Verzekeraar Allianz vordert € 92 vanwege een premieachterstand. Een verzoek om uitstel, omdat voor betrokkene beschermingsbewind was aangevraagd, mocht niet baten. Een dagvaarding volgde. De kantonrechter maakt korte metten: incassokosten en proceskosten worden afgewezen. Er bestaat weliswaar geen wettelijk recht op uitstel, maar de rechter kan wel te snel dagvaarden afstraffen. Als het aan de regering ligt zal dit vaker gaan gebeuren.


   Foto: Ivana Divišová

Wat voorafging
Verzekeraar Allianz heeft de bewindvoerder q.q. gedagvaard vanwege een
vordering ad. € 142,35 (€ 92,00 hoofdsom; € 1,95 rente daarover tot de
dagvaarding en € 48,40 buitengerechtelijke incassokosten inclusief BTW). De bewindvoerder heeft – kort gezegd – aangevoerd dat er geen
aanleiding was voor deze procedure en het maken van verdere kosten omdat duidelijk was dat de hoofdsom werd erkend en er bewind was aangevraagd
en opgestart.

De kantonrechter oordeelt als volgt

“2.3. De kantonrechter stelt voorop dat de hoofdsom niet is betwist en evenmin dat daarover rente verschuldigd is. In zoverre is de vordering toewijsbaar. Het gaat nog om de daarbij gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten van Allianz.

2.4. Uit de door de bewindvoerder beschreven tijdlijn en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat GGN namens Allianz op 22 februari 2018 een aanmaningsbrief aan X stuurde waarin aanspraak wordt gemaakt op de hoofdsom en € 1,50 aan rente. In die brief – de zogenoemde 14 dagenbrief – wordt een betalingstermijn van 14 dagen gegeven waarna incassokosten (€ 48,40) verschuldigd zullen zijn. De bewindvoerder heeft op 5 maart 2018 – en dus ruim binnen die termijn van 14 dagen – een e-mailbericht aan de betrokken deurwaarder gestuurd en bericht dat er overleg is geweest met X en met een medewerker van de gemeente en dat gezamenlijk een aanvraag voor beschermingsbewind is ingevuld en aan de rechtbank gezonden. Met het oog op de met de behandeling van die aanvraag gemoeide tijd, vraagt de bewindvoerder clementie. Zonder daar op in te gaan stuurde GGN op 20 maart 2018 opnieuw een aanmaning aan Z, ditmaal voor € 145,83. De bewindvoerder berichtte GGN op 21 maart 2018 dat de zitting over het beschermingsbewind had plaatsgevonden op 16 maart 2018 en dat X in afwachting was van de beschikking. Y meldt tot dan niets te kunnen doen en dat Y hoopt dat een en ander even kan worden aangehouden. Op 22 maart 2018 verzoekt GGN de bewindvoerder om het openstaande bedrag te betalen en de bewindvoerder reageert met verwijzing naar bericht van 21 maart 2018. Op 1 april 2018 heeft de rechtbank de beschikking uitgesproken waarbij het vermogen van X onder bewind is gesteld. De bewindvoerder heeft de beschikking op 5 april 2018 aan GGN doorgestuurd. GGN heeft vervolgens nogmaals een aanmaning gestuurd. De bewindvoerder heeft GGN bericht over de stand van zaken; de schulden van X werden in kaart gebracht en schuldhulpverlening werd gestart. GGN is daar niet op in gegaan en heeft op 30 mei 2018 de dagvaarding laten betekenen.

2.5. De kantonrechter is het met de bewindvoerder eens dat onder de hiervoor beschreven omstandigheden geen aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Het was door het bericht van de bewindvoerder van 5 maart 2018 duidelijk dat er sprake was van betalingsonmacht aan de kant van X en dat een schuldhulpverleningstraject werd gestart. Het lag in de rede om daar adequaat op te reageren en in ieder geval enige tijd af te wachten of dit tot een oplossing zou leiden. Daarmee had naar het zich laat aanzien een procedure – met alle kosten van dien – voorkomen kunnen worden. De kosten die in deze zaak gemoeid zijn geweest met de werkzaamheden van GGN om betaling te verkrijgen buiten rechte zijn naar het oordeel van de kantonrechter niet in redelijkheid gemaakt. Daarom zal de gevorderde vergoeding worden afgewezen. De gang van zaken is verder aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.”

Kabinetsplannen
Een schuldeiser hoeft niet in te stemmen met uitstel van betaling of een betalingsregeling, zo is in het Burgerlijk Wetboek geregeld. Toch oordeelt de rechter in onderhavige uitspraak dat de
incassokosten en proceskosten van de schuldeiser voor eigen rekening
blijven. Te snel dagvaarden wordt hiermee afgestraft.
Dit is overigens in lijn met plannen van het kabinet om te snel dagvaarden tegen te gaan. In het regeerakkoord staat hierover: 

“Schuldeisers dienen eerst de mogelijkheden van een betalingsregeling te onderzoeken
voor een zaak voor de rechter wordt gebracht”

Hoe dit
wettelijk vormgegeven gaat worden is nog niet bekend. Als het maar leidt tot een daadwerkelijk onderzoek en niet een dode letter die met een
standaardpassage in de dagvaarding kan worden afgedaan.

Meer informatie
Rb Midden-Nederland 12 september 2018, 6972221 UC EXPL 18-6711 PD/968

7 oktober 2018 - Schuldinfo

Ben je net meerderjarig geworden, word je geconfronteerd met een incassobureau. Je ouders hebben de tandartsrekening niet betaald terwijl ze wel een vergoeding van de zorgverzekeraar hebben ontvangen. Dit overkwam Janny. Ze hield voet bij stuk en verwees Famed, de organisatie die de tandartsrekening int, naar haar ouders. Echter, zonder succes. Ze wordt gedagvaard en de rechtbank Rotterdam oordeelt dat ze toch zelf de rekening moet betalen.



Wat vooraf ging

Op 13 september 2016 is Janny door de tandarts behandeld waarvoor € 393,63 in rekening is gebracht. Ze was toen 17 jaar.
De tandarts heeft zijn vordering overgedragen aan Famed. Nadat de rekening niet betaald werd is Janny gedagvaard om € 459,81 te betalen.
Janny heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Zij erkent dat ze naar de tandarts is geweest, maar betwist dat ze een betalingsverplichting heeft. Ze was minderjarig waardoor de vergoeding voor die behandelingen door de zorgverzekeraar is betaald aan haar ouder. Janny, inmiddels meerderjarig, vindt dat ze onterecht aangesproken wordt tot betaling van de nota. Haar ouder is verantwoordelijk voor het betalen van die nota. Bovendien heeft haar ouder de vergoeding voor de behandelingen ontvangen van de zorgverzekeraar. Zij verzoekt dan ook de vordering af te wijzen.

De rechtbank Rotterdam oordeelt als volgt.

De beoordeling
“In geschil is of [gedaagde] een betalingsverplichting heeft met betrekking tot de tandheelkundige behandelingen. Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 7:447 BW een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, bekwaam is tot het aangaan van een behandelingsovereenkomst ten behoeve van zichzelf en aansprakelijk is voor de uit die behandelingsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen, onverminderd de verplichting van de ouders tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding.

Als onweersproken staat vast dat de tandarts de behandelingen in opdracht van de op dat moment zeventienjarige [gedaagde] heeft uitgevoerd. Tussen [gedaagde] en de tandarts bestaat aldus een behandelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:446 BW. Op grond van die overeenkomst en artikel 7:461 BW is [gedaagde] de tandarts een vergoeding verschuldigd. Het verweer van [gedaagde], dat niet zij, maar haar ouder verantwoordelijk is voor betaling van de behandelingen, wordt verworpen. [gedaagde] is immers zelf aansprakelijk voor de uit de door haar gesloten behandelingsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen, anders gezegd: [gedaagde] is verantwoordelijk voor tijdige betaling van de door haar genoten tandheelkundige behandelingen. Indien [gedaagde] wenst dat haar ouder de nota aan haar vergoedt, dan is het aan [gedaagde] om haar ouder daar voor aan te spreken. Dat de vergoeding voor de behandelingen door de zorgverzekeraar aan haar ouder is uitgekeerd en niet aan [gedaagde], ontslaat [gedaagde] niet van haar betalingsverplichting. Een en ander betekent dat [gedaagde] gehouden is de nota van 13 oktober 2016 ter zake de door haar op 13 september 2016 genoten tandheelkundige behandelingen te betalen. De vordering ter zake zal dan ook worden toegewezen.
(…)

De beslissing
De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Famed tegen kwijting te betalen € 459,81 vermeerderd met de wettelijke rente over € 393,63 vanaf 9 oktober 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Famed vastgesteld op € 200,51 aan verschotten en € 120,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.”

Meer informatie
Rechtbank Rotterdam 9 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:8281 
Rechtbank Groningen 4 juni 2009, ECLI:NL:RBGRO:2009:BM1623
Rechtbank Haarlem 5 april 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BA1801

Zie ook: ouders ten onrechte gedagvaard voor tandartsrekening
Rechtbank Assen 18 januari 2011, ECLI:NL:RBASS:2011:BP3837
Rechtbank Maastricht 18 februari 2009, ECLI:NL:RBMAA:2009:BH6089

16 september 2018 - Schuldinfo

Wanneer één of meer schuldeisers niet instemmen met een schuldregeling kan de rechter worden gevraagd om de schuldregeling op te leggen. Bij een toewijzing van het verzoek kan de weigerende schuldeiser in de proceskosten worden veroordeeld. Zo kwam de rechtbank Midden-Nederland tot het oordeel dat PB Tankcollect in de proceskosten moest worden veroordeeld omdat ze alleen bereid is te onderhandelen bij een aanbod van 50% of hoger. Eigenlijk vreemd want uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij een toewijzing van een dwangakkoord een proceskostenveroordeling standaard zou moeten zijn. Positief aan deze uitspraak is dat de rechtbank de proceskosten toewijst, terwijl bij het verzoek om een dwangakkoord geen rechtsbijstand is verleend, maar de ondersteuning heeft plaatsgevonden vanuit schuldhulpverlening. Zeer terecht want er gaat bij schuldhulpverlening veel tijd en dus geld gemoeid met dit soort procedures. Andere rechtbanken zouden hier een voorbeeld aan moeten nemen.


Aanleiding
Een 29-jarige, alleenstaande man woont zelfstandig, met begeleiding. Hij heeft een bijstandsuitkering en een totale schuldenlast van 15 concurrente en 2 preferente vorderingen met een totale schuldhoogte van € 32.414,89. Stichting de Tussenvoorziening heeft namens hem een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in dat verzoeker gedurende 36 maanden zijn afloscapaciteit reserveert. Doorbetaling van het gereserveerde bedrag vindt plaats op grond van een pondspondsgewijze verdeling. Dat zal kunnen resulteren in een uitkering van 11,59 % aan de concurrente schuldeisers. Aan de preferente schuldeisers wordt het dubbele geboden.

De voorgestelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve PB Tankcollect aanvaard. Independer heeft het voorstel aanvaard onder de voorwaarde dat iedere schuldeiser akkoord is, zodat ook Independer als weigeraar moet worden aangemerkt. Stichting de Tussenvoorziening heeft namens betrokkene de rechtbank verzocht Independer en PB Tankcollect te bevelen in te stemmen met de voorstelde schuldregeling.

De beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat uit het verzoek voldoende is gebleken dat het bod het uiterste is waartoe hij financieel in staat moet worden geacht. Gelet op de omstandigheden van dit geval, waaronder de persoonlijke problematiek van verzoeker en het feit dat hij thans (met een onderbouwing) door de gemeente ontheven is van zijn sollicitatieverplichting, heeft de rechtbank niet de verwachting dat verzoeker zodanige inkomsten kan generen dat in een schuldsaneringsregeling minimaal eenzelfde percentage kan worden uitgedeeld. Het is voldoende aannemelijk gemaakt dat verzoeker op dit moment niet in staat is fulltime in een (regulier) dienstverband te werken. Een sterke toename van inkomsten is dan ook niet te verwachten.
 
Nu de vooruitzichten voor Independer en PB Tankcollect als schuldeisers bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, is het uitgangspunt dat Independer en PB Tankcollect op grond van de inhoud van de aangeboden schuldregeling in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling hebben kunnen komen. Immers moet er op grond van deze vooruitzichten van uit worden gegaan dat Independer en PB Tankcollect geen belang hebben bij de weigering van de instemming, terwijl verzoeker en de overige schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding van de schuldregeling. Daarbij weegt mee dat de vorderingen van Independer en PB Tankcollect een relatief klein deel (0,61% resp. 0,91%) van de totale schuldenlast vertegenwoordigen.

Het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord wordt toegewezen.

