wanneer betrokkene is toegelaten tot de Wsnp. Er zal dan bij de draagkrachtberekening alleen rekening mogen worden gehouden met het ‘vrij te laten bedrag’. Het is verdedigbaar dat ook bij een minnelijke schuldregeling, hierbij aansluiting wordt gezocht.

Meer informatie
Rechtbank Oost-Brabant 21 december 2018, zaaknummer SHE18/522
CRVB van 28 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006: AV8374
CRvB van 14 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:501
CRvB van 18 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1556
Bijzondere bijstand kosten curator, bewindvoerder en mentor

Deurwaarders zijn onderworpen aan tuchtrechtspraak, uitgevoerd door de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders en in hoger beroep door het Hof Amsterdam. Hierbij een selectie van uitspraken gepubliceerd in de maanden oktober t/m december 2018.

Ondanks betalingsregeling loonbeslag gelegd en onjuiste beslagvrije voet gehanteerd
De deurwaarder wordt verweten beslag te hebben gelegd terwijl er een
betalingsregeling liep en geen rekening te hebben gehouden met de
(juiste) beslagvrije voet. De deurwaarder heeft erkend dat het in beide
gevallen niet goed is gegaan. De betalingsregeling is ten onrechte
beëindigd en ook bij het toepassen van de beslagvrije voet is het mis
gegaan. De klacht wordt gegrond verklaard en de deurwaarder wordt de
maatregel van berisping opgelegd. >>>Uitspraak

Beslag gelegd onder meerdere banken
De deurwaarder heeft tegelijk beslag onder de ING en de ABN AMRO gelegd.
De kamer overweegt dat het leggen van beslag onder één of meerdere
banken zonder dat er een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat een
betrokkene daar bankiert, niet is toegestaan. Dat er veel mensen bij de
ING bankieren, als door de deurwaarder is aangevoerd, maakt nog niet dat iedereen daar bankiert en kan niet dienen als gerechtvaardigd vermoeden in voormelde zin. Ten aanzien van het onder de ABN AMRO Bank gelegde
beslag heeft klager aangevoerd dat het veertig jaar geleden is dat hij
daar een rekening had. Dat de deurwaarder bekend was met een
rekeningnummer van klager bij die bank dan wel dat er ooit geld is
binnengekomen via die bank, is onvoldoende concreet om te dienen als
gerechtvaardigd vermoeden in voormelde zijn. De klacht wordt op dit
onderdeel gegrond verklaard en de deurwaarder wordt de maatregel van
berisping opgelegd. >>>Uitspraak


Ten onrechte in rekening brengen van kosten en andere slordigheden

De klacht betreft het onterecht in rekening brengen van proces- en executiekosten.  De deurwaarders hebben de klachten erkend. Zij hebben toegegeven dat brieven een evidente misslag bevatten. Niet alleen klopt de optelling niet, maar ook zijn de proces- en executiekosten niet verschuldigd, omdat nog helemaal geen rechtsmaatregelen zijn genomen. Ten tijde van het uit handen geven van de vordering in juni 2015 liep de energielevering nog door. Als gevolg daarvan is de vordering verhoogd met het maandelijks verschuldigde termijnbedrag. De energielevering is echter als gevolg van de verhuizing van klaagster reeds lang gestaakt.
De klacht wordt gegrond verklaard. Nu er sprake is van diverse slordigheden die ook een grote impact hebben gehad op klaagster, acht de kamer het opleggen van de maatregel van berisping naast een geldboete ad. € 500 passend en geboden. >>>Uitspraak
 

Te late aanpassing beslagvrije voet
De klacht betreft het verwijt dat de beslagvrije voet te laat is
aangepast. De kamer overweegt dat de voor aanpassing benodigde stukken
reeds op 10 december 2016 aan de deurwaarder waren toegezonden. Voor
zover deze stukken onvoldoende waren, had het op de weg van de
deurwaarder gelegen daar eerder om te vragen dan gedaan. Gelet op het
grote belang bij aanpassing van de beslagvrije voet dient een en ander
zo snel mogelijk te worden opgepakt. Wellicht waren er gegronde redenen
om dat pas op 19 december 2016 te doen, echter die zijn niet aangevoerd. De klacht wordt gegrond verklaard, maar er wordt geen maatregel
opgelegd omdat kort die datum de beslagvrije voet is aangepast. >>>Uitspraak

Persoonlijk naar kantoor voor inzage in het digitaal beslagregister
Klager wilde inzage in het digitaal beslagregister. Hij moest hiervoor
persoonlijk naar het kantoor komen. De kamer overweegt hierover:
“Dat klager is uitgenodigd op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder wordt
in dit geval niet tuchtrechtelijk laakbaar geacht. Immers alvorens de
gevraagde gegevens te verstrekken, dient de verantwoordelijke er zorg
voor te dragen dat de identiteit van verzoeker deugdelijk wordt
vastgesteld (artikel 37 lid 2 Wbp). Dit om te voorkomen dat de verzochte gegevens worden gegeven aan iemand anders dan degene wiens gegevens het betreft. Die identificatie dient in persoon plaats te vinden en kan dus alleen plaatsvinden indien klager zich persoonlijk op het kantoor van
de gerechtsdeurwaarder vervoegt.” Klacht wordt ongegrond verklaard. >>>Uitspraak
Binnenkort is het digitaal beslagregister met Digi-D te raadplegen via www.schuldenwijzer.nl.

Bewindvoerder krijgt geen bericht
De klacht bestaat uit meerdere onderdelen. Het niet beantwoorden van een brief van de bewindvoerder. Het leggen van beslag zonder de bewindvoerder daarin te kennen. Het leggen van beslag onder de bank na ontvangst van inkomsten. Geen rekening houden met de beslagvrije voet en het niet reageren op een klacht daarover. De kamer acht de eerste twee klachtonderdelen gegrond. De gerechtsdeurwaarder wordt de maatregel van berisping opgelegd. De overige klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. >>>Uitspraak

Deurwaarder verricht handelingen terwijl hypotheekachterstand was voldaan
De klacht betreft het verwijt dat de deurwaarder handelingen verricht zonder uitspraak van een rechter. Aan klager is daarover onduidelijke onvolledige informatie verstrekt. Klager verwijt de deurwaarder voorts dat hij hem onduidelijke en foutieve informatie heeft verstrekt. De kamer overweegt dat het dossier ondubbelzinnig was gesloten omdat de volledige achterstand door klager was voldaan en het beslag was door de deurwaarder opgeheven. Daarmee was de door de ING aan de deurwaarder gegeven opdracht beëindigd. De deurwaarder beschikte dus niet meer over een titel op grond waarvan bij de werkgever kon worden geïnformeerd en beslag kon worden gelegd. Verder is de kamer van oordeel dat de deurwaarder onvoldoende transparant jegens klager is geweest omdat hij klager niet van de vergissing op de hoogte heeft gesteld direct nadat de vergissing was ontdekt. Klacht wordt gegrond verklaard en de gerechtsdeurwaarder wordt een geldboete ad. € 500 opgelegd. >>>Uitspraak
 

Verschil van mening over rente
Klager verwijt de deurwaarder dat hij nalatig is geweest inzake de afhandeling van een dossier waarover een verschil van mening was ontstaan tussen de deurwaarder en zijn opdrachtgever inzake het fixeren van de rente. De kamer overweegt dat de deurwaarder te passief is opgetreden. Hij had zich meer moeten inspannen om het geschil met de opdrachtgever over de rente op te lossen. Dat had ook op de weg van de deurwaarder gelegen, omdat het geschil nu juist door hem was veroorzaakt en klager hiervan de nadelen ondervond. De klacht wordt gegrond verklaard en de deurwaarder wordt de maatregel van berisping opgelegd. >>>Uitspraak

Dagvaarding ten onrechte openbaar betekend
De klacht is dat er door de deurwaarder onvoldoende onderzoek is gedaan,
voordat de dagvaarding openbaar werd betekend. De kamer overweegt dat,
nu een adres bekend was, onweersproken is gesteld dat degene die daar
woonachtig was diverse malen op dat adres is aangeschreven, en mede
gelet op het feit dat de degene die is aangeschreven op het moment van
dagvaarden 104 jaar oud zou zijn, had door de deurwaarder voorafgaand
aan de dagvaarding meer onderzoek moeten plaatsvinden dan het enkel
afgaan op de gegevens uit de GBA. De deurwaarder had een poging tot
betekening kunnen doen op voornoemd adres en in ieder geval had zij op
dat adres nader onderzoek kunnen en moeten doen naar de verblijfplaats
van betrokken. De klacht wordt deels gegrond verklaard. Geen maatregel
opgelegd. >>>Uitspraak

Specificaties komen niet met elkaar overeen
De kamer overweegt dat klager terecht klaagt over de verschillen tussen de specificatie zoals vermeld in het exploot van 26 augustus 2016 en de
brief van 16 september 2016. De deurwaarder heeft destijds en ter
zitting niet inzichtelijk kunnen maken waardoor de verschillen zijn
veroorzaakt. Het door de deurwaarder ter zitting gedane aanbod om een
specificatie te maken waarin de verschillen worden uitgelegd, is te laat gedaan. Die uitleg had al veel eerder moeten worden gegeven. In zoverre is de klacht van klager terecht voorgesteld. Voor het gegrond
verklaarde onderdeel van de klacht wordt de maatregel van berisping
opgelegd. >>>Uitspraak

Meer informatie
Overzichten tuchtrechtspraak deurwaarders
Website tuchtrechtspraak 

1 januari 2019 - Schuldinfo

Om greep te krijgen op de kosten van beschermingsbewind worden door gemeenten allerlei pogingen ondernomen. Als meest vergaande oplossing is bedacht dat de gemeente beschermingsbewind voor mensen met een laag inkomen zelf exclusief gaat uitvoeren: “Wil je gratis beschermingsbewind, dan moet je bij de gemeente zijn.” De gemeente Deventer strandde op een oordeel van de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Er was sprake van oneerlijke concurrentie, zo oordeelde de autoriteit. De gemeente Groningen heeft eenzelfde stap gezet, maar ACM oordeelde anders. De gemeenteraad van Groningen had in het verleden beschermingsbewind als activiteit van algemeen belang aangemerkt, met als gevolg dat de ACM niet bevoegd is. Een makkelijke manier om ACM onbevoegd te maken. Het College voor beroep en bedrijfsleven steekt hier een stokje voor. Van ‘algemeen belang’ is niet zo maar sprake.