Proceskostenveroordeling
Verzoeker heeft verzocht de weigerachtige schuldeisers te veroordelen in de kosten van de procedure op grond van artikel 287a lid 6 Fw. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de kostenveroordeling uit artikel 287a lid 6 Fw een stimulans moet zijn om in het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen. Independer heeft steeds inhoudelijk verweer gevoerd en heeft na ontvangst van het volledige verzoekschrift haar standpunt bijgesteld. De rechtbank zal haar daarom niet in de proceskosten veroordelen. PB Tankcollect is echter in haar schriftelijke weigering niet ingegaan op de omstandigheden van de onderhavige casus. Zij voert een algemene – principiële – weigeringsgrond aan en is eerst bereid te onderhandelen bij een aanbod van 50% of hoger, terwijl een dergelijk aanbod in het kader van het minnelijk traject zeldzaam is. Het staat PB Tankcollect weliswaar vrij om te weigeren, maar bij een weigering op deze gronden lijkt het reeds op voorhand niet mogelijk om met PB Tankcollect tijdens het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen. PB Tankcollect heeft daarnaast geen verweerschrift ingediend en is evenmin ter zitting verschenen. De rechtbank acht het daarom wenselijk PB Tankcollect in de kosten van de procedure te veroordelen.

Uit artikel 285 Fw vloeit voort dat het minnelijk traject moet worden begeleid door het college van burgemeester en wethouders, een gemeentelijke kredietbank of de krachtens de in artikel 48, eerste lid, onderdeel d van de Wet op het consumentenkrediet toegelaten personen. De rechtbank zal de proceskosten daarom begroten naar analogie van de artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin rechtsbijstand verplicht is.

Gezien de aard van deze procedure zal de rechtbank aansluiten bij het tarief voor een eenvoudig kort geding. De kosten aan de zijde van verzoeker worden tot op heden begroot op € 633,–.

Altijd veroordeling proceskosten
In onderhavige uitspraak worden de proceskosten toegewezen vanwege de bijzonder weigerachtige opstelling van PB Tankcollect. Een criterium dat door veel rechtbanken wordt gehanteerd. Opmerkelijk want uit de wettekst en wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bij toewijzing van het dwangakkoord een standaard proceskostenveroordeling voor ogen had.

In de wettekst staat:
“Indien de rechtbank het verzoek toewijst, veroordeelt de rechtbank de schuldeiser die instemming met de schuldregeling heeft geweigerd, in de kosten.”

Een directief geformuleerde bepaling die geen ruimte laat voor afwijzing. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat dit geen toevallige formulering is maar een bewuste keus om de totstandkoming van het minnelijk traject te stimuleren. Er staat:
“In het zesde lid wordt de kostenveroordeling opgenomen. Als een in de minnelijke fase voorbereide maar niet tot stand gekomen schuldregeling alsnog met behulp van de rechter wordt aangenomen of vastgesteld, worden de schuldeisers die de regeling in de minnelijke fase hebben afgewezen, veroordeeld in de kosten (zoals de griffierechten) van de aanvraagprocedure. De rechter heeft immers vastgesteld dat die weigering onterecht was. Deze kostenveroordeling moet een stimulans zijn om in het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen.”

Ook indien verzoek ingediend vanuit schuldhulpverlening
De bedoeling van de wetgever is hiermee duidelijk. Er zijn echter voor een verzoek om een dwangakkoord geen griffierechten verschuldigd en het verzoek wordt meestal ingediend met hulp en ondersteuning vanuit de gemeentelijke schuldhulpverlening of instelling die in opdracht van de gemeente het minnelijk traject uitvoert. De klant hoeft hier niet voor te betalen, maar de schuldhulpverlening kost natuurlijk wel geld. Aan elk verzoek tot toepassing van een dwangakkoord worden uren besteed die niet aan andere mensen met schulden besteed kunnen worden.

Het is zeer terecht dat de rechtbank Midden-Nederland bij een verzoek ondersteund vanuit schuldhulpverlening wel tot een proceskostenveroordeling komt en deze begroot naar analogie van de artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin rechtsbijstand verplicht is. Anders zou de weigerachtige schuldeiser geen nadeel van z’n eigen opstelling ondervinden, terwijl dit wel de bedoeling van de wetgever is. Bovendien worden er wel degelijk kosten gemaakt!

Tip
Dien je een verzoek om een dwangakkoord in, verzoek altijd om een veroordeling in de proceskosten en verwijs naar deze uitspraak:

Rb Midden-Nederland 12 september 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4361

Sinds 2011 is de instroom in de in de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) bijna gehalveerd. Dit terwijl de schuldenproblematiek onverminderd omvangrijk is. Reden voor mr. Engberts, rechter te Arnhem en voormalig voorzitter Recofa, om een open brief aan minister Dekker te schrijven.


Geachte minister Dekker,

Het regeerakkoord bevat een passage over de aanpak van de schuldenproblematiek in dit land. Die aandacht voor problematische schulden is terecht want al tientallen jaren gaan tallozen gebukt onder schulden die zij niet af kunnen lossen. Hun problemen zijn nauwelijks te bevatten. De investeringen in schuldhulpverlening nemen jaar op jaar toe. Toch slagen wij er niet in om dit probleem te verkleinen. Waar begin deze eeuw gesproken werd van naar schatting 250.000 Nederlanders met problematische schulden valt in een recent nieuwsbericht van uw kabinet (van 23 mei 2018) te lezen dat ongeveer 1,4 miljoen Nederlandse huishoudens problematische schulden of een risico daarop hebben! Ik plaats hier een uitroepteken want dat is een enorm aantal. Preventie en schuldhulpverlening lijken hier tekort te schieten. Dit alles is reeds in vele rapporten en door diverse journalisten van bijvoorbeeld De Groene Amsterdammer en De Correspondent (recent met name Jesse Frederik) uitstekend beschreven. Ik neem aan dat u deze publicaties kent.

In dit verontrustende beeld valt op – en dit is wat onderbelicht – dat de instroom in de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) alsmaar verder daalt. Van ongeveer 14.700 in 2011 naar 8.300 in 2017. De instroom zal dit jaar naar verwachting zelfs dalen tot ongeveer 6.000. Die enorme daling wordt vrijwel uitsluitend verklaard door de daling van het aantal ingediende verzoeken. En dat is zo jammer want uit gedegen onderzoek (de Wsnp wordt jaarlijks gemonitord) blijkt hoe effectief de Wsnp is. Uit de meest recente Monitor WSNP (over het jaar 2016) blijkt dat maar liefst 89% van de mensen die toegelaten worden tot de Wsnp, na het traject schuldenvrij is. Ten aanzien van het minnelijk traject blijkt uit de jaarcijfers van de NVVK over 2016 dat slechts in 41% van de (aangemelde) gevallen met succes een regeling tot stand werd gebracht. Daarvan werd 64 % succesvol afgerond zodat van de aangemelde mensen met problematische schulden slechts 26 % (64% van 41%) is geholpen (schuldenvrij is). En dan is de Wsnp ook nog ‘goedkoop’ omdat deze voor een groot deel door de schuldeisers betaald wordt.

Hoe is deze daling van het aantal schuldsaneringsverzoeken te verklaren? Vanuit mijn ervaring als rechter, (voormalig) voorzitter van Recofa (het overleg orgaan van insolventierechters in Nederland) en medewerker van Wsnp Periodiek is mijn analyse de volgende. Vast staat dat de sterke krimp van de Wsnp samenvalt met een enorme stijging van het aantal beschermingsbewinden. Dit aantal is van 122.000 in 2011 gestegen naar 242.000 in 2017 waarvan een groot deel mensen betreft met problematische schulden (schuldenbewind). De uitstroom of doorstroom van schuldenaren in beschermingsbewind naar de Wsnp is minimaal terwijl het toch de bedoeling is dat schuldenbewinden tijdelijk zijn. Daarnaast is er een grote groep mensen met problematische schulden die soms jarenlang met budgetbeheer ‘in de schuldhulp’ zit. Waarom steeds minder van hen doorstromen naar de Wsnp is niet helemaal duidelijk. Mogelijk wordt in veel gevallen geen Wsnpverzoek bij de rechtbank ingediend omdat niet aan de toelatingscriteria wordt voldaan. Een andere mogelijkheid is dat er te weinig stimulans is om door te verwijzen naar de Wsnp.

Wie kan deze patstelling doorbreken? Ik denk dat u dat kan door middel van drie maatregelen/wetswijzigingen. Uw idee om te experimenteren met lagere regelgeving (AmvB), de ‘Experimentenwet rechtspleging’, kan daarbij wellicht behulpzaam zijn. Waarschijnlijk heeft u daaraan al gedacht want de Faillissementswet (Fw) is in het experiment opgenomen onder andere in verband met de brede aanpak van de schuldenproblematiek, die ook de procesrechtelijke aspecten van deze wet raken.

Ten eerste kunt u de beschermingsbewindvoerders verplichten om – na een zekere, niet al te lange periode – aan de insolventierechter voor te leggen of de schuldenaar in aanmerking komt voor een schuldsaneringsregeling, tenzij een schuldregeling is bereikt. Dus ook zonder dat een minnelijk traject is doorlopen en zonder dat een verklaring van of namens de gemeente (art. 285 lid 1 onder f Fw) hierover wordt verlangd. Dat is dan een beetje in lijn met een recente motie van de SP om het minnelijk traject als verplicht voorportaal van de Wsnp af te schaffen. De gedachte hierbij is dat de beschermingsbewindvoerder na die periode de financiën op orde heeft en heeft onderzocht of een schuldregeling mogelijk is.

Ten tweede kunt u (of uw collega van Sociale Zaken) schuldhulpverleners verplichten om na een zekere periode van schuldhulpverlening het dossier met een Wsnp-verzoek aan de insolventierechter voor te leggen. Ook hier geldt dat van schuldhulpverlening verwacht mag worden dat de financiën na die periode op orde zijn en dat duidelijk is of een schuldregeling mogelijk is.

Deze twee maatregelen kunnen het beste gecombineerd worden met een herijking van de toelatingseisen van de Wsnp. Gezien de enorme schuldenproblematiek is de tijd daar rijp voor. Een belangrijk obstakel voor velen is de voorwaarde (voor toelating tot de Wsnp) dat men gedurende vijf jaar te goeder trouw moet zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden. Waar de schuldsaneringsregeling in principe drie jaar duurt, levert dat een periode van acht jaar in totaal op. Die vijfjaarstermijn is historisch gezien terug te voeren op de algemene wettelijke termijn voor verjaring van vorderingen (van vijf jaar). Gedacht kan worden, gegeven de omvang van het schuldenprobleem, aan een kortere termijn voor de goede-trouw-toets. Bijvoorbeeld een termijn die inclusief de termijn van de Wsnp vijf jaar is met een mogelijkheid voor verlenging of uitzondering voor bepaalde fraude schulden en/of strafrechtelijke schulden. Er is een tweede aspect dat heroverweging verdient: de goede-trouw-toets is ingegeven door de gedachte dat geen misbruik van de wettelijke schuldsaneringsregeling gemaakt mag worden en dat het maatschappelijk draagvlak voor het kwijtschelden van schulden niet ondermijnd mag worden. Tegen die achtergrond kan gedacht worden aan een (sub)regel die inhoudt dat de goede-trouw-toets niet van toepassing is als desbetreffende schuldeiser instemde met een aanbod voor een minnelijke schuldregeling en/of met toelating tot de Wsnp; dit komt in de praktijk met enige regelmaat voor.

Ik hoop van harte dat u deze ideeën wilt onderzoeken en dat ook uw ministerie (aldus) wil bijdragen aan de bestrijding van de schuldenproblematiek.

Hoogachtend,

mr. B.J. Engberts

Rechter te Arnhem, voormalig voorzitter Recofa en medewerker van WSNP Periodiek

Deze brief is eerder gepubliceerd in WSNP-Periodiek

Een echtpaar organiseert een groot feest voor ruim 5000 euro. Maar wie betaalt de rekening? De ondernemer zelf zo oordeelt de kantonrechter van de rechtbank Overijssel. Betrokkenen stonden onder bewind en de ondernemer had dit kunnen weten. Ze stonden namelijk geregistreerd in het bewindregister. De uitspraak is in lijn met eerder gepubliceerde jurisprudentie. Het bewindregister biedt behoorlijke bescherming. Ondernemers wees gewaarschuwd.


   Foto: RyanMcGuire

Groot feest
Eind 2016 heeft een echtpaar aan een horecaondernemer opdracht gegeven voor een groot feest, met consumpties, een hapjesbuffet en een diner. Na het feest kwam de rekening: € 5.151, maar die kon het echtpaar niet betalen. De bewindvoerder van Findool BV raakt hier van op de hoogte en stelt zich op het standpunt de vordering niet te erkennen, omdat het echtpaar onder bewind stond en de horecaondernemer dit had kunnen weten. De bewindvoerder wordt gedagvaard en de kantonrechter oordeelde als volgt:

Het vonnis
Vooropgesteld dient te worden dat tussen eiseres en rechthebbenden afspraken zijn gemaakt voor een feestje te houden in het etablissement van eiseres en verzorgd door eiseres, alsmede dat die afspraken zijn gemaakt zonder medewerking van gedaagden. Eiseres kan rechthebbenden/gedaagden niet verwijten dat zij de overeenkomst is aangegaan zonder dat rechthebbenden hebben medegedeeld dat zij onder bewind stonden.
Rechthebbenden zijn immers onder bewind gesteld vanwege hun lichamelijke of geestelijke toestand omdat voldoende aannemelijk is geworden dat zij als gevolg van hun lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat zijn ten volle hun vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.

Ter bescherming van de belangen van derden wordt de uitspraak waarbij het bewind is ingesteld, gepubliceerd in het register en bestaat de mogelijkheid, ook voor eiseres, dat openbare register te raadplegen. Dat eiseres het openbare register in het onderhavige geval niet heeft geraadpleegd komt voor rekening en risico van eiseres.

Hierbij wordt opgemerkt dat het niet ging om een contante verkoop / koop van geringe waarde of om een koop betreffende het normale levensonderhoud maar om een feest met een waarde van € 5.151,85.
Met eiseres is de kantonrechter van oordeel dat het ondoenlijk is voor elke transactie van geringe waarde of het normale levensonderhoud betreffende het register te raadplegen, maar van een dergelijke transactie is hier dus geen sprake.
Een feest van een dergelijke omvang mag wellicht voor eiseres dagelijkse kost zijn, eiseres dient en diende echter wel te beseffen dat voor haar wederpartij een feest met een dergelijke omvang geen dagelijkse kost pleegt te zijn.
Eiseres had op eenvoudige wijze de identiteit van rechthebbenden kunnen vaststellen door bijvoorbeeld naar een identiteitsbewijs te vragen en vervolgens het register kunnen raadplegen om te zien of er sprake was van een bewind (of curatele).
Het door eiseres gedane beroep op de goede trouw faalt gelet op het vooroverwogene eveneens.

Conclusie is dat de rechtshandeling ongeldig is en de vordering afgewezen zal worden.

Bewindregister
Sinds 1 januari 2014 is het mogelijk om een onderbewindstelling vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand in te schrijven in het curatele- en bewindregister. Bij onderbewindstelling worden de volgende personen geregistreerd:

  • Bij onderbewindstelling vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand, wanneer de rechter daartoe heeft besloten. Dit kan op verzoek van de onderbewindgestelde, de bewindvoerder of
    ambtshalve door de rechter. De rechter maakt hierbij een afweging tussen privacy en de noodzakelijkheid.


Voordeel van publicatie van onderbewindstelling is dat de schuldeiser geacht
wordt op de hoogte zijn van het beschermingsbewind. De bewindvoerder kan zich er dan op beroepen dat de overeenkomst ongeldig is. Schuldeisers kunnen zich niet verhalen op de onder bewind gestelde goederen. Het einde van het bewind brengt hierin geen verandering.

Meer jurisprudentie
Er zijn inmiddels meer uitspraken waarbij succesvol een beroep op het bewindregister is gedaan. Twee voorbeelden:

NRC met I-Phone
Een onderbewindgestelde sluit een NRC-abonnement af inclusief levering van een i-Phone. De bewindvoerder wist van niets. Pas na een vonnis komt hij achter de nieuwe schuld. Het bewindregister biedt uitkomst. NRC had kunnen weten dat betrokkene onder bewind stond. De bewindvoerder gaat in verzet tegen het vonnis en de rechtbank Noord-Holland wijst alsnog de vordering af. >>>Uitspraak

Geboekte reis
Een onderbewindgestelde heeft een vliegreis geboekt voor zo’n  € 1500. Omdat de rekening niet werd betaald heeft Tui op het laatste moment de overeenkomst ontbonden en op basis van de algemene voorwaarden 90% van de reissom in rekening gebracht. Pas na een vonnis komt de bewindvoerder achter deze nieuwe schuld. Tui had vanwege inschrijving in het bewindregister kunnen weten dat betrokkene onder bewind stond. De bewindvoerder gaat in verzet tegen het vonnis en de rechtbank Noord-Holland wijst alsnog de vordering af. >>>Uitspraak

Jurisprudentie gevraagd
Heb je ook interessante jurisprudentie die niet op rechtspraak.nl is gepubliceerd, mail het naar info@schuldinfo.nl

Meer informatie
Rb Overijssel 17 april 2018, zaaknr.: 6507316\CV EXPL 17-3909
NRC-abonnement met i-Phone, geen verhaal mogelijk op onder bewind gestelde goederen
Aangaan geldlening wel geldige rechtshandeling, maar geen verhaal mogelijk op onder bewind gestelde goederen
Geboekte reis geen geldige rechtshandeling, geen derdebescherming, betrokkene staat in bewindregister
Vernietiging overeenkomst ivm curatele, niet raadplegen curateleregister komt voor eigen rekening
Achtergrondinfo beschermingsmaatregelen

26 augustus 2018 - Schuldinfo

Wanneer je een rekening niet op tijd betaalt mag de schuldeiser of het incassobureau extra kosten in rekening brengen. Deze zogenaamde incassokosten mogen bij consumenten alleen in rekening worden gebracht wanneer aan strikte regels wordt voldaan. Betaal incassokosten niet klakkeloos, maar check eerst of het klopt.



Wat zijn incassokosten?

Wanneer een schuldeiser kosten moet maken om een vordering te innen, dan mag hij deze onder bepaalde voorwaarden in rekening brengen. Het gaat dan om de kosten die voorafgaand aan een gerechtelijke procedure worden gemaakt. Dit soort kosten, die we hier incassokosten noemen, komen onder verschillende benamingen voor:

  • administratiekosten;
  • bureaukosten;
  • aanmaankosten (w.o. kosten aangetekend verzenden);
  • buitengerechtelijke kosten.

Zowel het incassobureau, de deurwaarder, maar ook de schuldeiser zelf brengen deze kosten in rekening. De hier vermelde regels voor incassokosten gelden voor al deze kosten.

Hoogte incassokosten
De hoogte van de incassokosten zijn gemaximeerd en hangt af van de hoogte van de vordering. Er geldt een maximumpercentage voor incassokosten berekend over de hoofdsom (niet over de rente), die afloopt naarmate de vordering stijgt met een minimum bedrag van € 40. Over de eerste € 2500 mag maximaal 15% incassokosten berekend worden, over de volgende € 2500, maximaal 10%, etc.

Maak gebruik van de incassocalculator om de incassokosten eenvoudig te berekenen.

Wanneer BTW over incassokosten
Over de incassokosten mag bij de debiteur alleen BTW in rekening worden
gebracht indien aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan:

  • de schuldeiser heeft de invordering uit handen geven, bijvoorbeeld aan een incassobureau of deurwaarder, en;
  • de schuldeiser is niet BTW-plichtig en kan dus de verschuldigde BTW aan het incassobureau of deurwaarder niet verrekenen.

De volgende schuldeisers zijn  niet BTW-plichtig waardoor er wel BTW over de incassokosten berekend mag worden:

  • verhuurders
  • onderwijsinstellingen
  • banken;
  • verzekeringsmaatschappijen
  • medische beroepen
  • de overheid

Eerst een veertiendagenbrief
Voordat een schuldeiser of incassobureau incassokosten in rekening mag brengen moet er eerst een aanmaning worden gestuurd met een betalingstermijn van minimaal veertien dagen. Deze zogenaamde veertiendagenbrief moet de hoogte van de incassokosten vermelden die verschuldigd zijn wanneer niet op tijd wordt betaald.

De Hoge Raad heeft bepaald dat de formulering in de veertiendagenbrief heel precies komt. Wanneer een te vroege dag van aanvang of van einde van die termijn is vermeld, dan wel daaromtrent verwarrende of misleidende informatie wordt gegeven is de brief niet geldig. Zo is de vermelding dat betaald moet worden “binnen veertien dagen na heden” of “binnen veertien dagen na verzending van deze brief” in strijd met de eis dat de schuldenaar in ieder geval een betalingstermijn van veertien dagen, aanvangende de dag na ontvangst van de aanmaning, gegeven moet worden.

De formulering dat incassokosten verschuldigd worden indien niet betaald is “binnen veertien dagen vanaf de dag nadat deze brief bij u is bezorgd” of “binnen vijftien dagen nadat deze brief bij u is bezorgd” voldoet dus wel aan de wettelijke eisen. De schuldeiser mag vanzelfsprekend wel een langere termijn dan de wettelijke termijn van veertien dagen hanteren.

Wanneer een aanmaning is verstuurd die niet aan de wettelijke eisen voldoet, mogen er na het verstrijken van de veertien dagen geen incassokosten in rekening worden gebracht. Dit is ook het geval wanneer een te hoog bedrag aan incassokosten is vermeld.
Wil de schuldeiser recht hebben op betaling van incassokosten, dan dient hij (zo nodig alsnog) een aan de wettelijke eisen beantwoordende veertiendagenbrief aan de schuldenaar te verzenden.

Wanneer meerdere termijnen samenvoegen?
Wanneer een schuldeiser meerdere schulden of termijnen van de debiteur te vorderen heeft is het de vraag of hij deze voor de berekening van de incassokosten moet samenvoegen. Het samenvoegen van de termijnen zal immers vaak tot gevolg hebben dat er minder incassokosten verschuldigd zijn, dan wanneer de incassokosten over de afzonderlijke termijnen berekend worden.
In de wet staat dat indien de debiteur voor meer dan een vordering door een schuldeiser kan worden aangemaand (de 14-dagen-aanmaning), dat in een aanmaning moet geschieden. Voor de berekening van de incassokosten worden de hoofdsommen van deze vorderingen bij elkaar opgeteld. Het volgende voorbeeld maakt duidelijk wanneer de hoofdsom wel en wanneer niet hoeft te worden samengevoegd.

Voorbeeld wanneer wel samenvoegen:
Er is drie maanden ad. € 20 niet betaald. Vervolgens wordt een aanmaning verstuurd. Dan moet dat voor een bedrag ad. € 60 gebeuren. Wanneer vervolgens niet binnen 14 dagen wordt betaald mag de vordering worden verhoogd met maximaal € 40 aan incassokosten.

Voorbeeld wanneer niet samenvoegen:
Er is drie maanden ad. € 20 niet betaald. Na afloop van iedere maand is een aanmaning verstuurd. Wanneer vervolgens niet binnen 14 dagen wordt betaald mag voor iedere maand het minimum ad. € 40 berekend worden. Dus in dit voorbeeld drie keer € 40, derhalve € 120.

Deze regeling kan dus zeer onredelijk uitpakken wanneer bij een duurovereenkomst maandelijks een klein bedrag verschuldigd is, en over elke termijn € 40 aan incassokosten berekend wordt. Wanneer dit over een langere periode gebeurt kan de redelijkheid met zich meebrengen dat de schuldeiser de incassohandelingen moet combineren om zo de kosten te beperken. Zie rapport BGK-integraal.

Verborgen dubbele incassokosten
Het komt regelmatig voor dat er dubbele incassokosten in rekening worden gebracht. De schuldeiser heeft zelf al administratiekosten of incassokosten in rekening gebracht. Vervolgens wordt de verdere invordering uitbesteed aan een incassobureau. Het incassobureau berekent dan ook nog eens incassokosten. Vaak niet makkelijk te zien omdat de kosten die de schuldeiser in rekening heeft gebracht in de hoofdsom zijn opgenomen.

Bezwaar te maken tegen incassokosten
Maak gebruik van de voorbeeldbrieven op schuldinfo om bezwaar te maken tegen de hoogte van incassokosten. Maak bezwaar in de volgende situaties:

  • geen of onjuiste aanmaning ontvangen;
  • te hoge of dubbele incassokosten berekenen;
  • ten onrechte niet samenvoegen van termijnen;
  • ten onrechte in rekening brengen van BTW.

Ga naar standaardbrieven incassokosten

Meer informatie
Hoge Raad: onjuiste aanmaning, geen incassokosten!
Rechter steekt stokje voor stapeling incassokosten
Lindorff rekent teveel incassokosten ivm BTW-opslag
Kosten voor een betalingsregeling, mag dat wel?
Rauwelijks gedagvaard vanwege incassokosten

26 augustus 2018 - Schuldinfo

Wanneer je een rekening niet op tijd betaalt mag de schuldeiser of het incassobureau extra kosten in rekening brengen. Deze zogenaamde incassokosten mogen bij consumenten alleen in rekening worden gebracht wanneer aan strikte regels wordt voldaan. Betaal incassokosten niet klakkeloos, maar check eerst of het klopt.



Wat zijn incassokosten?