  Afbeelding: DarkCordial

Wanneer de overheid zelf economische activiteiten verricht moet ze zich, om
oneerlijke concurrentie te voorkomen, houden aan een aantal
gedragsregels die opgenomen zijn in de Wet markt en overheid, namelijk:

  • De overheid moet alle kosten die ze maakt voor een dienst doorberekenen in de prijs.
  • De overheid mag een eigen overheidsbedrijf niet bevoordelen boven concurrerende bedrijven.
  • Heeft een overheid bij bepaalde diensten een bestuurlijke rol, en voert zij
    die diensten ook zelf uit? Dan mogen niet dezelfde personen betrokken
    zijn bij zowel het bestuur als de uitvoering (verplichte
    functiescheiding).
  • De overheid mag gegevens waarover ze beschikt (bijvoorbeeld uit de Basisregistratie personen) niet opnieuw gebruiken
    voor een economische activiteit, tenzij ze deze informatie ook aan de
    concurrerende bedrijven verstrekt.

De Wet markt en overheid is niet van toepassing op economische activiteiten die plaatsvinden in het algemeen belang. De gemeente Groningen heeft op 25 juni 2014 beschermingsbewind
aangemerkt als een activiteit in het algemeen belang. Dat is de reden
waarom de ACM niet bevoegd was om een klacht over oneerlijke
concurrentie te onderzoeken.

Het College voor beroep en
bedrijfsleven (CBb) heeft echter in twee recente uitspraken bepaald dat
de overheid niet zomaar werkzaamheden kan aanmerken als activiteiten in
het algemeen belang.  Het CBp vat deze uitspraken in een persbericht als volgt samen:

“De overheid mag een product of dienst alleen
onder de kostprijs aanbieden als die economische activiteit plaatsvindt
in het algemeen belang. Zij moet uitleggen waarom exploitatie onder de
kostprijs in het algemeen belang noodzakelijk is en aantonen dat
commerciële marktpartijen het product of de dienst niet kunnen
aanbieden. Als de overheid zelf onder de kostprijs aanbiedt, moet zij
zorgen dat commerciële aanbieders daar zo weinig mogelijk financieel
nadeel van hebben. Soms moet zelfs schadevergoeding worden betaald.”

Deze nieuwe jurisprudentie werpt een ander licht op de kwestie
‘beschermingsbewind exclusief uitgevoerd door de gemeente’ en vraagt om
een herbeoordeling van de ACM.

Meer informatie:
CBb geeft duidelijkheid over toepassing Wet Markt en Overheid
College van Beroep voor het bedrijfsleven 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:660
College van Beroep voor het bedrijfsleven 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:661 
De ACM wijst handhavingsverzoek tegen de gemeente Groningen af
Besluit op handhavingsverzoek ten aanzien van beschermingsbewind gemeente Deventer

De Nationale ombudsman, Reinier van Zutphen, heeft minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in een brief om aandacht gevraagd voor de korte aanvraagtermijn voor bijzondere situaties voor de huurtoeslag.


Deel van inkomen niet meerekenen
Ontvangers van huurtoeslag kunnen in zogenoemde ‘bijzondere situaties’ aan de Belastingdienst/Toeslagen vragen om een deel van hun inkomen niet mee te rekenen. Het gaat om situaties waarin het wél meerekenen onredelijk zou uitwerken, omdat het recht op huurtoeslag daardoor (deels) zou vervallen. De ontvanger zou zijn huurtoeslag dan (deels) moeten terugbetalen. Een voorbeeld van zo’n bijzondere situatie is de (verplichte) afkoop van een klein pensioen. Het hele pensioen wordt dan in één keer uitbetaald. Als dat bedrag bij het inkomen zou worden gerekend, zou de ontvanger dat jaar minder of zelfs geen recht hebben op huurtoeslag. De regeling voor bijzondere situaties voorkomt dit.

‘Aanvraagtermijn van zes weken te kort’
Mensen die een beroep willen doen op de regeling voor bijzondere situaties, moeten daarvoor uiterlijk zes weken na de definitieve toekenning van de huurtoeslag een aanvraag doen bij de Belastingdienst/Toeslagen. Die aanvraagtermijn is te kort, stelt de Nationale ombudsman: ‘Ik krijg regelmatig klachten van mensen die pas na de termijn van zes weken ontdekken dat ze een beroep op de regeling voor bijzondere situaties hadden kunnen doen. Door de korte aanvraagtermijn komen zij niet meer in aanmerking voor de regeling, vaak met ernstige financiële gevolgen. Dat is krom, want juist een regeling die bedoeld is om schrijnende situaties te voorkomen, moet goed toegankelijk zijn en een ruime aanvraagtermijn hebben.’

Eind 2016 deed de ombudsman daarom al een verzoek aan de toenmalige minister van Wonen en Rijksdienst om de aanvraagtermijn van zes weken te verruimen naar vijf jaar. Dat is de gebruikelijke termijn voor het kunnen indienen van een verzoek om herziening van een toeslagbeschikking. De minister antwoordde toen dat hij voorlopig geen aparte wijzigingen wilde doorvoeren, met het oog op een geplande algehele heroverweging van de uitvoering van de huurtoeslag.

Dringend beroep op minister
Nu blijkt dat deze heroverweging op zich laat wachten, doet de ombudsman een dringend beroep op de minister van BZK om een voorlopige oplossing te bieden. Hij vraagt haar om aanvragen die (formeel) te laat zijn ingediend de komende tijd bij wijze van coulance toch in behandeling te nemen. Van Zutphen: ‘Daarmee zou de minister een groep financieel kwetsbare mensen alsnog de bescherming bieden die past in de geest van deze regeling.’

De ombudsman heeft de minister van BZK uitgenodigd om op korte termijn met hem in gesprek te gaan.

Naschrift
Ook de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR, Sociaal Werk Nederland) heeft een brief gestuurd om aandacht te vragen voor de korte aanvraagtermijn. Download de brief hier.


Meer informatie

Financieel kwetsbaren dupe van ongewenste effecten regels
Brief aan minister Ollongren van BZK (14 december 2018)
Brief aan minister Blok (19 december 2016)
Reactie Ministerie van Binnenlandse Zaken (8 maart 2017)

Staatssecretaris van Ark van SZW heeft op 13 februari de Kamerbrief aan de Tweede Kamer verzonden over Voortgang implementatie Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en Verbreding beslagregister. De algehele uitvoering Vereenvoudiging Beslagvrije Voet zal per 1 januari 2021 ingaan.

Mede door de druk die de sociaal raadslieden en Sociaal Werk Nederland hebben uitgeoefend is de urgentie voor tussenmaatregelen rond de huidige beslagvrije voet doorgedrongen. Van Ark:” Wij zijn daarbij ook Sociaal Werk Nederland erkentelijk voor de door hen gedane suggesties.’


Van Ark refereert in haar Kamerbrief dan ook expliciet aan de brief van Sociaal Werk Nederland en de LOSR met de suggesties voor tussenmaatregelen.

Voorzitter LOSR André Moerman: “Het is mooi dat de meeste suggesties zijn overgenomen, maar het blijft pijnlijk en eigenlijk onbestaanbaar dat tienduizenden inwoners door toedoen van de overheid en deze vertraging verder in schulden raken’.

De Kamerbrief informeert de Tweede Kamer verder over de inwerkingtredingsdatum van de wet en over te treffen tussenmaatregelen. Met deze tussenmaatregelen zetten de ministeries daar waar dit mogelijk is op korte termijn stappen richting het door de wet voorgestane systeem: “Stappen die effect hebben voor de groep die op dit moment geconfronteerd wordt met een te laag vastgestelde beslagvrije voet. Het gaat dan om maatregelen die een direct effect hebben op hun bestedingsmogelijkheden. Maatregelen die op die manier het verschil kunnen maken tussen extra schulden maken om rond te komen en voldoende overhouden om in het levensonderhoud te voorzien. Daarom zetten wij ons in om de tussenmaatregelen met spoed te realiseren.”

Hieronder een overzicht van de tussenmaatregelen die genomen worden:

Beslagvrije voet bij inzet overheidsvordering
De belastingdienst heeft de mogelijkheid om belastingaanslagen met een soort van ‘automatische incasso’ af te schrijven van de bankrekening, wat tot allerlei problemen leidt. De burger kan dan achteraf om toepassing van de beslagvrije voet vragen.
Sociaal raadslieden hebben als ‘tussenmaatregel’ voorgesteld dat de Belastingdienst deze zogenaamde overheidsvordering voorlopig niet meer toepast tot dat de nieuwe wet van kracht wordt.
Dit hele voorstel wordt niet overgenomen, maar in de Kamerbrief staat wel dat de Belastingdienst nog in 2019 zal afstappen van de huidige praktijk om een beslagvrije voet bij overheidsvorderingen achteraf én slechts op verzoek van een belastingschuldige toe te passen. De Belastingdienst gaat deze beslagvrije voet bij een dergelijke vordering voortaan standaard vooraf toepassen. Dat wil zeggen dat de Belastingdienst eerst een beslagvrije voet van een belastingschuldige berekent, alvorens een overheidsvordering wordt gedaan.

Beslagvrije voet bij dwangverrekening toeslagen
Verrekening van toeslagen vormt voor mensen met problematische schulden vaak een probleem. Volgens de huidige werkwijze moet de burger zelf in actie komen om de beslagvrije voet aan te vragen. De LOSR/Sociaal Werk Nederland willen dat de belastingdienst dat proactief vooraf toepast.
De Wet vereenvoudiging beslagvrije voet regelt dat de beslagvrije voet bij dwangverrekening van toeslagen proactief, dus vooraf, wordt toegepast.
In de Kamerbrief staat: “De belastingdienst streeft ernaar die proactieve bescherming via een tussenmaatregel nog dit jaar te realiseren.”

Uniforme wijze van berekening beslagvrije voet
Sociaal raadslieden hebben erop gewezen dat met name UWV op bepaalde onderdelen een afwijkende berekening van de beslagvrije voet hanteert. Het gaat dan ten eerste om de wijze waarop bij de berekening van de beslagvrije voet rekening wordt gehouden met een eventuele verrekening van de huur- of zorgtoeslag. UWV heeft, daar naar gevraagd, aangegeven dat de werkinstructie reeds eerder is aangepast. Het geconstateerde probleem zou niet meer moeten optreden.
Daarnaast wijst de LOSR erop dat UWV bij de berekening van de correctie in verband met kosten zorgverzekering, enkel corrigeert indien deze zorgkosten door de beslagene zelf (en bijvoorbeeld niet door zijn partner) worden voldaan. Aan deze handelwijze ligt een wetsinterpretatie ten grondslag waarvoor het huidig wettelijk kader ruimte biedt. De werkwijze heeft in specifieke situaties echter een lagere beslagvrije voet voor betrokkene tot gevolg. Van Ark: UWV heeft aangegeven te zullen onderzoeken of de werkwijze kan worden aangepast.

Geen standaard gebruik laagste beslagvrije voet
Wanneer beslag op de uitkering wordt gelegd stelt het UWV zich zeer lijdelijk op door altijd de laagste beslagvrije voet te hanteren. Wanneer er meerdere beslagleggers zijn heeft dit tot gevolg dat de debiteur na correctie van de beslagvrije voet bij een volgend beslag weer onder het bestaansminimum terecht komt. De Nationale ombudsman heeft over dit onderwerp ook een rapport uitgebracht en de LOSR heeft hiervoor aandacht gevraagd
De staatsecretaris zal onderzoeken of dit opgelost kan worden door vooruit te lopen op de ‘coördinerend deurwaarder’ zoals opgenomen in de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet.

Beslagvrije voet bij jongeren (18 t/m 20 jaar)
Voor jongeren geldt, ongeacht of ze uit- of thuiswonend zijn, een beslagvrije voet van € 228. In de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet wordt de beslagvrije voet voor jongeren gelijk aan die van 21-jaar en ouder. De LOSR heeft verzocht om versnelde invoering van deze hogere beslagvrije voet. Van Ark schrijft dat dit verzoek wordt gehonoreerd en binnenkort in een wetsvoorstel wordt opgenomen.

In inrichting verblijvenden
De LOSR heeft eveneens aangekaart dat uitkeringsinstanties, de Belastingdienst en deurwaarders de beslagvrije voet bij verblijf in een inrichting, in weerwil van de bedoeling van de wetgever, door een letterlijke interpretatie van de wet te laag vaststellen. Ook hiervoor is een verduidelijking in de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet opgenomen. De staatssecretaris van SZW zal deze verduidelijking in een binnenkort te verschijnen wetsvoorstel opnemen.

Terugwerkende kracht beslagvrije voet
De LOSR heeft aandacht gevraagd voor het probleem dat met name de Belastingdienst niet bereid is om de beslagvrije voet met terugwerkende kracht te corrigeren indien op een later moment de daarvoor benodigde informatie wordt verstrekt. Juist van de Belastingdienst zou meer flexibiliteit mogen worden verwacht nu de vertraging van de invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet voor een belangrijk deel veroorzaakt wordt door implementatieproblemen dan wel prioritering bij de Belastingdienst.  
De staatssecretaris van Financiën komt gedeeltelijk tegemoet aan dit verzoek door het beleid als volgt aan te scherpen: Belastingschuldigen die zich melden, krijgen de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn de juiste informatie aan te leveren. Indien zij dit doen, wordt hun beslagvrije voet met ingang van het meldingsmoment – dus met een beperkte terugwerkende kracht – vastgesteld.

Beslagvrije voet bij verrekening
Volgens de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet is de beslagvrije voet bij een inkomen gelijk of lager dan de bijstandsnorm gelijk aan 95% van het inkomen. Gemeenten, UWV en SVB moeten bij het verrekenen op de uitkering rekening houden met de beslagvrije voet.
Sociaal raadslieden stellen als ‘tussenmaatregel’ voor om bij beslaglegging of verrekening op een uitkering op bijstandsniveau uit te gaan van een beslagvrije voet van minimaal 95% van het inkomen.
Dit voorstel is gedeeltelijk overgenomen: de staatssecretaris van SZW zal gemeenten oproepen om, anticiperend op de wet minimaal uit te gaan van een percentage gelijk aan 95% van de bijstandsnorm voor respectievelijk een alleenstaande of gehuwde.

Meer informatie
Kamerbrief voortgang implementatie Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en Verbreding beslagregister
Uitzending Kassa: Dieper in de schulden door de overheid (9-02-2019)
Vertraging nieuwe beslagvrije voet is onacceptabel

Overheidinstanties werken nog te veel vanuit hun eigen kaders als zij schulden invorderen. Daarbij verliezen ze het perspectief van mensen met schulden uit het oog, waardoor die vaak verder in de financiële problemen komen. Dat concludeert Nationale ombudsman Reinier van Zutphen in zijn rapport Behoorlijk invorderen vanuit het burgerperspectief. Hij roept overheidsinstanties op om behoorlijk in te vorderen, oftewel met oog voor de positie en het belang van mensen met schulden. In zijn rapport presenteert hij daartoe een behoorlijkheidskader waarin hij aangeeft wat mensen van de overheid mogen verwachten als die schulden bij hen invordert.


Verschillende problemen

Mensen met schulden bij de overheid lopen tegen verschillende problemen aan, blijkt uit Invorderen vanuit het burgerperspectief. Zo respecteert de overheid de beslagvrije voet, het deel van het inkomen waarop geen beslag mag worden gelegd, lang niet altijd. Ook lopen mensen er tegenaan dat persoonlijk contact niet mogelijk is en ze geen (begrijpelijke) schuldenoverzichten ontvangen. Verder werken overheidsorganisaties niet of te weinig samen, met onnodige invorderingsacties tot gevolg. Ze sturen mensen van het kastje naar de muur, werken niet mee aan schuldhulpverlening of leveren nauwelijks maatwerk.

Nationale ombudsman Reinier van Zutphen: ‘De overheid heeft onvoldoende oog voor de persoonlijke situatie van mensen met schulden. Veel mensen wíllen wel betalen, maar kúnnen dat niet.  De overheid houdt daar in zijn invorderingsbeleid geen rekening mee. Dat moet veranderen.’

Behoorlijkheidskader

Te vaak brengt het invorderingsbeleid van de overheid mensen met schulden dieper in de financiële problemen, vindt de ombudsman. Reinier van Zutphen: ‘Dat moet stoppen. De overheid moet bij het invorderen oog hebben voor de positie en het belang van mensen met schulden.’

In ‘Invorderen vanuit burgerperspectief‘ presenteert de ombudsman daartoe een behoorlijkheidskader. Daarmee geeft de ombudsman weer waarop mensen moeten kunnen vertrouwen als de overheid schulden bij hen invordert. Zo vindt de ombudsman dat de overheid zich bij het innen van schulden moet inspannen om verdere schulden te voorkomen, duidelijk moet communiceren en ernaar moet streven om waar nodig persoonlijk contact op te nemen. Verder moet de overheid redelijk handelen en maatwerk leveren, de beslagvrije voet waarborgen, meewerken aan schuldhulpverlening en zoveel mogelijk samenwerken met andere overheidsinstanties. En als de overheid vorderingen uitbesteedt, bijvoorbeeld aan een deurwaarder, moet ook dat op een behoorlijke manier gebeuren.

Grote haast

De Nationale ombudsman roept overheidsinstanties op om het behoorlijkheidskader na te leven. Van de (Rijks)overheid verwacht de ombudsman dat zij overheidsinstanties daarvoor ruimte biedt. Reinier van Zuphen: ‘Overheidsinstanties moeten nu toch echt behoorlijk gaan invorderen. Ook vooruitlopend op aangekondigde wet- en regelgeving moeten ze doen wat nu al mogelijk is. Sommige organisaties hebben daarin al mooie stappen gezet, maar er moet nog veel gebeuren. En daar is grote haast bij.’

Aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid doet de ombudsman de oproep om het behoorlijkheidskader in te bedden in haar Brede Schuldenaanpak.

Hoe nu verder?

Om de vinger aan de pols te houden, zal de ombudsman klachten over het invorderen van schulden voortaan toetsen aan zijn behoorlijkheidskader. Hij heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gevraagd om hem binnen drie maanden te informeren over de manier waarop zij het behoorlijkheidskader zal inbedden in haar Brede Schuldenaanpak. Begin 2020 vraagt de ombudsman het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan tafel om hem te informeren over de voortgang rond behoorlijke invordering.

Wat vooraf ging

Invordering door de overheid heeft al langer de aandacht van de Nationale ombudsman. In 2013 bracht hij het rapport In het krijt bij de overheid uit, waarin knelpunten bij invordering door de overheid worden beschreven. Zes jaar later zijn de meeste knelpunten uit dat rapport nog steeds niet opgelost,  ondanks meerdere verbeterplannen van de overheid. Reinier van Zutphen: ‘Ik vind het zorgwekkend dat er nog steeds mensen verder in de financiële problemen komen door toedoen van de overheid. Overheidsinstanties moeten daar nú wat aan doen. Het uitstellen van wet- en regelgeving mag geen reden zijn om te wachten.’


Meer informatie

Rapport: Invorderen vanuit burgerperspectief
Samenvatting rapport
Infographic ‘Schulden bij de overheid’

3 februari 2019 - Schuldinfo

Wanneer een betalingsregeling is getroffen en een betaling niet op tijd plaatsvindt, komt in veel gevallen de regeling te vervallen en wordt de vordering in z’n geheel opeisbaar. Reden om te dagvaarden. Maar met een dagvaarding, vonnis en beslag lopen de kosten alleen maar verder op, terwijl daar nu juist geen geld voor is. Kantonrechter Staal van de rechtbank Limburg maakt korte metten met zo’n handelwijze. Iemand die geruime tijd keurig een betalingsregeling nakomt en er gaat vervolgens wat mis, kun je niet ineens zo maar gaan dagvaarden.


   foto: Gerd Altmann

De kantonrechter komt tot de volgende beoordeling.