Wanneer een schuldeiser kosten moet maken om een vordering te innen, dan mag hij deze onder bepaalde voorwaarden in rekening brengen. Het gaat dan om de kosten die voorafgaand aan een gerechtelijke procedure worden gemaakt. Dit soort kosten, die we hier incassokosten noemen, komen onder verschillende benamingen voor:

  • administratiekosten;
  • bureaukosten;
  • aanmaankosten (w.o. kosten aangetekend verzenden);
  • buitengerechtelijke kosten.

Zowel het incassobureau, de deurwaarder, maar ook de schuldeiser zelf brengen deze kosten in rekening. De hier vermelde regels voor incassokosten gelden voor al deze kosten.

Hoogte incassokosten
De hoogte van de incassokosten zijn gemaximeerd en hangt af van de hoogte van de vordering. Er geldt een maximumpercentage voor incassokosten berekend over de hoofdsom (niet over de rente), die afloopt naarmate de vordering stijgt met een minimum bedrag van € 40. Over de eerste € 2500 mag maximaal 15% incassokosten berekend worden, over de volgende € 2500, maximaal 10%, etc.

Maak gebruik van de incassocalculator om de incassokosten eenvoudig te berekenen.

BTW
Over de incassokosten mag bij de debiteur alleen BTW in rekening worden
gebracht indien aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan:

  • de schuldeiser heeft de invordering uit handen geven, bijvoorbeeld aan een incassobureau of deurwaarder, en;
  • de schuldeiser is niet BTW-plichtig en kan dus de verschuldigde BTW aan het incassobureau of deurwaarder niet verrekenen.

De volgende schuldeisers zijn niet BTW-plichtig waardoor er wel BTW over de incassokosten berekend mag worden:

  • verhuurders
  • onderwijsinstellingen
  • banken;
  • verzekeringsmaatschappijen
  • medische beroepen
  • de overheid

Eerst een veertiendagenbrief
Voordat een schuldeiser of incassobureau incassokosten in rekening mag brengen moet er eerst een aanmaning worden gestuurd met een betalingstermijn van minimaal veertien dagen. Deze zogenaamde veertiendagenbrief moet de hoogte van de incassokosten vermelden die verschuldigd zijn wanneer niet op tijd wordt betaald.

De Hoge Raad heeft bepaald dat de formulering in de veertiendagenbrief heel precies komt. Wanneer een te vroege dag van aanvang of van einde van die termijn is vermeld, dan wel daaromtrent verwarrende of misleidende informatie wordt gegeven is de brief niet geldig. Zo is de vermelding dat betaald moet worden “binnen veertien dagen na heden” of “binnen veertien dagen na verzending van deze brief” in strijd met de eis dat de schuldenaar in ieder geval een betalingstermijn van veertien dagen, aanvangende de dag na ontvangst van de aanmaning, gegeven moet worden.

De formulering dat incassokosten verschuldigd worden indien niet betaald is “binnen veertien dagen vanaf de dag nadat deze brief bij u is bezorgd” of “binnen vijftien dagen nadat deze brief bij u is bezorgd” voldoet dus wel aan de wettelijke eisen. De schuldeiser mag vanzelfsprekend wel een langere termijn dan de wettelijke termijn van veertien dagen hanteren.

Wanneer een aanmaning is verstuurd die niet aan de wettelijke eisen voldoet, mogen er na het verstrijken van de veertien dagen geen incassokosten in rekening worden gebracht. Wil de schuldeiser recht hebben op betaling van incassokosten, dan dient hij (zo nodig alsnog) een aan de wettelijke eisen beantwoordende veertiendagenbrief aan de schuldenaar te verzenden.

Wanneer meerdere termijnen samenvoegen?
Wanneer een schuldeiser meerdere schulden of termijnen van de debiteur te vorderen heeft is het de vraag of hij deze voor de berekening van de incassokosten moet samenvoegen. Het samenvoegen van de termijnen zal immers vaak tot gevolg hebben dat er minder incassokosten verschuldigd zijn, dan wanneer de incassokosten over de afzonderlijke termijnen berekend worden.
In de wet staat dat indien de debiteur voor meer dan een vordering door een schuldeiser kan worden aangemaand (de 14-dagen-aanmaning), dat in ??n aanmaning moet geschieden. Voor de berekening van de incassokosten worden de hoofdsommen van deze vorderingen bij elkaar opgeteld. Het volgende voorbeeld maakt duidelijk wanneer de hoofdsom wel en wanneer niet hoeft te worden samengevoegd.

Voorbeeld wanneer wel samenvoegen:
Er is drie maanden ad. € 20 niet betaald. Vervolgens wordt een aanmaning verstuurd. Dan moet dat voor een bedrag ad. € 60 gebeuren. Wanneer vervolgens niet binnen 14 dagen wordt betaald mag de vordering worden verhoogd met maximaal € 40 aan incassokosten.

Voorbeeld wanneer niet samenvoegen:
Er is drie maanden ad. € 20 niet betaald. Na afloop van iedere maand is een aanmaning verstuurd. Wanneer vervolgens niet binnen 14 dagen wordt betaald mag voor iedere maand het minimum ad. € 40 berekend worden. Dus in dit voorbeeld drie keer € 40, derhalve € 120.

Deze regeling kan dus zeer onredelijk uitpakken wanneer bij een duurovereenkomst maandelijks een klein bedrag verschuldigd is, en over elke termijn € 40 aan incassokosten berekend wordt. Wanneer dit over een langere periode gebeurt kan de redelijkheid met zich meebrengen dat de schuldeiser de incassohandelingen moet combineren om zo de kosten te beperken. Zie rapport BGK-integraal.

Bezwaar te maken tegen incassokosten
Maak gebruik van de voorbeeldbrieven op schuldinfo om bezwaar te maken tegen de hoogte van incassokosten. Maak bezwaar in de volgende situaties:

  • geen of onjuiste aanmaning ontvangen;
  • te hoge of dubbele incassokosten berekenen;
  • ten onrechte niet samenvoegen van termijnen;
  • ten onrechte in rekening brengen van BTW.

Ga naar standaardbrieven incassokosten

Meer informatie
Hoge Raad: onjuiste aanmaning, geen incassokosten!
Rauwelijks gedagvaard vanwege incassokosten

Een vrouw klaagt erover dat de Belastingdienst in eerste instantie niet reageert op haar verzoek om een eerder vastgestelde beslagvrije voet te hanteren en later weigert om deze met terugwerkende kracht te corrigeren. Op aanraden van de deurwaarder stuurde ze daarover een brief naar het belastingkantoor. De vrouw heeft haar verzoek volgens de Belastingdienst onvoldoende onderbouwd. De Nationale ombudsman is het daarmee niet eens, mede omdat de Belastingdienst ook geen berekening heeft meegestuurd bij het wijzigen van de beslagvrije voet, en acht de klacht gegrond.


De Belastingdienst heeft vanaf juli 2016 de beslagvrije voet van verzoekster met enkele honderden euro’s verlaagd zodat zij van haar WAO-uitkering een stuk minder overhoudt. In juli 2016 stuurt verzoekster een e-mail aan de belastingdeurwaarder waarin ze verzoekt de eerder vastgestelde beslagvrije voet van € 1.745 te respecteren omdat zij anders in grote financi?le problemen terecht zal komen. De deurwaarder adviseert haar een brief te sturen naar het belastingkantoor. Dit doet verzoekster. Nadat een reactie uitblijft, dient ze hierover een klacht in.

Zowel tijdens de interne klachtbehandeling door de Belastingdienst als tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman weigert de Belastingdienst de beslagvrije voet vanaf juli 2016 te corrigeren omdat betrokkene niet eerder dan oktober 2016 haar verzoek nader onderbouwd heeft.

De Nationale ombudsman vindt – met name vanwege het feit dat de Belastingdienst bij de vaststelling geen berekening van de beslagvrije voet heeft meegestuurd – niet dat het geheel aan verzoekster kan worden verweten dat ze haar verzoek niet tijdig onderbouwd heeft. Daarnaast vindt hij dat de deurwaarder niet adequaat en volledig op de e-mail van verzoekster heeft gereageerd.

Daarmee is de klacht naar het oordeel van de Nationale ombudsman gegrond wegens schending van goede informatieverstrekking en het vereiste van maatwerk.

De Nationale ombudsman verbindt aan dit oordeel de aanbeveling om in gesprek te gaan met verzoekster om te bezien of zij het nog zinvol acht de beslagvrije voet per 19 juli 2016 te corrigeren. Daarnaast beveelt hij aan dat bij elke vaststelling of correctie van de beslagvrije voet een berekening mee wordt gezonden waaruit blijkt op welke gegevens deze is gebaseerd.

Ten slotte doet hij de aanbeveling dat de Belastingdienst de burger proactief informeert en zich coulant en ruimhartig opstelt in situaties waarin de burger een melding maakt dat hij onder de voor hem geldende beslagvrije voet heeft geleefd.

Naschrift
Het is schokkend dat uitgerekend de overheid zich zo rigide opstelt en mensen met schulden verder in de problemen helpt. Eerder heeft de belastingdienst een rapport van de Nationale ombudsman over het niet met terugwerkende kracht aanpassen van de beslagvrije voet naast zich neergelegd. In onderhavige casus is de belastingdienst zelfs niet bereid om de beslagvrije voet aan te passen vanaf het moment van de meldingsdatum omdat het verzoek niet op juiste wijze is ingediend. Het wordt tijd dat medewerkers zich gaan verdiepen in het wat betekent om schulden te hebben en hoe moeilijk het voor veel van hen is om op het juiste moment het juiste te doen. Een leestip:
Weten is nog geen doen, een realistisch perspectief op redzaamheid, een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

Andre Moerman

Meer informatie
Rapport Nationale ombudsman 31 mei 2018, nr. 2018/034
Rapport Nationale ombudsman 26 februari 2015, nr. 2015/039
Achtergrondinfo invordering belastingdienst

Een bewindvoerder beheert de financiën van een man met schulden die dat niet zelf kan. Hij krijgt van de gemeente Velsen bericht over een belastingaanslag die nog open staat en uitstel van betaling. De bewindvoerder reageert niet op die brief. Vervolgens krijgt de cliënt een dwangbevel per post thuisbezorgd. De bewindvoerder krijgt hiervan geen kopie. Volgens de gemeente is dit technisch niet mogelijk. Daarover dient hij een klacht bij de ombudsman in. De ombudsman vindt het van belang dat de bewindvoerder op de hoogte is van alles wat de bewindvoering aangaat. Door het dwangbevel niet naar de bewindvoerder te sturen, heeft de gemeente gehandeld in strijd met het vereiste van maatwerk


Verzoeker is door de rechter benoemd als bewindvoerder van de heer Verbeek.*
Verzoeker informeert de gemeente over het bewind. De gemeente laat hem
daarna weten dat de heer Verbeek nog een belastingaanslag aan de
gemeente moet betalen en biedt daarvoor uitstel van betaling tot eind
juli 2016. Als betaling uitblijft stuurt een deurwaarderskantoor in
opdracht van de gemeente in november 2016 voor het openstaande bedrag
een dwangbevel per post naar het adres van de heer Verbeek. Verzoeker
dient over die gang van zaken een klacht in, waarna de gemeente een
betalingsregeling met hem treft. De kosten voor het dwangbevel hoeft hij niet te betalen.

Verzoeker, bewindvoerder, klaagt erover dat de
gemeente Velsen een dwangbevel voor de inning van een belastingschuld
van een persoon die onder zijn bewind staat, aan deze persoon heeft
toegestuurd en niet (ook) aan hem als bewindvoerder.

De ombudsman vindt dat van de gemeente c.q. de deurwaarder verwacht had mogen worden dat zij het dwangbevel naar verzoeker zou sturen en in kopie naar de
heer Verbeek. Personen die onder bewind staan, vormen een kwetsbare
groep. Het gaat om mensen die hun financiële zaken niet meer zelf kunnen regelen. Het is belangrijk dat overheden oog hebben voor het
perspectief van die burger. Een bewindvoerder neemt tijdens het bewind
beslissingen over geld en goederen van de onder zijn bewind gestelde
persoon. Ook vertegenwoordigt hij deze persoon bij de vervulling van
zijn taak in en buiten rechte. Het dwangbevel is een executoriale titel
en kan daardoor gevolgen hebben voor de goederen van de onder bewind
gestelde persoon. Het is van belang dat de bewindvoerder op de hoogte is van al datgene wat de bewindvoering aangaat.

De gemeente heeft gehandeld in strijd met het vereiste van maatwerk.

De Nationale ombudsman heeft met instemming kennisgenomen van het feit dat de gemeente in deze zaak heeft gezorgd voor een goede maatwerkoplossing door alsnog een betalingsregeling te treffen zonder verdere kosten voor de heer Verbeek. Ook heeft de ombudsman met instemming kennis genomen
van het feit dat de gemeente haar werkwijze en de Leidraad op dit punt
gaat aanpassen. De ombudsman geeft de gemeente daarbij in overweging om
het dwangbevel zelf naar de bewindvoerder te sturen en de kopie ervan
naar de onder bewindgestelde persoon.