De opstelling van Menzis en/of haar gemachtigde roept ook dit keer weer vragen op. Die was / is formeel of liever formalistisch en niet gericht op oplossing van een reëel probleem, althans zonder oog voor het evidente belang van een in een afhankelijke schuldpositie verkerende maar onmiskenbaar coöperatieve verzekerde.
Om te beginnen wordt Menzis er ook dit keer maar weer eens op geattendeerd dat zij met haar veel te globale processtukken zelf steken laat vallen die doen twijfelen aan de zorgvuldigheid waarmee zij haar klanten bejegent. De aan een eisende partij (…) opgelegde processuele verplichtingen tot correct en zorgvuldig procederen lappen Menzis en het gemachtigde deurwaarderskantoor in belangrijke mate aan hun laars. Daarmee doen zij hun wederpartij onrecht en brengen zij de rechter – indien en voor zover de gedaagde partij het beeld niet corrigeert – op een dwaalspoor. Tot het van de aanvang af vereiste substantiëren van de vordering en het naar waarheid en volledig onderbouwen van haar grondslagen behoort immers – om maar wat voorbeelden te noemen – dat Menzis inzicht had moeten bieden in aard en inhoud van de overeenkomst, de wijze van uitvoering, de facturering, de vraag of, waarom en wanneer ter zake van een opeisbare vordering betalingsverzuim van de debiteur ingetreden is en de eventuele doorbreking van die opeisbaarheid ten gevolge van een regeling tot afbetaling. Merendeels heeft Menzis zelfs bij repliek dit inzicht niet geboden.

Waar X zelf in zijn antwoord het al gedurende twee jaar bestaan van een betalingsregeling in combinatie met informatie over zijn nijpende schuldenpositie als relevant gegeven te berde gebracht had, heeft Menzis dit niet bestreden. Zij heeft op haar beurt slechts ten aanzien van de in juni 2018 aangepaste afspraak een tipje van de sluier opgelicht. Daarbij is vooral de nadruk gelegd op wat X fout deed zonder acht te slaan op het onbetwist gebleven feit dat X (of zijn echtgenote die in een gelijke positie verkeert) al geruime tijd braaf aflossingen verricht. Ook verzweeg Menzis dat zij thans met X als verzekerde geen premierelatie onderhoudt omdat zijn (niet ‘vrijwillige’) schulden uit het verleden nog steeds in de weg staan aan een volwaardige verzekering. X is tot nu toe verplicht genoegen te nemen met de veel duurdere bestuursrechtelijke voorziening voor de verzekering van ziektekosten. Dat gegeven alleen al had Menzis tot voorzichtigheid en zorgvuldigheid moeten bewegen in de behandeling van een over de jaren 2015, 2016 en 2017 opgebouwde vordering aan ‘eigen risico’. Een vordering die voor een normale schuldenaar overzienbaar zou moeten zijn (€ 771,97 in hoofdsom totaal), maar die dit kennelijk voor X allerminst is. De schuld staat immers niet op zichzelf en bij betaling dient ieder bedrag afgewogen te worden tegen een andere uitgave.

Inmiddels heeft X stapsgewijs bijna het gehele bedrag in hoofdsom voldaan (€ 465,19 was al ten tijde van dagvaarding afgelost, en nadien is blijkens de repliek nog € 195,00 in mindering door Menzis ontvangen, terwijl de kantonrechter er van uitgaat dat X zijn belofte gestand gedaan heeft om ook na medio november 2018 € 65,00 per maand te blijven voldoen. Dit betekent dat Menzis alleen buiten rechte én vervolgens in rechte tracht niet alleen kosten van invordering te maken, maar ook deze op X te verhalen. En dat waar zij weet, althans zich zou moeten realiseren, dat X iedere euro moet omdraaien en elk kostenbedrag kan missen als kiespijn. Menzis heeft in deze procedure de kantonrechter er niet van kunnen overtuigen dat er in september 2018 een objectieve noodzaak bestond om de lopende betalingsregeling (zelfs na een voorafgaande waarschuwing) als beëindigd te beschouwen omdat door stornering van een onderweg zijnd bedrag van € 65,00 de laatste termijn niet stipt op tijd kwam. Juist omdat X er in het nabije verleden blijk van gegeven had de zaak in geen enkel opzicht te willen traineren, had Menzis (via “GGN”) moeten nagaan of er iets misgegaan was dat zich voor eenvoudige correctie leende. Dat die correctie er alsnog op initiatief van X zelf kwam, leert het vervolg.

Het gebrek aan redelijke noodzaak van het doen uitbrengen van een dagvaarding aan X krijgt extra inkleuring door na te gaan of Menzis wel aangetoond heeft dat ten tijde van dagvaarding sprake was van betalingsverzuim van X. De betalingsherinnering van “GGN” d.d. 27 augustus 2018 is niet als ingebrekestelling aan te merken en bevat ook niet de boodschap dat de betalingsregeling vervallen is. Ook aan de brief van 7 juni 2018 over de verlengde regeling kan niet ontleend worden dat verzuim bij (beperkte) nalatigheid van de schuldenaar in het voldoen van een enkele termijn van rechtswege intreedt. Dit betekent dat X eerst in betalingsverzuim geraakt is als gevolg van de daad van dagvaarding en wel per 10 oktober 2018, de dag waartegen hij in rechte opgeroepen werd. Maar op die dag had Menzis, zoals uit de repliek blijkt, al twee bedragen van € 65,00 extra geïncasseerd en was al weer bijna een derde termijn onderweg. (…) Dit betekent dat de veroordeling van X tot betaling van enig restbedrag beperkt moet blijven tot hetgeen na de laatst bekende termijnbetaling van 24 oktober 2018 aan hoofdsom resteert: € 111,78. Wel wordt daarover de wettelijke rente met ingang van 11 oktober 2018 toewijsbaar geacht. Het is dus heel wel denkbaar dat X met verdere aflossingen na 24 oktober 2018 het stadium bereikt heeft dat hij meer voldeed dan hij krachtens dit vonnis nog verschuldigd is. Hij kan dan tegenover Menzis op restitutie van dit verschil aanspraak maken.

Daarbij komt dat Menzis in het licht van het voorgaande als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten verwezen wordt. Voor het tweevoudig bezoeken van de rolzitting voor het leveren van verweer worden de kosten aan de zijde van X begroot op tweemaal een bedrag van € 36,00 (half salaris gemachtigde) ofwel € 72,00. Menzis zal tot betaling daarvan veroordeeld worden zonder dat dit onderdeel uitvoerbaar verklaard wordt bij voorraad omdat daar nu eenmaal door X niet om gevraagd is. Er wordt evenwel op vertrouwd dat dit door Menzis netjes in de verdere afwikkeling van de zaak betrokken wordt.

De beslissing
De kantonrechter komt tot het volgende oordeel:

  • De tot 24 oktober 2018 becijferde vordering van Menzis wordt slechts tot een bedrag van € 111,78 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 11 oktober 2018 tot de datum van volledige betaling, onder veroordeling van X om een eventueel thans nog openstaand saldo aan Menzis te betalen.
  • Het vonnis wordt op dit onderdeel uitvoerbaar verklaard bij voorraad.
  • Menzis wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten die aan de zijde van X bepaald zijn op een bedrag van € 72,00.
  • Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W.M.A. Staal en is in het openbaar uitgesproken.

Naschrift
Menzis heeft het manifest van de schuldeiserscoalitie ondertekend. Er is nog werk aan de winkel.

Meer informatie
Rb Limburg 16 januari 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:331
Achtergrondinfo deurwaarderskosten

De Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden, aangesloten bij Sociaal Werk Nederland, heeft op alle onderdelen gelijk gekregen: deurwaarders mogen geen ‘ambtelijke kosten’ in rekening brengen voor een oproep voor e-court. Deurwaarders kunnen die kosten wel in rekening brengen voor bijvoorbeeld een oproep om voor de kantonrechter te verschijnen. e-Court is een commerciële instelling en geen overheidsinstelling.


3,3 miljoen euro
André Moerman, voorzitter van de signaleringscommissie van de LOSR, had de zaak samen met een cliënt aangespannen, tegen een van de grootste deurwaarderskantoren. Dit kantoor, deurwaarderskantoor GGN, heeft bij zo’n 33.000 mensen ten onrechte ongeveer honderd euro in rekening gebracht voor een oproep voor e-court. In totaal gaat het dus om pakweg 3.3 miljoen euro.

De uitspraak van de tuchtrechter opent volgens sociaal raadslieden de weg voor tienduizenden mensen om ten onrechte betaalde deurwaarderskosten terug te vorderen. Volgens de kamer voor gerechtsdeurwaarders in Amsterdam bracht deurwaarder Rinus van Etten kosten in rekening bij een schuldenaar terwijl dat niet mocht.

Zijn kantoor riep mensen op voor e-court, de digitale geschillenbeslechter die concept-vonnissen produceert voor de rechtbank. Bij die oproep voor e-court werden ‘ambtelijke kosten’ in rekening gebracht, zoals een deurwaarder die in rekening mag brengen voor een oproep om voor de kantonrechter te verschijnen. De tuchtrechter oordeelt dat een oproep voor e-court en een oproep voor de kantonrechter de deurwaarder niet dezelfde rechten op ‘ambtelijke kosten’ geeft.

Verwarring
André Moerman: “Ik ben er erg blij mee. Dat de rechter geen maatregel heeft opgelegd aan het kantoor GGN vind ik overigens niet terecht; maar ik snap het wel ten aanzien van het aanmerken van een ambtshandeling. De verantwoordelijkheid voor die verwarring is ontstaan door de notitie van de KBvG. Organisaties zoals GGN volgden wat de KBvG als richtlijn aangaf. Maar ik snap het niet ten aanzien van het in rekening brengen van kosten. Zie onderdeel 4.5. Daar is geen verwarring over geweest.”

Beide partijen gaan in beroep
Zowel Moerman als Van Etten overwegen in appel te gaan tegen de uitspraak. Moerman omdat de tuchtrechter Van Etten geen sanctie oplegde, Van Etten omdat volgens hem de gang van zaken rond de oproep voor het e-court eerder goedkeuring kreeg van zowel de beroepsorganisatie als van verschillende rechtbanken.