* naam is gefingeerd

Meer informatie
Rapport Nationale ombudsman 10 april 2018, nr. 2018/018
Achtergrondinfo: curator c.q. bewindvoerder is aanspreekpunt

Een vrouw vraagt twee keer vlak na elkaar schuldhulpverlening aan bij de gemeente Tilburg. De gemeente beëindigt het tweede traject zonder een beëindigingsregeling te treffen. Ze klaagt erover dat de gemeente haar tijdens de klachtbehandeling onvoldoende informatie heeft verstrekt en te traag heeft gehandeld. De Nationale ombudsman vindt dat de gemeente inderdaad tekort is geschoten in de informatieverstrekking en in het tweede traject niet voortvarend heeft gehandeld. De klacht is deels gegrond.


Verzoekster doorloopt twee trajecten schuldhulpverlening bij de gemeente Tilburg.
Tijdens het eerste traject houdt verzoekster volgens de gemeente vol dat zij geen minnelijke regeling wil. De schuldhulp blijft daarom beperkt
tot enkele gesprekken met de frontoffice. Het traject wordt na vijf
maanden afgesloten met een brief waarin staat dat het dossier wordt
gesloten omdat verzoekster geen minnelijke regeling wil. Verzoekster
meldt zich kort daarna opnieuw aan voor schuldhulp.

In het tweede traject wordt haar aanvankelijk opnieuw alleen hulp verleend door de
frontoffice. De reden hiervan is dat verzoekster volgens de gemeente ook nu volhoudt dat zij geen minnelijke regeling wil. Ze is zelf bezig met
initiatieven om geld bij elkaar te krijgen. Deze initiatieven staan in
de weg aan het treffen van een schuldregeling. Volgens verzoekster wilde zij echter wel een minnelijke regeling. Ze wilde daarnaast kijken wat
zij in eigen kring kon regelen. Als de gemeente haar uiteindelijk laat
weten dat zij tot een duidelijke keuze moet komen: wel of niet een
minnelijke regeling, kiest zij voor een minnelijke regeling. Haar
dossier wordt dan alsnog overgedragen aan de backoffice.

Door
capaciteitsproblemen bij de backoffice wordt haar dossier pas vijf
maanden later opgepakt. Twee maanden daarna blijkt dat de belangrijkste
schuldeiser niet akkoord gaat en dat er dus geen minnelijke regeling tot stand komt. Verzoekster heeft intussen een klacht ingediend over de
trage werkwijze van de gemeente. Tijdens het gesprek over haar klacht
krijgt zij te horen dat het voorstel voor de minnelijke regeling is
afgewezen. Verzoekster is boos over het feit dat zij dit niet direct te
horen heeft gekregen. Zij dient haar klacht in bij de Nationale
ombudsman. De klacht van verzoekster gaat over de trage werkwijze van de gemeente, over de slechte informatievoorziening en over de
klachtbehandeling die volgens haar niet professioneel is verlopen.

De Nationale ombudsman is van mening dat de gemeente in het tweede traject heeft gehandeld in strijd met het vereiste van voortvarendheid.
Verzoekster heeft tijdens dat traject te lang in onzekerheid verkeerd
over waar zij aan toe was.

Zowel in het eerste als in het tweede
traject heeft de gemeente ook gehandeld in strijd met het vereiste van
goede informatieverstrekking. Door niet te voorzien in algemene
informatie op schrift bij de start van de schuldhulpverlening gaat de
gemeente Tilburg er ten onrechte van uit dat burgers die in de schulden
zitten de informatie die zij tijdens de eerste gesprekken ontvangen
kunnen bevatten en vasthouden. Daarmee doet de gemeente geen recht aan
de realiteit van mensen die in de schulden zitten. De gemeente had
voorts op beslissende momenten aan verzoekster een gemotiveerde
beschikking moeten toezenden. Daarmee had de gemeente kunnen en moeten
voorkomen dat verschillende inzichten ontstonden over het doel en de
aard van de schuldhulpverlening. Ook had de gemeente verzoekster met
enige regelmaat schriftelijk moeten informeren over de stand van zaken
in haar dossier, over welke hulp haar wel en niet kon worden geboden en
over wat van haar werd verwacht als zij meer of andere schuldhulp
wenste.

Ten slotte is de Nationale ombudsman van mening dat de
gemeente de formele klachtenprocedure had moeten volgen toen verzoekster aangaf niet tevreden te zijn met de informele reactie op haar klacht.
Door dit niet te doen heeft de gemeente ook gehandeld in strijd met het
vereiste van fair play.

Meer informatie
rapport Nationale ombudsman, 23 mei 2018
achtergrondinfo schuldhulpverlening

Verzekeraar Allianz vordert € 92 vanwege een premieachterstand. Een verzoek om uitstel, omdat voor betrokkene beschermingsbewind was aangevraagd, mocht niet baten. Een dagvaarding volgde. De kantonrechter maakt korte metten: incassokosten en proceskosten worden afgewezen. Er bestaat weliswaar geen wettelijk recht op uitstel, maar de rechter kan wel te snel dagvaarden afstraffen. Als het aan de regering ligt zal dit vaker gaan gebeuren.


   Foto: Ivana Divišová

Wat voorafging
Verzekeraar Allianz heeft de bewindvoerder q.q. gedagvaard vanwege een
vordering ad. € 142,35 (€ 92,00 hoofdsom; € 1,95 rente daarover tot de
dagvaarding en € 48,40 buitengerechtelijke incassokosten inclusief BTW). De bewindvoerder heeft – kort gezegd – aangevoerd dat er geen
aanleiding was voor deze procedure en het maken van verdere kosten omdat duidelijk was dat de hoofdsom werd erkend en er bewind was aangevraagd
en opgestart.

De kantonrechter oordeelt als volgt

“2.3. De kantonrechter stelt voorop dat de hoofdsom niet is betwist en evenmin dat daarover rente verschuldigd is. In zoverre is de vordering toewijsbaar. Het gaat nog om de daarbij gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten van Allianz.

2.4. Uit de door de bewindvoerder beschreven tijdlijn en de daarbij overgelegde stukken blijkt dat GGN namens Allianz op 22 februari 2018 een aanmaningsbrief aan X stuurde waarin aanspraak wordt gemaakt op de hoofdsom en € 1,50 aan rente. In die brief – de zogenoemde 14 dagenbrief – wordt een betalingstermijn van 14 dagen gegeven waarna incassokosten (€ 48,40) verschuldigd zullen zijn. De bewindvoerder heeft op 5 maart 2018 – en dus ruim binnen die termijn van 14 dagen – een e-mailbericht aan de betrokken deurwaarder gestuurd en bericht dat er overleg is geweest met X en met een medewerker van de gemeente en dat gezamenlijk een aanvraag voor beschermingsbewind is ingevuld en aan de rechtbank gezonden. Met het oog op de met de behandeling van die aanvraag gemoeide tijd, vraagt de bewindvoerder clementie. Zonder daar op in te gaan stuurde GGN op 20 maart 2018 opnieuw een aanmaning aan Z, ditmaal voor € 145,83. De bewindvoerder berichtte GGN op 21 maart 2018 dat de zitting over het beschermingsbewind had plaatsgevonden op 16 maart 2018 en dat X in afwachting was van de beschikking. Y meldt tot dan niets te kunnen doen en dat Y hoopt dat een en ander even kan worden aangehouden. Op 22 maart 2018 verzoekt GGN de bewindvoerder om het openstaande bedrag te betalen en de bewindvoerder reageert met verwijzing naar bericht van 21 maart 2018. Op 1 april 2018 heeft de rechtbank de beschikking uitgesproken waarbij het vermogen van X onder bewind is gesteld. De bewindvoerder heeft de beschikking op 5 april 2018 aan GGN doorgestuurd. GGN heeft vervolgens nogmaals een aanmaning gestuurd. De bewindvoerder heeft GGN bericht over de stand van zaken; de schulden van X werden in kaart gebracht en schuldhulpverlening werd gestart. GGN is daar niet op in gegaan en heeft op 30 mei 2018 de dagvaarding laten betekenen.

2.5. De kantonrechter is het met de bewindvoerder eens dat onder de hiervoor beschreven omstandigheden geen aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Het was door het bericht van de bewindvoerder van 5 maart 2018 duidelijk dat er sprake was van betalingsonmacht aan de kant van X en dat een schuldhulpverleningstraject werd gestart. Het lag in de rede om daar adequaat op te reageren en in ieder geval enige tijd af te wachten of dit tot een oplossing zou leiden. Daarmee had naar het zich laat aanzien een procedure – met alle kosten van dien – voorkomen kunnen worden. De kosten die in deze zaak gemoeid zijn geweest met de werkzaamheden van GGN om betaling te verkrijgen buiten rechte zijn naar het oordeel van de kantonrechter niet in redelijkheid gemaakt. Daarom zal de gevorderde vergoeding worden afgewezen. De gang van zaken is verder aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt.”

Kabinetsplannen
Een schuldeiser hoeft niet in te stemmen met uitstel van betaling of een betalingsregeling, zo is in het Burgerlijk Wetboek geregeld. Toch oordeelt de rechter in onderhavige uitspraak dat de
incassokosten en proceskosten van de schuldeiser voor eigen rekening
blijven. Te snel dagvaarden wordt hiermee afgestraft.
Dit is overigens in lijn met plannen van het kabinet om te snel dagvaarden tegen te gaan. In het regeerakkoord staat hierover: 

“Schuldeisers dienen eerst de mogelijkheden van een betalingsregeling te onderzoeken
voor een zaak voor de rechter wordt gebracht”

Hoe dit
wettelijk vormgegeven gaat worden is nog niet bekend. Als het maar leidt tot een daadwerkelijk onderzoek en niet een dode letter die met een
standaardpassage in de dagvaarding kan worden afgedaan.

Meer informatie
Rb Midden-Nederland 12 september 2018, 6972221 UC EXPL 18-6711 PD/968

7 oktober 2018 - Schuldinfo

Ben je net meerderjarig geworden, word je geconfronteerd met een incassobureau. Je ouders hebben de tandartsrekening niet betaald terwijl ze wel een vergoeding van de zorgverzekeraar hebben ontvangen. Dit overkwam Janny. Ze hield voet bij stuk en verwees Famed, de organisatie die de tandartsrekening int, naar haar ouders. Echter, zonder succes. Ze wordt gedagvaard en de rechtbank Rotterdam oordeelt dat ze toch zelf de rekening moet betalen.



Wat vooraf ging

Op 13 september 2016 is Janny door de tandarts behandeld waarvoor € 393,63 in rekening is gebracht. Ze was toen 17 jaar.
De tandarts heeft zijn vordering overgedragen aan Famed. Nadat de rekening niet betaald werd is Janny gedagvaard om € 459,81 te betalen.
Janny heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Zij erkent dat ze naar de tandarts is geweest, maar betwist dat ze een betalingsverplichting heeft. Ze was minderjarig waardoor de vergoeding voor die behandelingen door de zorgverzekeraar is betaald aan haar ouder. Janny, inmiddels meerderjarig, vindt dat ze onterecht aangesproken wordt tot betaling van de nota. Haar ouder is verantwoordelijk voor het betalen van die nota. Bovendien heeft haar ouder de vergoeding voor de behandelingen ontvangen van de zorgverzekeraar. Zij verzoekt dan ook de vordering af te wijzen.

De rechtbank Rotterdam oordeelt als volgt.

De beoordeling
“In geschil is of [gedaagde] een betalingsverplichting heeft met betrekking tot de tandheelkundige behandelingen. Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 7:447 BW een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, bekwaam is tot het aangaan van een behandelingsovereenkomst ten behoeve van zichzelf en aansprakelijk is voor de uit die behandelingsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen, onverminderd de verplichting van de ouders tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding.

Als onweersproken staat vast dat de tandarts de behandelingen in opdracht van de op dat moment zeventienjarige [gedaagde] heeft uitgevoerd. Tussen [gedaagde] en de tandarts bestaat aldus een behandelingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:446 BW. Op grond van die overeenkomst en artikel 7:461 BW is [gedaagde] de tandarts een vergoeding verschuldigd. Het verweer van [gedaagde], dat niet zij, maar haar ouder verantwoordelijk is voor betaling van de behandelingen, wordt verworpen. [gedaagde] is immers zelf aansprakelijk voor de uit de door haar gesloten behandelingsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen, anders gezegd: [gedaagde] is verantwoordelijk voor tijdige betaling van de door haar genoten tandheelkundige behandelingen. Indien [gedaagde] wenst dat haar ouder de nota aan haar vergoedt, dan is het aan [gedaagde] om haar ouder daar voor aan te spreken. Dat de vergoeding voor de behandelingen door de zorgverzekeraar aan haar ouder is uitgekeerd en niet aan [gedaagde], ontslaat [gedaagde] niet van haar betalingsverplichting. Een en ander betekent dat [gedaagde] gehouden is de nota van 13 oktober 2016 ter zake de door haar op 13 september 2016 genoten tandheelkundige behandelingen te betalen. De vordering ter zake zal dan ook worden toegewezen.
(…)

De beslissing
De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Famed tegen kwijting te betalen € 459,81 vermeerderd met de wettelijke rente over € 393,63 vanaf 9 oktober 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Famed vastgesteld op € 200,51 aan verschotten en € 120,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.”