Meer informatie

Kamer voor gerechtsdeurwaarders 22 januari 2019
Oorspronkelijke klacht tegen GGN
Deurwaarder GGN bracht ten onrechte ruim 3 miljoen euro kosten in rekening (Follow the money)
Tuchtrechter: deurwaarder mocht geen vergoeding vragen voor e-court (NOS)
Meer info e-Court

20 januari 2019 - Schuldinfo

Wie geld leent wordt geregistreerd bij Bureau Kredietregistratie. Ook een telefoonabonnement met telefoon ter waarde van € 250 of meer staat genoteerd. Heb je problemen met aflossen dan komt daar een negatieve codering bij, die 5 jaar na het voldoen van het krediet blijft staan.
Op deze wijze worden kredietverstrekkers beschermd tegen financiële risico’s en burgers tegen overkreditering. Een goede zaak! Echter soms is de situatie inmiddels ingrijpend gewijzigd en staat de negatieve registratie niet meer in verhouding tot het doel. Wat kun je dan doen?

Gratis overzicht BKR-registratie
Het is allereerst van belang om te weten hoe je bij BKR geregistreerd
staat. Hier kom je achter door inzage te vragen. Sinds invoering van de
AVG op 25 mei 2018 moet het BKR gratis inzage verschaffen. Op de website staat deze mogelijkheid nogal verstopt en de werkwijze is omslachtig.
Je moet het formulier uitprinten, invullen en per post opsturen en dan
ontvang je pas na 28 dagen bericht. Bovendien kom je maar één keer per
jaar voor dit gratis overzicht in aanmerking. Deze omslachtige werkwijze voor het ‘gratis overzicht’ is door BKR ingevoerd om het ‘betaald
overzicht’ aantrekkelijk te houden. Digitaal aanvragen met een snelle
afhandeling kan namelijk ook, maar dan tegen betaling.
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft overigens aangegeven te onderzoeken of BKR met deze werkwijze wel voldoet aan art. 12 AVG.

Codering
Op het overzicht dat BKR verstrekt kan achter de lening een code staan. De kredietverstrekker vermeld een code wanneer een achterstand is ontstaan of bij andere bijzonderheden.  De verschillende codes hebben de
volgende betekenis.

A Achterstand van enkele maanden bij terugbetalen lening.
H Herstelmelding: achterstand is ingelopen.
1 Betalingsregeling of schuldregeling getroffen.
2 Restant krediet is in z’n geheel opgeëist.
3 Schuld is afgeboekt of kwijtgescholden. Bij kwijtschelding staat een einddatum vermeld.
4 De kredietverstrekker kan je niet bereiken
5 Er is een preventieve betalingsregeling getroffen voor een hypotheek

Disproportioneel
Een negatieve
kredietregistratie blijft in beginsel 5 jaar staan nadat de schuld is
voldaan. Deze termijn kan in bepaalde gevallen te lang zijn. De Hoge
Raad heeft namelijk in het Santander-arrest bepaald dat de registratie bij BKR moet voldoen aan de beginselen van
proportionaliteit en subsidiariteit. Dit betekent dat de bank bij een
verzoek tot verwijdering van een negatieve BKR-registratie een
belangenafweging moet maken tussen de belangen van de consument
(bijvoorbeeld om een hypotheek te kunnen verkrijgen) en de belangen van
de bank om financiële risico’s te beperken en de consument te behoeden
voor overkreditering.

Verzoek tot wijziging
Wanneer je het niet eens bent met de wijze waarop je geregistreerd staat bij
BKR kun je een verzoek tot wijziging van de gegevens indienen bij de
kredietverstrekker. Het is belangrijk om dit goed onderbouwd te doen.
Verstrek bij het verzoek de volgende informatie:

  • Beschrijving van de situatie die tot de negatieve BKR-registratie heeft geleid. Wat
    is er gebeurd? Hoe hoog was de achterstand? Hoe is deze ontstaan? Welke
    omstandigheden speelden hierbij een rol? Hoe snel is de achterstand
    ingelopen?
  • Beschrijving van de huidige situatie. Wat is
    veranderd? Hoe is de financiële situatie nu en die van de eventuele
    partner? Overleg hierbij ook loonstroken e.d.
  • Welke problemen ondervind je als gevolg van de negatieve BKR-registratie? Voeg stukken bij waaruit dit blijkt.

Wanneer het niet lukt
Wanneer het verzoek tot wijziging van de BKR-registratie wordt geweigerd zijn er drie mogelijkheden om dit aan te kaarten:

  • Binnen 2 maanden via de geschillencommissie van BKR.
  • Binnen 6 weken via een verzoek bij de rechter op basis van art. 35 Uitvoeringswet AVG. Voor dit verzoek is geen advocaat nodig, al is dit wel verstandig.
  • Via een kort geding wanneer er een spoedeisend belang is. Hiervoor heb je wel een advocaat nodig.


Voorbeelden van uitspraken

Voorbeeld 1 (vordering in kort geding)
Jan kan geen hypotheek krijgen vanwege een negatieve registratie bij BKR.
De reden van deze registratie is dat hij in 2014 een schone lei heeft
gekregen. De bank Qander heeft destijds zo’n € 5000 moeten afboeken op
de vordering. Jan heeft sindsdien geen schulden gemaakt. Andere
schuldeisers hebben hun coderingen wel verwijderd. Qander is de enige
die de codering handhaaft.  De schulden waren destijds ontstaan omdat
Jan werkloos was geraakt. De huidige situatie is stabiel. Hij heeft een
vaste baan, een partner die ook een inkomen heeft en er is sprake van
een gezonde financiële situatie. Jan heeft er belang bij dat hij op
korte termijn een woning kan kopen. Hij lijdt aan astma en kan vanwege
vochtproblemen niet in zijn huidige huurwoning blijven wonen.
De
rechter beslist dat de bank binnen drie dagen de registratie moet
verwijderen, op straffe van een dwangsom wanneer Qander in gebreke
blijft. >>>Uitspraak

Voorbeeld 2 (verzoek bij rechtbank)
Miriam heeft begin 2015 een achterstand in de aflossing van een lening
gekregen ad. € 613,66, vermoedelijk doordat het saldo op de bankrekening te laag was vanwege kosten voor een verbouwing. De brieven van de
Volksbank die gingen over de achterstand en de melding bij BKR heeft ze
ongeopend gelaten omdat ze veronderstelde dat dit berichten waren over
de hoogte van de variabele rente op haar hypotheek. Zodra ze achter de
achterstand ontdekte heeft ze deze voldaan. Miriam heeft voldoende
inkomen (tweemaal modaal) en haar financiële situatie is stabiel. De
negatieve BKR-registratie heeft er toe geleid dat ze geen hypotheek kon
krijgen. De rechter beslist dat de Volksbank binnen twee weken de
codering moet verwijderen op straffe van een dwangsom wanneer de
Volksbank in gebreke blijft. >>>Uitspraak

Voorbeeld 3 (verzoek bij rechtbank)
Gerard heeft een schuld bij Wehkamp gehad ad. € 3900 die is ontstaan als
gevolg van een relatiebreuk. Gerard is met alle schulden achtergebleven
en hij is tevens enige tijd werkeloos geweest. Door deze omstandigheden
is hij bovendien depressief geraakt en stapelden de schulden zich op.
Hij heeft hulp gezocht en het door hem gevolgde
schuldhulpverleningstraject in 2015 voortijdig kunnen beëindigen door
een groot geldbedrag te sparen en met dit bedrag alle schulden af te
lossen. Inmiddels is Gerard al enige jaren financieel stabiel. De
rechtbank is van oordeel dat de door Gerard aangevoerde feiten en
omstandigheden onvoldoende zijn om te komen tot het oordeel dat de
A2-codering verwijderd dient te worden. De betalingsachterstand betrof
een tamelijk hoog bedrag, en het heeft bijna drie jaar geduurd voordat
Gerard deze achterstand volledig had terugbetaald. Het belang bij
instandhouding van de registratie van de A2-codering is hiermee gegeven; kredietverleners dienen beschermd te worden tegen dergelijke vormen van ernstige wanbetaling. Slechts indien sprake is van bijzondere
individuele omstandigheden op grond waarvan de betrokkene onevenredig in zijn persoonlijke belangen wordt getroffen, kan aanleiding bestaan voor het oordeel dat voornoemd belang bij registratie van de
betalingsachterstand dient te wijken voor het individuele belang van de
betrokkene. De enkele wens van Gerard en zijn partner om een woning te
kopen is wat dit betreft onvoldoende.  >>>Uitspraak

Voorbeeld 4 (verzoek bij geschillencommissie BKR)
Sjaak heeft een achterstand opgelopen ad. € 92,74. De brieven hierover heeft
hij niet ontvangen omdat hij heeft verzuimd een verhuisbericht door te
geven.
De Commissie is van oordeel dat de toe te passen
belangenafweging in het voordeel van Sjaak moet uitvallen. Alle
omstandigheden overziende is de Commissie van oordeel dat Sjaak geen
debiteur is waartegen de branche blijvend moet worden gewaarschuwd of
dat hij tegen zichzelf moet worden beschermd. Hij heeft al 16 jaar een
vaste baan bij dezelfde werkgever en verkeert in een stabiele financiële situatie. Nadat hij op de hoogte was van de vordering heeft hij de
vordering in één keer betaald. De lakse houding van Sjaak om geen
verhuisadres door te geven ziet de Commissie als een incident. De
negatieve BKR-registratie bestaat al twee jaar. Alles bij elkaar genomen acht de Commissie het laten voortduren van de registratie
disproportioneel. >>>Uitspraak

Hulp tegen betaling
Er zijn allerlei bureaus actief die je graag willen helpen om tegen
betaling de BKR-registratie gewijzigd te krijgen. Voordat je besluit om
dit te doen is het van belang te realiseren dat in veel gevallen de
BKR-registratie klopt en niet disproportioneel is. Inschakelen van zo’n
bureau is dan zonde van het geld. Bovendien kun je prima zelf een
verzoek tot aanpassing doen, maar doe dit wel zorgvuldig en goed
onderbouwd.

Meer informatie
Gratis overzicht bij BKR opvragen
Klacht indienen bij de geschillencommissie
Uitspraken geschillencommissie BKR
Zie hier voor meer uitspraken (klik op ‘uitspraken’) 

20 januari 2019 - Schuldinfo

Wie geld leent wordt geregistreerd bij Bureau Kredietregistratie. Ook een telefoonabonnement met telefoon ter waarde van € 250 of meer staat genoteerd. Heb je problemen met aflossen dan komt daar een negatieve codering bij, die 5 jaar na het voldoen van het krediet blijft staan.
Op deze wijze worden kredietverstrekkers beschermd tegen financiële risico’s en burgers tegen overkreditering. Een goede zaak! Echter soms is de situatie inmiddels ingrijpend gewijzigd en staat de negatieve registratie niet meer in verhouding tot het doel. Wat kun je dan doen?

Gratis overzicht BKR-registratie
Het is allereerst van belang om te weten hoe je bij BKR geregistreerd
staat. Hier kom je achter door inzage te vragen. Sinds invoering van de
AVG op 25 mei 2018 moet het BKR gratis inzage verschaffen. Op de website staat deze mogelijkheid nogal verstopt en de werkwijze is omslachtig.
Je moet het formulier uitprinten, invullen en per post opsturen en dan
ontvang je pas na 28 dagen bericht. Bovendien kom je maar één keer per
jaar voor dit gratis overzicht in aanmerking. Deze omslachtige werkwijze voor het ‘gratis overzicht’ is door BKR ingevoerd om het ‘betaald
overzicht’ aantrekkelijk te houden. Digitaal aanvragen met een snelle
afhandeling kan namelijk ook, maar dan tegen betaling.
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft overigens aangegeven te onderzoeken of BKR met deze werkwijze wel voldoet aan art. 12 AVG.

Codering
Op het overzicht dat BKR verstrekt kan achter de lening een code staan. De kredietverstrekker vermeld een code wanneer een achterstand is ontstaan of bij andere bijzonderheden.  De verschillende codes hebben de
volgende betekenis.

A Achterstand van enkele maanden bij terugbetalen lening.
H Herstelmelding: achterstand is ingelopen.
1 Betalingsregeling of schuldregeling getroffen.
2 Restant krediet is in z’n geheel opgeëist.
3 Schuld is afgeboekt of kwijtgescholden. Bij kwijtschelding staat een einddatum vermeld.
4 De kredietverstrekker kan je niet bereiken
5 Er is een preventieve betalingsregeling getroffen voor een hypotheek

Disproportioneel
Een negatieve
kredietregistratie blijft in beginsel 5 jaar staan nadat de schuld is
voldaan. Deze termijn kan in bepaalde gevallen te lang zijn. De Hoge
Raad heeft namelijk in het Santander-arrest bepaald dat de registratie bij BKR moet voldoen aan de beginselen van
proportionaliteit en subsidiariteit. Dit betekent dat de bank bij een
verzoek tot verwijdering van een negatieve BKR-registratie een
belangenafweging moet maken tussen de belangen van de consument
(bijvoorbeeld om een hypotheek te kunnen verkrijgen) en de belangen van
de bank om financiële risico’s te beperken en de consument te behoeden
voor overkreditering.

Verzoek tot wijziging
Wanneer je het niet eens bent met de wijze waarop je geregistreerd staat bij
BKR kun je een verzoek tot wijziging van de gegevens indienen bij de
kredietverstrekker. Het is belangrijk om dit goed onderbouwd te doen.
Verstrek bij het verzoek de volgende informatie:

  • Beschrijving van de situatie die tot de negatieve BKR-registratie heeft geleid. Wat
    is er gebeurd? Hoe hoog was de achterstand? Hoe is deze ontstaan? Welke
    omstandigheden speelden hierbij een rol? Hoe snel is de achterstand
    ingelopen?
  • Beschrijving van de huidige situatie. Wat is
    veranderd? Hoe is de financiële situatie nu en die van de eventuele
    partner? Overleg hierbij ook loonstroken e.d.
  • Welke problemen ondervind je als gevolg van de negatieve BKR-registratie? Voeg stukken bij waaruit dit blijkt.

Wanneer het niet lukt
Wanneer het verzoek tot wijziging van de BKR-registratie wordt geweigerd zijn er drie mogelijkheden om dit aan te kaarten:

  • Binnen 2 maanden via de geschillencommissie van BKR.
  • Binnen 6 weken via een verzoek bij de rechter op basis van art. 35 Uitvoeringswet AVG. Voor dit verzoek is geen advocaat nodig, al is dit wel verstandig.
  • Via een kort geding wanneer er een spoedeisend belang is. Hiervoor heb je wel een advocaat nodig.


Voorbeelden van uitspraken

Voorbeeld 1 (vordering in kort geding)
Jan kan geen hypotheek krijgen vanwege een negatieve registratie bij BKR.
De reden van deze registratie is dat hij in 2014 een schone lei heeft
gekregen. De bank Qander heeft destijds zo’n € 5000 moeten afboeken op
de vordering. Jan heeft sindsdien geen schulden gemaakt. Andere
schuldeisers hebben hun coderingen wel verwijderd. Qander is de enige
die de codering handhaaft.  De schulden waren destijds ontstaan omdat
Jan werkloos was geraakt. De huidige situatie is stabiel. Hij heeft een
vaste baan, een partner die ook een inkomen heeft en er is sprake van
een gezonde financiële situatie. Jan heeft er belang bij dat hij op
korte termijn een woning kan kopen. Hij lijdt aan astma en kan vanwege
vochtproblemen niet in zijn huidige huurwoning blijven wonen.
De
rechter beslist dat de bank binnen drie dagen de registratie moet
verwijderen, op straffe van een dwangsom wanneer Qander in gebreke
blijft. >>>Uitspraak

Voorbeeld 2 (verzoek bij rechtbank)
Miriam heeft begin 2015 een achterstand in de aflossing van een lening
gekregen ad. € 613,66, vermoedelijk doordat het saldo op de bankrekening te laag was vanwege kosten voor een verbouwing. De brieven van de
Volksbank die gingen over de achterstand en de melding bij BKR heeft ze
ongeopend gelaten omdat ze veronderstelde dat dit berichten waren over
de hoogte van de variabele rente op haar hypotheek. Zodra ze achter de
achterstand ontdekte heeft ze deze voldaan. Miriam heeft voldoende
inkomen (tweemaal modaal) en haar financiële situatie is stabiel. De
negatieve BKR-registratie heeft er toe geleid dat ze geen hypotheek kon
krijgen. De rechter beslist dat de Volksbank binnen twee weken de
codering moet verwijderen op straffe van een dwangsom wanneer de
Volksbank in gebreke blijft. >>>Uitspraak

Voorbeeld 3 (verzoek bij rechtbank)
Gerard heeft een schuld bij Wehkamp gehad ad. € 3900 die is ontstaan als
gevolg van een relatiebreuk. Gerard is met alle schulden achtergebleven
en hij is tevens enige tijd werkeloos geweest. Door deze omstandigheden
is hij bovendien depressief geraakt en stapelden de schulden zich op.
Hij heeft hulp gezocht en het door hem gevolgde
schuldhulpverleningstraject in 2015 voortijdig kunnen beëindigen door
een groot geldbedrag te sparen en met dit bedrag alle schulden af te
lossen. Inmiddels is Gerard al enige jaren financieel stabiel. De
rechtbank is van oordeel dat de door Gerard aangevoerde feiten en
omstandigheden onvoldoende zijn om te komen tot het oordeel dat de
A2-codering verwijderd dient te worden. De betalingsachterstand betrof
een tamelijk hoog bedrag, en het heeft bijna drie jaar geduurd voordat
Gerard deze achterstand volledig had terugbetaald. Het belang bij
instandhouding van de registratie van de A2-codering is hiermee gegeven; kredietverleners dienen beschermd te worden tegen dergelijke vormen van ernstige wanbetaling. Slechts indien sprake is van bijzondere
individuele omstandigheden op grond waarvan de betrokkene onevenredig in zijn persoonlijke belangen wordt getroffen, kan aanleiding bestaan voor het oordeel dat voornoemd belang bij registratie van de
betalingsachterstand dient te wijken voor het individuele belang van de
betrokkene. De enkele wens van Gerard en zijn partner om een woning te
kopen is wat dit betreft onvoldoende.  >>>Uitspraak

Voorbeeld 4 (verzoek bij geschillencommissie BKR)
Sjaak heeft een achterstand opgelopen ad. € 92,74. De brieven hierover heeft
hij niet ontvangen omdat hij heeft verzuimd een verhuisbericht door te
geven.
De Commissie is van oordeel dat de toe te passen
belangenafweging in het voordeel van Sjaak moet uitvallen. Alle
omstandigheden overziende is de Commissie van oordeel dat Sjaak geen
debiteur is waartegen de branche blijvend moet worden gewaarschuwd of
dat hij tegen zichzelf moet worden beschermd. Hij heeft al 16 jaar een
vaste baan bij dezelfde werkgever en verkeert in een stabiele financiële situatie. Nadat hij op de hoogte was van de vordering heeft hij de
vordering in één keer betaald. De lakse houding van Sjaak om geen
verhuisadres door te geven ziet de Commissie als een incident. De
negatieve BKR-registratie bestaat al twee jaar. Alles bij elkaar genomen acht de Commissie het laten voortduren van de registratie
disproportioneel. >>>Uitspraak

Hulp tegen betaling
Er zijn allerlei bureaus actief die je graag willen helpen om tegen
betaling de BKR-registratie gewijzigd te krijgen. Voordat je besluit om
dit te doen is het van belang te realiseren dat in veel gevallen de
BKR-registratie klopt en niet disproportioneel is. Inschakelen van zo’n
bureau is dan zonde van het geld. Bovendien kun je prima zelf een
verzoek tot aanpassing doen, maar doe dit wel zorgvuldig en goed
onderbouwd.

Meer informatie
Gratis overzicht bij BKR opvragen
Klacht indienen bij de geschillencommissie
Uitspraken geschillencommissie BKR
Zie hier voor meer uitspraken (klik op ‘uitspraken’) 

Bij een verzoek om bijzondere bijstand voor bepaalde kosten zal het college van B&W vaststellen hoeveel betrokkene zelf van deze kosten kan betalen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in een uitspraak op 28 maart 2006 bepaald dat bij deze zogenaamde draagkrachtberekening het deel van het inkomen waar beslag op ligt, niet meegenomen mag worden, omdat je over dat deel redelijkerwijze niet kunt beschikken. Een mooie uitspraak die recht doet aan bijstand als vangnet. De CRvB oordeelde echter op 14 februari 2017 anders. Er zou geen rekening hoeven worden gehouden met loonbeslag. Volgens de rechtbank Oost-Brabant kan echter uit deze laatste uitspraak, gedaan door een enkelvoudige kamer en niet goed onderbouwd, niet de conclusie worden getrokken dat sprake is van een koerswijziging van de CRvB.