Meer informatie
Rechtbank Rotterdam 9 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:8281 
Rechtbank Groningen 4 juni 2009, ECLI:NL:RBGRO:2009:BM1623
Rechtbank Haarlem 5 april 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BA1801

Zie ook: ouders ten onrechte gedagvaard voor tandartsrekening
Rechtbank Assen 18 januari 2011, ECLI:NL:RBASS:2011:BP3837
Rechtbank Maastricht 18 februari 2009, ECLI:NL:RBMAA:2009:BH6089

16 september 2018 - Schuldinfo

Wanneer één of meer schuldeisers niet instemmen met een schuldregeling kan de rechter worden gevraagd om de schuldregeling op te leggen. Bij een toewijzing van het verzoek kan de weigerende schuldeiser in de proceskosten worden veroordeeld. Zo kwam de rechtbank Midden-Nederland tot het oordeel dat PB Tankcollect in de proceskosten moest worden veroordeeld omdat ze alleen bereid is te onderhandelen bij een aanbod van 50% of hoger. Eigenlijk vreemd want uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij een toewijzing van een dwangakkoord een proceskostenveroordeling standaard zou moeten zijn. Positief aan deze uitspraak is dat de rechtbank de proceskosten toewijst, terwijl bij het verzoek om een dwangakkoord geen rechtsbijstand is verleend, maar de ondersteuning heeft plaatsgevonden vanuit schuldhulpverlening. Zeer terecht want er gaat bij schuldhulpverlening veel tijd en dus geld gemoeid met dit soort procedures. Andere rechtbanken zouden hier een voorbeeld aan moeten nemen.


Aanleiding
Een 29-jarige, alleenstaande man woont zelfstandig, met begeleiding. Hij heeft een bijstandsuitkering en een totale schuldenlast van 15 concurrente en 2 preferente vorderingen met een totale schuldhoogte van € 32.414,89. Stichting de Tussenvoorziening heeft namens hem een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in dat verzoeker gedurende 36 maanden zijn afloscapaciteit reserveert. Doorbetaling van het gereserveerde bedrag vindt plaats op grond van een pondspondsgewijze verdeling. Dat zal kunnen resulteren in een uitkering van 11,59 % aan de concurrente schuldeisers. Aan de preferente schuldeisers wordt het dubbele geboden.

De voorgestelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve PB Tankcollect aanvaard. Independer heeft het voorstel aanvaard onder de voorwaarde dat iedere schuldeiser akkoord is, zodat ook Independer als weigeraar moet worden aangemerkt. Stichting de Tussenvoorziening heeft namens betrokkene de rechtbank verzocht Independer en PB Tankcollect te bevelen in te stemmen met de voorstelde schuldregeling.

De beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat uit het verzoek voldoende is gebleken dat het bod het uiterste is waartoe hij financieel in staat moet worden geacht. Gelet op de omstandigheden van dit geval, waaronder de persoonlijke problematiek van verzoeker en het feit dat hij thans (met een onderbouwing) door de gemeente ontheven is van zijn sollicitatieverplichting, heeft de rechtbank niet de verwachting dat verzoeker zodanige inkomsten kan generen dat in een schuldsaneringsregeling minimaal eenzelfde percentage kan worden uitgedeeld. Het is voldoende aannemelijk gemaakt dat verzoeker op dit moment niet in staat is fulltime in een (regulier) dienstverband te werken. Een sterke toename van inkomsten is dan ook niet te verwachten.
 
Nu de vooruitzichten voor Independer en PB Tankcollect als schuldeisers bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, is het uitgangspunt dat Independer en PB Tankcollect op grond van de inhoud van de aangeboden schuldregeling in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling hebben kunnen komen. Immers moet er op grond van deze vooruitzichten van uit worden gegaan dat Independer en PB Tankcollect geen belang hebben bij de weigering van de instemming, terwijl verzoeker en de overige schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding van de schuldregeling. Daarbij weegt mee dat de vorderingen van Independer en PB Tankcollect een relatief klein deel (0,61% resp. 0,91%) van de totale schuldenlast vertegenwoordigen.

Het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord wordt toegewezen.

Proceskostenveroordeling
Verzoeker heeft verzocht de weigerachtige schuldeisers te veroordelen in de kosten van de procedure op grond van artikel 287a lid 6 Fw. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de kostenveroordeling uit artikel 287a lid 6 Fw een stimulans moet zijn om in het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen. Independer heeft steeds inhoudelijk verweer gevoerd en heeft na ontvangst van het volledige verzoekschrift haar standpunt bijgesteld. De rechtbank zal haar daarom niet in de proceskosten veroordelen. PB Tankcollect is echter in haar schriftelijke weigering niet ingegaan op de omstandigheden van de onderhavige casus. Zij voert een algemene – principiële – weigeringsgrond aan en is eerst bereid te onderhandelen bij een aanbod van 50% of hoger, terwijl een dergelijk aanbod in het kader van het minnelijk traject zeldzaam is. Het staat PB Tankcollect weliswaar vrij om te weigeren, maar bij een weigering op deze gronden lijkt het reeds op voorhand niet mogelijk om met PB Tankcollect tijdens het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen. PB Tankcollect heeft daarnaast geen verweerschrift ingediend en is evenmin ter zitting verschenen. De rechtbank acht het daarom wenselijk PB Tankcollect in de kosten van de procedure te veroordelen.

Uit artikel 285 Fw vloeit voort dat het minnelijk traject moet worden begeleid door het college van burgemeester en wethouders, een gemeentelijke kredietbank of de krachtens de in artikel 48, eerste lid, onderdeel d van de Wet op het consumentenkrediet toegelaten personen. De rechtbank zal de proceskosten daarom begroten naar analogie van de artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin rechtsbijstand verplicht is.

Gezien de aard van deze procedure zal de rechtbank aansluiten bij het tarief voor een eenvoudig kort geding. De kosten aan de zijde van verzoeker worden tot op heden begroot op € 633,–.

Altijd veroordeling proceskosten
In onderhavige uitspraak worden de proceskosten toegewezen vanwege de bijzonder weigerachtige opstelling van PB Tankcollect. Een criterium dat door veel rechtbanken wordt gehanteerd. Opmerkelijk want uit de wettekst en wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bij toewijzing van het dwangakkoord een standaard proceskostenveroordeling voor ogen had.

In de wettekst staat:
“Indien de rechtbank het verzoek toewijst, veroordeelt de rechtbank de schuldeiser die instemming met de schuldregeling heeft geweigerd, in de kosten.”

Een directief geformuleerde bepaling die geen ruimte laat voor afwijzing. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat dit geen toevallige formulering is maar een bewuste keus om de totstandkoming van het minnelijk traject te stimuleren. Er staat:
“In het zesde lid wordt de kostenveroordeling opgenomen. Als een in de minnelijke fase voorbereide maar niet tot stand gekomen schuldregeling alsnog met behulp van de rechter wordt aangenomen of vastgesteld, worden de schuldeisers die de regeling in de minnelijke fase hebben afgewezen, veroordeeld in de kosten (zoals de griffierechten) van de aanvraagprocedure. De rechter heeft immers vastgesteld dat die weigering onterecht was. Deze kostenveroordeling moet een stimulans zijn om in het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen.”

Ook indien verzoek ingediend vanuit schuldhulpverlening
De bedoeling van de wetgever is hiermee duidelijk. Er zijn echter voor een verzoek om een dwangakkoord geen griffierechten verschuldigd en het verzoek wordt meestal ingediend met hulp en ondersteuning vanuit de gemeentelijke schuldhulpverlening of instelling die in opdracht van de gemeente het minnelijk traject uitvoert. De klant hoeft hier niet voor te betalen, maar de schuldhulpverlening kost natuurlijk wel geld. Aan elk verzoek tot toepassing van een dwangakkoord worden uren besteed die niet aan andere mensen met schulden besteed kunnen worden.

Het is zeer terecht dat de rechtbank Midden-Nederland bij een verzoek ondersteund vanuit schuldhulpverlening wel tot een proceskostenveroordeling komt en deze begroot naar analogie van de artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin rechtsbijstand verplicht is. Anders zou de weigerachtige schuldeiser geen nadeel van z’n eigen opstelling ondervinden, terwijl dit wel de bedoeling van de wetgever is. Bovendien worden er wel degelijk kosten gemaakt!

Tip
Dien je een verzoek om een dwangakkoord in, verzoek altijd om een veroordeling in de proceskosten en verwijs naar deze uitspraak:

Rb Midden-Nederland 12 september 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4361

Sinds 2011 is de instroom in de in de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) bijna gehalveerd. Dit terwijl de schuldenproblematiek onverminderd omvangrijk is. Reden voor mr. Engberts, rechter te Arnhem en voormalig voorzitter Recofa, om een open brief aan minister Dekker te schrijven.


Geachte minister Dekker,

Het regeerakkoord bevat een passage over de aanpak van de schuldenproblematiek in dit land. Die aandacht voor problematische schulden is terecht want al tientallen jaren gaan tallozen gebukt onder schulden die zij niet af kunnen lossen. Hun problemen zijn nauwelijks te bevatten. De investeringen in schuldhulpverlening nemen jaar op jaar toe. Toch slagen wij er niet in om dit probleem te verkleinen. Waar begin deze eeuw gesproken werd van naar schatting 250.000 Nederlanders met problematische schulden valt in een recent nieuwsbericht van uw kabinet (van 23 mei 2018) te lezen dat ongeveer 1,4 miljoen Nederlandse huishoudens problematische schulden of een risico daarop hebben! Ik plaats hier een uitroepteken want dat is een enorm aantal. Preventie en schuldhulpverlening lijken hier tekort te schieten. Dit alles is reeds in vele rapporten en door diverse journalisten van bijvoorbeeld De Groene Amsterdammer en De Correspondent (recent met name Jesse Frederik) uitstekend beschreven. Ik neem aan dat u deze publicaties kent.

In dit verontrustende beeld valt op – en dit is wat onderbelicht – dat de instroom in de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) alsmaar verder daalt. Van ongeveer 14.700 in 2011 naar 8.300 in 2017. De instroom zal dit jaar naar verwachting zelfs dalen tot ongeveer 6.000. Die enorme daling wordt vrijwel uitsluitend verklaard door de daling van het aantal ingediende verzoeken. En dat is zo jammer want uit gedegen onderzoek (de Wsnp wordt jaarlijks gemonitord) blijkt hoe effectief de Wsnp is. Uit de meest recente Monitor WSNP (over het jaar 2016) blijkt dat maar liefst 89% van de mensen die toegelaten worden tot de Wsnp, na het traject schuldenvrij is. Ten aanzien van het minnelijk traject blijkt uit de jaarcijfers van de NVVK over 2016 dat slechts in 41% van de (aangemelde) gevallen met succes een regeling tot stand werd gebracht. Daarvan werd 64 % succesvol afgerond zodat van de aangemelde mensen met problematische schulden slechts 26 % (64% van 41%) is geholpen (schuldenvrij is). En dan is de Wsnp ook nog ‘goedkoop’ omdat deze voor een groot deel door de schuldeisers betaald wordt.

Hoe is deze daling van het aantal schuldsaneringsverzoeken te verklaren? Vanuit mijn ervaring als rechter, (voormalig) voorzitter van Recofa (het overleg orgaan van insolventierechters in Nederland) en medewerker van Wsnp Periodiek is mijn analyse de volgende. Vast staat dat de sterke krimp van de Wsnp samenvalt met een enorme stijging van het aantal beschermingsbewinden. Dit aantal is van 122.000 in 2011 gestegen naar 242.000 in 2017 waarvan een groot deel mensen betreft met problematische schulden (schuldenbewind). De uitstroom of doorstroom van schuldenaren in beschermingsbewind naar de Wsnp is minimaal terwijl het toch de bedoeling is dat schuldenbewinden tijdelijk zijn. Daarnaast is er een grote groep mensen met problematische schulden die soms jarenlang met budgetbeheer ‘in de schuldhulp’ zit. Waarom steeds minder van hen doorstromen naar de Wsnp is niet helemaal duidelijk. Mogelijk wordt in veel gevallen geen Wsnpverzoek bij de rechtbank ingediend omdat niet aan de toelatingscriteria wordt voldaan. Een andere mogelijkheid is dat er te weinig stimulans is om door te verwijzen naar de Wsnp.

Wie kan deze patstelling doorbreken? Ik denk dat u dat kan door middel van drie maatregelen/wetswijzigingen. Uw idee om te experimenteren met lagere regelgeving (AmvB), de ‘Experimentenwet rechtspleging’, kan daarbij wellicht behulpzaam zijn. Waarschijnlijk heeft u daaraan al gedacht want de Faillissementswet (Fw) is in het experiment opgenomen onder andere in verband met de brede aanpak van de schuldenproblematiek, die ook de procesrechtelijke aspecten van deze wet raken.

Ten eerste kunt u de beschermingsbewindvoerders verplichten om – na een zekere, niet al te lange periode – aan de insolventierechter voor te leggen of de schuldenaar in aanmerking komt voor een schuldsaneringsregeling, tenzij een schuldregeling is bereikt. Dus ook zonder dat een minnelijk traject is doorlopen en zonder dat een verklaring van of namens de gemeente (art. 285 lid 1 onder f Fw) hierover wordt verlangd. Dat is dan een beetje in lijn met een recente motie van de SP om het minnelijk traject als verplicht voorportaal van de Wsnp af te schaffen. De gedachte hierbij is dat de beschermingsbewindvoerder na die periode de financiën op orde heeft en heeft onderzocht of een schuldregeling mogelijk is.

Ten tweede kunt u (of uw collega van Sociale Zaken) schuldhulpverleners verplichten om na een zekere periode van schuldhulpverlening het dossier met een Wsnp-verzoek aan de insolventierechter voor te leggen. Ook hier geldt dat van schuldhulpverlening verwacht mag worden dat de financiën na die periode op orde zijn en dat duidelijk is of een schuldregeling mogelijk is.

Deze twee maatregelen kunnen het beste gecombineerd worden met een herijking van de toelatingseisen van de Wsnp. Gezien de enorme schuldenproblematiek is de tijd daar rijp voor. Een belangrijk obstakel voor velen is de voorwaarde (voor toelating tot de Wsnp) dat men gedurende vijf jaar te goeder trouw moet zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden. Waar de schuldsaneringsregeling in principe drie jaar duurt, levert dat een periode van acht jaar in totaal op. Die vijfjaarstermijn is historisch gezien terug te voeren op de algemene wettelijke termijn voor verjaring van vorderingen (van vijf jaar). Gedacht kan worden, gegeven de omvang van het schuldenprobleem, aan een kortere termijn voor de goede-trouw-toets. Bijvoorbeeld een termijn die inclusief de termijn van de Wsnp vijf jaar is met een mogelijkheid voor verlenging of uitzondering voor bepaalde fraude schulden en/of strafrechtelijke schulden. Er is een tweede aspect dat heroverweging verdient: de goede-trouw-toets is ingegeven door de gedachte dat geen misbruik van de wettelijke schuldsaneringsregeling gemaakt mag worden en dat het maatschappelijk draagvlak voor het kwijtschelden van schulden niet ondermijnd mag worden. Tegen die achtergrond kan gedacht worden aan een (sub)regel die inhoudt dat de goede-trouw-toets niet van toepassing is als desbetreffende schuldeiser instemde met een aanbod voor een minnelijke schuldregeling en/of met toelating tot de Wsnp; dit komt in de praktijk met enige regelmaat voor.

Ik hoop van harte dat u deze ideeën wilt onderzoeken en dat ook uw ministerie (aldus) wil bijdragen aan de bestrijding van de schuldenproblematiek.

Hoogachtend,

mr. B.J. Engberts

Rechter te Arnhem, voormalig voorzitter Recofa en medewerker van WSNP Periodiek

Deze brief is eerder gepubliceerd in WSNP-Periodiek

Een echtpaar organiseert een groot feest voor ruim 5000 euro. Maar wie betaalt de rekening? De ondernemer zelf zo oordeelt de kantonrechter van de rechtbank Overijssel. Betrokkenen stonden onder bewind en de ondernemer had dit kunnen weten. Ze stonden namelijk geregistreerd in het bewindregister. De uitspraak is in lijn met eerder gepubliceerde jurisprudentie. Het bewindregister biedt behoorlijke bescherming. Ondernemers wees gewaarschuwd.


   Foto: RyanMcGuire

Groot feest
Eind 2016 heeft een echtpaar aan een horecaondernemer opdracht gegeven voor een groot feest, met consumpties, een hapjesbuffet en een diner. Na het feest kwam de rekening: € 5.151, maar die kon het echtpaar niet betalen. De bewindvoerder van Findool BV raakt hier van op de hoogte en stelt zich op het standpunt de vordering niet te erkennen, omdat het echtpaar onder bewind stond en de horecaondernemer dit had kunnen weten. De bewindvoerder wordt gedagvaard en de kantonrechter oordeelde als volgt:

Het vonnis
Vooropgesteld dient te worden dat tussen eiseres en rechthebbenden afspraken zijn gemaakt voor een feestje te houden in het etablissement van eiseres en verzorgd door eiseres, alsmede dat die afspraken zijn gemaakt zonder medewerking van gedaagden. Eiseres kan rechthebbenden/gedaagden niet verwijten dat zij de overeenkomst is aangegaan zonder dat rechthebbenden hebben medegedeeld dat zij onder bewind stonden.
Rechthebbenden zijn immers onder bewind gesteld vanwege hun lichamelijke of geestelijke toestand omdat voldoende aannemelijk is geworden dat zij als gevolg van hun lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat zijn ten volle hun vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.

Ter bescherming van de belangen van derden wordt de uitspraak waarbij het bewind is ingesteld, gepubliceerd in het register en bestaat de mogelijkheid, ook voor eiseres, dat openbare register te raadplegen. Dat eiseres het openbare register in het onderhavige geval niet heeft geraadpleegd komt voor rekening en risico van eiseres.

Hierbij wordt opgemerkt dat het niet ging om een contante verkoop / koop van geringe waarde of om een koop betreffende het normale levensonderhoud maar om een feest met een waarde van € 5.151,85.
Met eiseres is de kantonrechter van oordeel dat het ondoenlijk is voor elke transactie van geringe waarde of het normale levensonderhoud betreffende het register te raadplegen, maar van een dergelijke transactie is hier dus geen sprake.
Een feest van een dergelijke omvang mag wellicht voor eiseres dagelijkse kost zijn, eiseres dient en diende echter wel te beseffen dat voor haar wederpartij een feest met een dergelijke omvang geen dagelijkse kost pleegt te zijn.
Eiseres had op eenvoudige wijze de identiteit van rechthebbenden kunnen vaststellen door bijvoorbeeld naar een identiteitsbewijs te vragen en vervolgens het register kunnen raadplegen om te zien of er sprake was van een bewind (of curatele).
Het door eiseres gedane beroep op de goede trouw faalt gelet op het vooroverwogene eveneens.

Conclusie is dat de rechtshandeling ongeldig is en de vordering afgewezen zal worden.

Bewindregister
Sinds 1 januari 2014 is het mogelijk om een onderbewindstelling vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand in te schrijven in het curatele- en bewindregister. Bij onderbewindstelling worden de volgende personen geregistreerd:

  • Bij onderbewindstelling vanwege de lichamelijke of geestelijke toestand, wanneer de rechter daartoe heeft besloten. Dit kan op verzoek van de onderbewindgestelde, de bewindvoerder of
    ambtshalve door de rechter. De rechter maakt hierbij een afweging tussen privacy en de noodzakelijkheid.


Voordeel van publicatie van onderbewindstelling is dat de schuldeiser geacht
wordt op de hoogte zijn van het beschermingsbewind. De bewindvoerder kan zich er dan op beroepen dat de overeenkomst ongeldig is. Schuldeisers kunnen zich niet verhalen op de onder bewind gestelde goederen. Het einde van het bewind brengt hierin geen verandering.

Meer jurisprudentie
Er zijn inmiddels meer uitspraken waarbij succesvol een beroep op het bewindregister is gedaan. Twee voorbeelden:

NRC met I-Phone
Een onderbewindgestelde sluit een NRC-abonnement af inclusief levering van een i-Phone. De bewindvoerder wist van niets. Pas na een vonnis komt hij achter de nieuwe schuld. Het bewindregister biedt uitkomst. NRC had kunnen weten dat betrokkene onder bewind stond. De bewindvoerder gaat in verzet tegen het vonnis en de rechtbank Noord-Holland wijst alsnog de vordering af. >>>Uitspraak

Geboekte reis
Een onderbewindgestelde heeft een vliegreis geboekt voor zo’n  € 1500. Omdat de rekening niet werd betaald heeft Tui op het laatste moment de overeenkomst ontbonden en op basis van de algemene voorwaarden 90% van de reissom in rekening gebracht. Pas na een vonnis komt de bewindvoerder achter deze nieuwe schuld. Tui had vanwege inschrijving in het bewindregister kunnen weten dat betrokkene onder bewind stond. De bewindvoerder gaat in verzet tegen het vonnis en de rechtbank Noord-Holland wijst alsnog de vordering af. >>>Uitspraak

Jurisprudentie gevraagd
Heb je ook interessante jurisprudentie die niet op rechtspraak.nl is gepubliceerd, mail het naar info@schuldinfo.nl

Meer informatie
Rb Overijssel 17 april 2018, zaaknr.: 6507316\CV EXPL 17-3909
NRC-abonnement met i-Phone, geen verhaal mogelijk op onder bewind gestelde goederen
Aangaan geldlening wel geldige rechtshandeling, maar geen verhaal mogelijk op onder bewind gestelde goederen
Geboekte reis geen geldige rechtshandeling, geen derdebescherming, betrokkene staat in bewindregister
Vernietiging overeenkomst ivm curatele, niet raadplegen curateleregister komt voor eigen rekening
Achtergrondinfo beschermingsmaatregelen

26 augustus 2018 - Schuldinfo

Wanneer je een rekening niet op tijd betaalt mag de schuldeiser of het incassobureau extra kosten in rekening brengen. Deze zogenaamde incassokosten mogen bij consumenten alleen in rekening worden gebracht wanneer aan strikte regels wordt voldaan. Betaal incassokosten niet klakkeloos, maar check eerst of het klopt.



Wat zijn incassokosten?

Wanneer een schuldeiser kosten moet maken om een vordering te innen, dan mag hij deze onder bepaalde voorwaarden in rekening brengen. Het gaat dan om de kosten die voorafgaand aan een gerechtelijke procedure worden gemaakt. Dit soort kosten, die we hier incassokosten noemen, komen onder verschillende benamingen voor:

  • administratiekosten;
  • bureaukosten;
  • aanmaankosten (w.o. kosten aangetekend verzenden);
  • buitengerechtelijke kosten.

Zowel het incassobureau, de deurwaarder, maar ook de schuldeiser zelf brengen deze kosten in rekening. De hier vermelde regels voor incassokosten gelden voor al deze kosten.

Hoogte incassokosten
De hoogte van de incassokosten zijn gemaximeerd en hangt af van de hoogte van de vordering. Er geldt een maximumpercentage voor incassokosten berekend over de hoofdsom (niet over de rente), die afloopt naarmate de vordering stijgt met een minimum bedrag van € 40. Over de eerste € 2500 mag maximaal 15% incassokosten berekend worden, over de volgende € 2500, maximaal 10%, etc.

Maak gebruik van de incassocalculator om de incassokosten eenvoudig te berekenen.

Wanneer BTW over incassokosten
Over de incassokosten mag bij de debiteur alleen BTW in rekening worden
gebracht indien aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan:

  • de schuldeiser heeft de invordering uit handen geven, bijvoorbeeld aan een incassobureau of deurwaarder, en;
  • de schuldeiser is niet BTW-plichtig en kan dus de verschuldigde BTW aan het incassobureau of deurwaarder niet verrekenen.

De volgende schuldeisers zijn  niet BTW-plichtig waardoor er wel BTW over de incassokosten berekend mag worden:

  • verhuurders
  • onderwijsinstellingen
  • banken;
  • verzekeringsmaatschappijen
  • medische beroepen
  • de overheid

Eerst een veertiendagenbrief
Voordat een schuldeiser of incassobureau incassokosten in rekening mag brengen moet er eerst een aanmaning worden gestuurd met een betalingstermijn van minimaal veertien dagen. Deze zogenaamde veertiendagenbrief moet de hoogte van de incassokosten vermelden die verschuldigd zijn wanneer niet op tijd wordt betaald.

De Hoge Raad heeft bepaald dat de formulering in de veertiendagenbrief heel precies komt. Wanneer een te vroege dag van aanvang of van einde van die termijn is vermeld, dan wel daaromtrent verwarrende of misleidende informatie wordt gegeven is de brief niet geldig. Zo is de vermelding dat betaald moet worden “binnen veertien dagen na heden” of “binnen veertien dagen na verzending van deze brief” in strijd met de eis dat de schuldenaar in ieder geval een betalingstermijn van veertien dagen, aanvangende de dag na ontvangst van de aanmaning, gegeven moet worden.