Wat vooraf ging
Betrokkene is vanwege schulden onder bewind gesteld. De bewindvoerder heeft bij de gemeente Helmond bijzondere bijstand aangevraagd voor griffierecht, intakekosten en de maandelijkse kosten voor beschermingsbewind. Aangezien er beslag op zijn inkomen is gelegd is betrokkene niet in staat deze kosten zelf te betalen.
De gemeente Helmond wijst de aanvraag af en verklaart het bezwaarschrift ongegrond. Volgens het college moet het deel van het inkomen waar beslag op ligt ook meegenomen worden bij het berekenen van de draagkracht, omdat dit anders zou leiden tot het indirect verstrekken van bijstand voor schulden. Dat is in strijd met artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw.
Het college beroept zich daarbij op een uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017. Met die uitspraak is de CRVB volgens het college teruggekomen van eerdere vaste rechtspraak op basis waarvan inkomen waar beslag op ligt niet mag worden betrokken bij de vaststelling van de draagkracht, zoals bijvoorbeeld de uitspraak van de CRVB van 28 maart 2006.

De bewindvoerder heeft beroep aangetekend en de rechtbank Oost-Brabant oordeelt als volgt:

Beoordeling

13. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat uit de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017 niet kan worden afgeleid dat daarmee is beoogd af te wijken van de tot dan toe gehanteerde lijn van de CRVB zoals die is verwoord in de uitspraak van 28 maart 2006. In deze uitspraak heeft de CRvB over het in beschouwing nemen van het inkomen voor zover daarop executoriaal beslag is gelegd overwogen dat niet kan worden gezegd dat de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken over zijn inkomen voor zover daarop executoriaal beslag is gelegd omdat de betrokkene dat inkomensdeel immers niet feitelijk kan besteden, ter zake niet beschikkingsbevoegd is noch zijn werkgeefster aan kan spreken om, in weerwil van het gelegde beslag, bedoeld inkomensdeel aan hem uit te betalen. De CRvB heeft daarbij expliciet vermeld dat het bepaalde in artikel 15 van de destijds vigerende Algemene Bijstandswet (ABW) aan het vorenstaande niet afdeed. De strekking van artikel 15 van de ABW was vrijwel identiek aan het huidige artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw.

14. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank niet in de rede dat de CRvB ongemotiveerd, in enkelvoudig verband en zonder aan te geven dat sprake is van een fundamentele koerswijziging van de hiervoor bedoelde vaste rechtspraak zou afwijken. De rechtbank volgt daarom verweerder niet in de conclusie dat, gelet op de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017, een aanvrager van bijzondere bijstand voor de bepaling van zijn draagkracht, anders dan voorheen, nu wel geacht wordt redelijkerwijs te kunnen beschikken over het deel van zijn inkomen waarop executoriaal beslag ligt. De rechtbank hecht aan de uitspraak van de CRvB van 14 februari 2017 dus niet de betekenis die verweerder daaraan gehecht wenst te zien.

15. Gelet op bovenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder het gedeelte van eisers inkomen waar beslag op is gelegd ten onrechte heeft aangemerkt als inkomen dat moet worden meegenomen bij de berekening van de draagkracht van eiser. Het beroep is dan ook gegrond wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb, en het bestreden besluit wordt vernietigd.

Naschrift
Deze jurisprudentie is ook van belang wanneer betrokkene is toegelaten tot de Wsnp. Er zal dan bij de draagkrachtberekening alleen rekening mogen worden gehouden met het ‘vrij te laten bedrag’. Het is verdedigbaar dat ook bij een minnelijke schuldregeling, hierbij aansluiting wordt gezocht.

Meer informatie
Rechtbank Oost-Brabant 21 december 2018, zaaknummer SHE18/522
CRVB van 28 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006: AV8374
CRvB van 14 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:501
CRvB van 18 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1556
Bijzondere bijstand kosten curator, bewindvoerder en mentor

Deurwaarders zijn onderworpen aan tuchtrechtspraak, uitgevoerd door de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders en in hoger beroep door het Hof Amsterdam. Hierbij een selectie van uitspraken gepubliceerd in de maanden oktober t/m december 2018.

Ondanks betalingsregeling loonbeslag gelegd en onjuiste beslagvrije voet gehanteerd
De deurwaarder wordt verweten beslag te hebben gelegd terwijl er een
betalingsregeling liep en geen rekening te hebben gehouden met de
(juiste) beslagvrije voet. De deurwaarder heeft erkend dat het in beide
gevallen niet goed is gegaan. De betalingsregeling is ten onrechte
beëindigd en ook bij het toepassen van de beslagvrije voet is het mis
gegaan. De klacht wordt gegrond verklaard en de deurwaarder wordt de
maatregel van berisping opgelegd. >>>Uitspraak

Beslag gelegd onder meerdere banken
De deurwaarder heeft tegelijk beslag onder de ING en de ABN AMRO gelegd.
De kamer overweegt dat het leggen van beslag onder één of meerdere
banken zonder dat er een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat een
betrokkene daar bankiert, niet is toegestaan. Dat er veel mensen bij de
ING bankieren, als door de deurwaarder is aangevoerd, maakt nog niet dat iedereen daar bankiert en kan niet dienen als gerechtvaardigd vermoeden in voormelde zin. Ten aanzien van het onder de ABN AMRO Bank gelegde
beslag heeft klager aangevoerd dat het veertig jaar geleden is dat hij
daar een rekening had. Dat de deurwaarder bekend was met een
rekeningnummer van klager bij die bank dan wel dat er ooit geld is
binnengekomen via die bank, is onvoldoende concreet om te dienen als
gerechtvaardigd vermoeden in voormelde zijn. De klacht wordt op dit
onderdeel gegrond verklaard en de deurwaarder wordt de maatregel van
berisping opgelegd. >>>Uitspraak


Ten onrechte in rekening brengen van kosten en andere slordigheden

De klacht betreft het onterecht in rekening brengen van proces- en executiekosten.  De deurwaarders hebben de klachten erkend. Zij hebben toegegeven dat brieven een evidente misslag bevatten. Niet alleen klopt de optelling niet, maar ook zijn de proces- en executiekosten niet verschuldigd, omdat nog helemaal geen rechtsmaatregelen zijn genomen. Ten tijde van het uit handen geven van de vordering in juni 2015 liep de energielevering nog door. Als gevolg daarvan is de vordering verhoogd met het maandelijks verschuldigde termijnbedrag. De energielevering is echter als gevolg van de verhuizing van klaagster reeds lang gestaakt.
De klacht wordt gegrond verklaard. Nu er sprake is van diverse slordigheden die ook een grote impact hebben gehad op klaagster, acht de kamer het opleggen van de maatregel van berisping naast een geldboete ad. € 500 passend en geboden. >>>Uitspraak
 

Te late aanpassing beslagvrije voet
De klacht betreft het verwijt dat de beslagvrije voet te laat is
aangepast. De kamer overweegt dat de voor aanpassing benodigde stukken
reeds op 10 december 2016 aan de deurwaarder waren toegezonden. Voor
zover deze stukken onvoldoende waren, had het op de weg van de
deurwaarder gelegen daar eerder om te vragen dan gedaan. Gelet op het
grote belang bij aanpassing van de beslagvrije voet dient een en ander
zo snel mogelijk te worden opgepakt. Wellicht waren er gegronde redenen
om dat pas op 19 december 2016 te doen, echter die zijn niet aangevoerd. De klacht wordt gegrond verklaard, maar er wordt geen maatregel
opgelegd omdat kort die datum de beslagvrije voet is aangepast. >>>Uitspraak

Persoonlijk naar kantoor voor inzage in het digitaal beslagregister
Klager wilde inzage in het digitaal beslagregister. Hij moest hiervoor
persoonlijk naar het kantoor komen. De kamer overweegt hierover:
“Dat klager is uitgenodigd op het kantoor van de gerechtsdeurwaarder wordt
in dit geval niet tuchtrechtelijk laakbaar geacht. Immers alvorens de
gevraagde gegevens te verstrekken, dient de verantwoordelijke er zorg
voor te dragen dat de identiteit van verzoeker deugdelijk wordt
vastgesteld (artikel 37 lid 2 Wbp). Dit om te voorkomen dat de verzochte gegevens worden gegeven aan iemand anders dan degene wiens gegevens het betreft. Die identificatie dient in persoon plaats te vinden en kan dus alleen plaatsvinden indien klager zich persoonlijk op het kantoor van
de gerechtsdeurwaarder vervoegt.” Klacht wordt ongegrond verklaard. >>>Uitspraak
Binnenkort is het digitaal beslagregister met Digi-D te raadplegen via www.schuldenwijzer.nl.

Bewindvoerder krijgt geen bericht
De klacht bestaat uit meerdere onderdelen. Het niet beantwoorden van een brief van de bewindvoerder. Het leggen van beslag zonder de bewindvoerder daarin te kennen. Het leggen van beslag onder de bank na ontvangst van inkomsten. Geen rekening houden met de beslagvrije voet en het niet reageren op een klacht daarover. De kamer acht de eerste twee klachtonderdelen gegrond. De gerechtsdeurwaarder wordt de maatregel van berisping opgelegd. De overige klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. >>>Uitspraak

Deurwaarder verricht handelingen terwijl hypotheekachterstand was voldaan
De klacht betreft het verwijt dat de deurwaarder handelingen verricht zonder uitspraak van een rechter. Aan klager is daarover onduidelijke onvolledige informatie verstrekt. Klager verwijt de deurwaarder voorts dat hij hem onduidelijke en foutieve informatie heeft verstrekt. De kamer overweegt dat het dossier ondubbelzinnig was gesloten omdat de volledige achterstand door klager was voldaan en het beslag was door de deurwaarder opgeheven. Daarmee was de door de ING aan de deurwaarder gegeven opdracht beëindigd. De deurwaarder beschikte dus niet meer over een titel op grond waarvan bij de werkgever kon worden geïnformeerd en beslag kon worden gelegd. Verder is de kamer van oordeel dat de deurwaarder onvoldoende transparant jegens klager is geweest omdat hij klager niet van de vergissing op de hoogte heeft gesteld direct nadat de vergissing was ontdekt. Klacht wordt gegrond verklaard en de gerechtsdeurwaarder wordt een geldboete ad. € 500 opgelegd. >>>Uitspraak
 

Verschil van mening over rente
Klager verwijt de deurwaarder dat hij nalatig is geweest inzake de afhandeling van een dossier waarover een verschil van mening was ontstaan tussen de deurwaarder en zijn opdrachtgever inzake het fixeren van de rente. De kamer overweegt dat de deurwaarder te passief is opgetreden. Hij had zich meer moeten inspannen om het geschil met de opdrachtgever over de rente op te lossen. Dat had ook op de weg van de deurwaarder gelegen, omdat het geschil nu juist door hem was veroorzaakt en klager hiervan de nadelen ondervond. De klacht wordt gegrond verklaard en de deurwaarder wordt de maatregel van berisping opgelegd. >>>Uitspraak

Dagvaarding ten onrechte openbaar betekend
De klacht is dat er door de deurwaarder onvoldoende onderzoek is gedaan,
voordat de dagvaarding openbaar werd betekend. De kamer overweegt dat,
nu een adres bekend was, onweersproken is gesteld dat degene die daar
woonachtig was diverse malen op dat adres is aangeschreven, en mede
gelet op het feit dat de degene die is aangeschreven op het moment van
dagvaarden 104 jaar oud zou zijn, had door de deurwaarder voorafgaand
aan de dagvaarding meer onderzoek moeten plaatsvinden dan het enkel
afgaan op de gegevens uit de GBA. De deurwaarder had een poging tot
betekening kunnen doen op voornoemd adres en in ieder geval had zij op
dat adres nader onderzoek kunnen en moeten doen naar de verblijfplaats
van betrokken. De klacht wordt deels gegrond verklaard. Geen maatregel
opgelegd. >>>Uitspraak

Specificaties komen niet met elkaar overeen
De kamer overweegt dat klager terecht klaagt over de verschillen tussen de specificatie zoals vermeld in het exploot van 26 augustus 2016 en de
brief van 16 september 2016. De deurwaarder heeft destijds en ter
zitting niet inzichtelijk kunnen maken waardoor de verschillen zijn
veroorzaakt. Het door de deurwaarder ter zitting gedane aanbod om een
specificatie te maken waarin de verschillen worden uitgelegd, is te laat gedaan. Die uitleg had al veel eerder moeten worden gegeven. In zoverre is de klacht van klager terecht voorgesteld. Voor het gegrond
verklaarde onderdeel van de klacht wordt de maatregel van berisping
opgelegd. >>>Uitspraak

Meer informatie
Overzichten tuchtrechtspraak deurwaarders
Website tuchtrechtspraak 

1 januari 2019 - Schuldinfo

Om greep te krijgen op de kosten van beschermingsbewind worden door gemeenten allerlei pogingen ondernomen. Als meest vergaande oplossing is bedacht dat de gemeente beschermingsbewind voor mensen met een laag inkomen zelf exclusief gaat uitvoeren: “Wil je gratis beschermingsbewind, dan moet je bij de gemeente zijn.” De gemeente Deventer strandde op een oordeel van de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Er was sprake van oneerlijke concurrentie, zo oordeelde de autoriteit. De gemeente Groningen heeft eenzelfde stap gezet, maar ACM oordeelde anders. De gemeenteraad van Groningen had in het verleden beschermingsbewind als activiteit van algemeen belang aangemerkt, met als gevolg dat de ACM niet bevoegd is. Een makkelijke manier om ACM onbevoegd te maken. Het College voor beroep en bedrijfsleven steekt hier een stokje voor. Van ‘algemeen belang’ is niet zo maar sprake.


  Afbeelding: DarkCordial

Wanneer de overheid zelf economische activiteiten verricht moet ze zich, om
oneerlijke concurrentie te voorkomen, houden aan een aantal
gedragsregels die opgenomen zijn in de Wet markt en overheid, namelijk:

  • De overheid moet alle kosten die ze maakt voor een dienst doorberekenen in de prijs.
  • De overheid mag een eigen overheidsbedrijf niet bevoordelen boven concurrerende bedrijven.
  • Heeft een overheid bij bepaalde diensten een bestuurlijke rol, en voert zij
    die diensten ook zelf uit? Dan mogen niet dezelfde personen betrokken
    zijn bij zowel het bestuur als de uitvoering (verplichte
    functiescheiding).
  • De overheid mag gegevens waarover ze beschikt (bijvoorbeeld uit de Basisregistratie personen) niet opnieuw gebruiken
    voor een economische activiteit, tenzij ze deze informatie ook aan de
    concurrerende bedrijven verstrekt.

De Wet markt en overheid is niet van toepassing op economische activiteiten die plaatsvinden in het algemeen belang. De gemeente Groningen heeft op 25 juni 2014 beschermingsbewind
aangemerkt als een activiteit in het algemeen belang. Dat is de reden
waarom de ACM niet bevoegd was om een klacht over oneerlijke
concurrentie te onderzoeken.

Het College voor beroep en
bedrijfsleven (CBb) heeft echter in twee recente uitspraken bepaald dat
de overheid niet zomaar werkzaamheden kan aanmerken als activiteiten in
het algemeen belang.  Het CBp vat deze uitspraken in een persbericht als volgt samen:

“De overheid mag een product of dienst alleen
onder de kostprijs aanbieden als die economische activiteit plaatsvindt
in het algemeen belang. Zij moet uitleggen waarom exploitatie onder de
kostprijs in het algemeen belang noodzakelijk is en aantonen dat
commerciële marktpartijen het product of de dienst niet kunnen
aanbieden. Als de overheid zelf onder de kostprijs aanbiedt, moet zij
zorgen dat commerciële aanbieders daar zo weinig mogelijk financieel
nadeel van hebben. Soms moet zelfs schadevergoeding worden betaald.”

Deze nieuwe jurisprudentie werpt een ander licht op de kwestie
‘beschermingsbewind exclusief uitgevoerd door de gemeente’ en vraagt om
een herbeoordeling van de ACM.

Meer informatie:
CBb geeft duidelijkheid over toepassing Wet Markt en Overheid
College van Beroep voor het bedrijfsleven 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:660
College van Beroep voor het bedrijfsleven 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:661 
De ACM wijst handhavingsverzoek tegen de gemeente Groningen af
Besluit op handhavingsverzoek ten aanzien van beschermingsbewind gemeente Deventer

De Nationale ombudsman, Reinier van Zutphen, heeft minister Ollongren van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) in een brief om aandacht gevraagd voor de korte aanvraagtermijn voor bijzondere situaties voor de huurtoeslag.


Deel van inkomen niet meerekenen
Ontvangers van huurtoeslag kunnen in zogenoemde ‘bijzondere situaties’ aan de Belastingdienst/Toeslagen vragen om een deel van hun inkomen niet mee te rekenen. Het gaat om situaties waarin het wél meerekenen onredelijk zou uitwerken, omdat het recht op huurtoeslag daardoor (deels) zou vervallen. De ontvanger zou zijn huurtoeslag dan (deels) moeten terugbetalen. Een voorbeeld van zo’n bijzondere situatie is de (verplichte) afkoop van een klein pensioen. Het hele pensioen wordt dan in één keer uitbetaald. Als dat bedrag bij het inkomen zou worden gerekend, zou de ontvanger dat jaar minder of zelfs geen recht hebben op huurtoeslag. De regeling voor bijzondere situaties voorkomt dit.

‘Aanvraagtermijn van zes weken te kort’
Mensen die een beroep willen doen op de regeling voor bijzondere situaties, moeten daarvoor uiterlijk zes weken na de definitieve toekenning van de huurtoeslag een aanvraag doen bij de Belastingdienst/Toeslagen. Die aanvraagtermijn is te kort, stelt de Nationale ombudsman: ‘Ik krijg regelmatig klachten van mensen die pas na de termijn van zes weken ontdekken dat ze een beroep op de regeling voor bijzondere situaties hadden kunnen doen. Door de korte aanvraagtermijn komen zij niet meer in aanmerking voor de regeling, vaak met ernstige financiële gevolgen. Dat is krom, want juist een regeling die bedoeld is om schrijnende situaties te voorkomen, moet goed toegankelijk zijn en een ruime aanvraagtermijn hebben.’

Eind 2016 deed de ombudsman daarom al een verzoek aan de toenmalige minister van Wonen en Rijksdienst om de aanvraagtermijn van zes weken te verruimen naar vijf jaar. Dat is de gebruikelijke termijn voor het kunnen indienen van een verzoek om herziening van een toeslagbeschikking. De minister antwoordde toen dat hij voorlopig geen aparte wijzigingen wilde doorvoeren, met het oog op een geplande algehele heroverweging van de uitvoering van de huurtoeslag.

Dringend beroep op minister
Nu blijkt dat deze heroverweging op zich laat wachten, doet de ombudsman een dringend beroep op de minister van BZK om een voorlopige oplossing te bieden. Hij vraagt haar om aanvragen die (formeel) te laat zijn ingediend de komende tijd bij wijze van coulance toch in behandeling te nemen. Van Zutphen: ‘Daarmee zou de minister een groep financieel kwetsbare mensen alsnog de bescherming bieden die past in de geest van deze regeling.’

De ombudsman heeft de minister van BZK uitgenodigd om op korte termijn met hem in gesprek te gaan.

Naschrift
Ook de Landelijke Organisatie Sociaal Raadslieden (LOSR, Sociaal Werk Nederland) heeft een brief gestuurd om aandacht te vragen voor de korte aanvraagtermijn. Download de brief hier.


Meer informatie

Financieel kwetsbaren dupe van ongewenste effecten regels
Brief aan minister Ollongren van BZK (14 december 2018)
Brief aan minister Blok (19 december 2016)
Reactie Ministerie van Binnenlandse Zaken (8 maart 2017)

Actueel

Minidoc Onbegrijpelijke taal
3 januari 2019

Fatal error: Call to undefined function md_clone_excerpt() in /var/www/vhosts/sallandsedialoog.nl/httpdocs/wp-content/themes/md-clone/archive.php on line 80