De formulering dat incassokosten verschuldigd worden indien niet betaald is “binnen veertien dagen vanaf de dag nadat deze brief bij u is bezorgd” of “binnen vijftien dagen nadat deze brief bij u is bezorgd” voldoet dus wel aan de wettelijke eisen. De schuldeiser mag vanzelfsprekend wel een langere termijn dan de wettelijke termijn van veertien dagen hanteren.

Wanneer een aanmaning is verstuurd die niet aan de wettelijke eisen voldoet, mogen er na het verstrijken van de veertien dagen geen incassokosten in rekening worden gebracht. Dit is ook het geval wanneer een te hoog bedrag aan incassokosten is vermeld.
Wil de schuldeiser recht hebben op betaling van incassokosten, dan dient hij (zo nodig alsnog) een aan de wettelijke eisen beantwoordende veertiendagenbrief aan de schuldenaar te verzenden.

Wanneer meerdere termijnen samenvoegen?
Wanneer een schuldeiser meerdere schulden of termijnen van de debiteur te vorderen heeft is het de vraag of hij deze voor de berekening van de incassokosten moet samenvoegen. Het samenvoegen van de termijnen zal immers vaak tot gevolg hebben dat er minder incassokosten verschuldigd zijn, dan wanneer de incassokosten over de afzonderlijke termijnen berekend worden.
In de wet staat dat indien de debiteur voor meer dan een vordering door een schuldeiser kan worden aangemaand (de 14-dagen-aanmaning), dat in een aanmaning moet geschieden. Voor de berekening van de incassokosten worden de hoofdsommen van deze vorderingen bij elkaar opgeteld. Het volgende voorbeeld maakt duidelijk wanneer de hoofdsom wel en wanneer niet hoeft te worden samengevoegd.

Voorbeeld wanneer wel samenvoegen:
Er is drie maanden ad. € 20 niet betaald. Vervolgens wordt een aanmaning verstuurd. Dan moet dat voor een bedrag ad. € 60 gebeuren. Wanneer vervolgens niet binnen 14 dagen wordt betaald mag de vordering worden verhoogd met maximaal € 40 aan incassokosten.

Voorbeeld wanneer niet samenvoegen:
Er is drie maanden ad. € 20 niet betaald. Na afloop van iedere maand is een aanmaning verstuurd. Wanneer vervolgens niet binnen 14 dagen wordt betaald mag voor iedere maand het minimum ad. € 40 berekend worden. Dus in dit voorbeeld drie keer € 40, derhalve € 120.

Deze regeling kan dus zeer onredelijk uitpakken wanneer bij een duurovereenkomst maandelijks een klein bedrag verschuldigd is, en over elke termijn € 40 aan incassokosten berekend wordt. Wanneer dit over een langere periode gebeurt kan de redelijkheid met zich meebrengen dat de schuldeiser de incassohandelingen moet combineren om zo de kosten te beperken. Zie rapport BGK-integraal.

Verborgen dubbele incassokosten
Het komt regelmatig voor dat er dubbele incassokosten in rekening worden gebracht. De schuldeiser heeft zelf al administratiekosten of incassokosten in rekening gebracht. Vervolgens wordt de verdere invordering uitbesteed aan een incassobureau. Het incassobureau berekent dan ook nog eens incassokosten. Vaak niet makkelijk te zien omdat de kosten die de schuldeiser in rekening heeft gebracht in de hoofdsom zijn opgenomen.

Bezwaar te maken tegen incassokosten
Maak gebruik van de voorbeeldbrieven op schuldinfo om bezwaar te maken tegen de hoogte van incassokosten. Maak bezwaar in de volgende situaties:

  • geen of onjuiste aanmaning ontvangen;
  • te hoge of dubbele incassokosten berekenen;
  • ten onrechte niet samenvoegen van termijnen;
  • ten onrechte in rekening brengen van BTW.

Ga naar standaardbrieven incassokosten

Meer informatie
Hoge Raad: onjuiste aanmaning, geen incassokosten!
Rechter steekt stokje voor stapeling incassokosten
Lindorff rekent teveel incassokosten ivm BTW-opslag
Kosten voor een betalingsregeling, mag dat wel?
Rauwelijks gedagvaard vanwege incassokosten

26 augustus 2018 - Schuldinfo

Wanneer je een rekening niet op tijd betaalt mag de schuldeiser of het incassobureau extra kosten in rekening brengen. Deze zogenaamde incassokosten mogen bij consumenten alleen in rekening worden gebracht wanneer aan strikte regels wordt voldaan. Betaal incassokosten niet klakkeloos, maar check eerst of het klopt.



Wat zijn incassokosten?

Wanneer een schuldeiser kosten moet maken om een vordering te innen, dan mag hij deze onder bepaalde voorwaarden in rekening brengen. Het gaat dan om de kosten die voorafgaand aan een gerechtelijke procedure worden gemaakt. Dit soort kosten, die we hier incassokosten noemen, komen onder verschillende benamingen voor:

  • administratiekosten;
  • bureaukosten;
  • aanmaankosten (w.o. kosten aangetekend verzenden);
  • buitengerechtelijke kosten.

Zowel het incassobureau, de deurwaarder, maar ook de schuldeiser zelf brengen deze kosten in rekening. De hier vermelde regels voor incassokosten gelden voor al deze kosten.

Hoogte incassokosten
De hoogte van de incassokosten zijn gemaximeerd en hangt af van de hoogte van de vordering. Er geldt een maximumpercentage voor incassokosten berekend over de hoofdsom (niet over de rente), die afloopt naarmate de vordering stijgt met een minimum bedrag van € 40. Over de eerste € 2500 mag maximaal 15% incassokosten berekend worden, over de volgende € 2500, maximaal 10%, etc.

Maak gebruik van de incassocalculator om de incassokosten eenvoudig te berekenen.

BTW
Over de incassokosten mag bij de debiteur alleen BTW in rekening worden
gebracht indien aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan:

  • de schuldeiser heeft de invordering uit handen geven, bijvoorbeeld aan een incassobureau of deurwaarder, en;
  • de schuldeiser is niet BTW-plichtig en kan dus de verschuldigde BTW aan het incassobureau of deurwaarder niet verrekenen.

De volgende schuldeisers zijn niet BTW-plichtig waardoor er wel BTW over de incassokosten berekend mag worden:

  • verhuurders
  • onderwijsinstellingen
  • banken;
  • verzekeringsmaatschappijen
  • medische beroepen
  • de overheid

Eerst een veertiendagenbrief
Voordat een schuldeiser of incassobureau incassokosten in rekening mag brengen moet er eerst een aanmaning worden gestuurd met een betalingstermijn van minimaal veertien dagen. Deze zogenaamde veertiendagenbrief moet de hoogte van de incassokosten vermelden die verschuldigd zijn wanneer niet op tijd wordt betaald.

De Hoge Raad heeft bepaald dat de formulering in de veertiendagenbrief heel precies komt. Wanneer een te vroege dag van aanvang of van einde van die termijn is vermeld, dan wel daaromtrent verwarrende of misleidende informatie wordt gegeven is de brief niet geldig. Zo is de vermelding dat betaald moet worden “binnen veertien dagen na heden” of “binnen veertien dagen na verzending van deze brief” in strijd met de eis dat de schuldenaar in ieder geval een betalingstermijn van veertien dagen, aanvangende de dag na ontvangst van de aanmaning, gegeven moet worden.

De formulering dat incassokosten verschuldigd worden indien niet betaald is “binnen veertien dagen vanaf de dag nadat deze brief bij u is bezorgd” of “binnen vijftien dagen nadat deze brief bij u is bezorgd” voldoet dus wel aan de wettelijke eisen. De schuldeiser mag vanzelfsprekend wel een langere termijn dan de wettelijke termijn van veertien dagen hanteren.

Wanneer een aanmaning is verstuurd die niet aan de wettelijke eisen voldoet, mogen er na het verstrijken van de veertien dagen geen incassokosten in rekening worden gebracht. Wil de schuldeiser recht hebben op betaling van incassokosten, dan dient hij (zo nodig alsnog) een aan de wettelijke eisen beantwoordende veertiendagenbrief aan de schuldenaar te verzenden.

Wanneer meerdere termijnen samenvoegen?
Wanneer een schuldeiser meerdere schulden of termijnen van de debiteur te vorderen heeft is het de vraag of hij deze voor de berekening van de incassokosten moet samenvoegen. Het samenvoegen van de termijnen zal immers vaak tot gevolg hebben dat er minder incassokosten verschuldigd zijn, dan wanneer de incassokosten over de afzonderlijke termijnen berekend worden.
In de wet staat dat indien de debiteur voor meer dan een vordering door een schuldeiser kan worden aangemaand (de 14-dagen-aanmaning), dat in ??n aanmaning moet geschieden. Voor de berekening van de incassokosten worden de hoofdsommen van deze vorderingen bij elkaar opgeteld. Het volgende voorbeeld maakt duidelijk wanneer de hoofdsom wel en wanneer niet hoeft te worden samengevoegd.

Voorbeeld wanneer wel samenvoegen:
Er is drie maanden ad. € 20 niet betaald. Vervolgens wordt een aanmaning verstuurd. Dan moet dat voor een bedrag ad. € 60 gebeuren. Wanneer vervolgens niet binnen 14 dagen wordt betaald mag de vordering worden verhoogd met maximaal € 40 aan incassokosten.

Voorbeeld wanneer niet samenvoegen:
Er is drie maanden ad. € 20 niet betaald. Na afloop van iedere maand is een aanmaning verstuurd. Wanneer vervolgens niet binnen 14 dagen wordt betaald mag voor iedere maand het minimum ad. € 40 berekend worden. Dus in dit voorbeeld drie keer € 40, derhalve € 120.

Deze regeling kan dus zeer onredelijk uitpakken wanneer bij een duurovereenkomst maandelijks een klein bedrag verschuldigd is, en over elke termijn € 40 aan incassokosten berekend wordt. Wanneer dit over een langere periode gebeurt kan de redelijkheid met zich meebrengen dat de schuldeiser de incassohandelingen moet combineren om zo de kosten te beperken. Zie rapport BGK-integraal.

Bezwaar te maken tegen incassokosten
Maak gebruik van de voorbeeldbrieven op schuldinfo om bezwaar te maken tegen de hoogte van incassokosten. Maak bezwaar in de volgende situaties:

  • geen of onjuiste aanmaning ontvangen;
  • te hoge of dubbele incassokosten berekenen;
  • ten onrechte niet samenvoegen van termijnen;
  • ten onrechte in rekening brengen van BTW.

Ga naar standaardbrieven incassokosten

Meer informatie
Hoge Raad: onjuiste aanmaning, geen incassokosten!
Rauwelijks gedagvaard vanwege incassokosten

Een vrouw klaagt erover dat de Belastingdienst in eerste instantie niet reageert op haar verzoek om een eerder vastgestelde beslagvrije voet te hanteren en later weigert om deze met terugwerkende kracht te corrigeren. Op aanraden van de deurwaarder stuurde ze daarover een brief naar het belastingkantoor. De vrouw heeft haar verzoek volgens de Belastingdienst onvoldoende onderbouwd. De Nationale ombudsman is het daarmee niet eens, mede omdat de Belastingdienst ook geen berekening heeft meegestuurd bij het wijzigen van de beslagvrije voet, en acht de klacht gegrond.


De Belastingdienst heeft vanaf juli 2016 de beslagvrije voet van verzoekster met enkele honderden euro’s verlaagd zodat zij van haar WAO-uitkering een stuk minder overhoudt. In juli 2016 stuurt verzoekster een e-mail aan de belastingdeurwaarder waarin ze verzoekt de eerder vastgestelde beslagvrije voet van € 1.745 te respecteren omdat zij anders in grote financi?le problemen terecht zal komen. De deurwaarder adviseert haar een brief te sturen naar het belastingkantoor. Dit doet verzoekster. Nadat een reactie uitblijft, dient ze hierover een klacht in.

Zowel tijdens de interne klachtbehandeling door de Belastingdienst als tijdens het onderzoek van de Nationale ombudsman weigert de Belastingdienst de beslagvrije voet vanaf juli 2016 te corrigeren omdat betrokkene niet eerder dan oktober 2016 haar verzoek nader onderbouwd heeft.

De Nationale ombudsman vindt – met name vanwege het feit dat de Belastingdienst bij de vaststelling geen berekening van de beslagvrije voet heeft meegestuurd – niet dat het geheel aan verzoekster kan worden verweten dat ze haar verzoek niet tijdig onderbouwd heeft. Daarnaast vindt hij dat de deurwaarder niet adequaat en volledig op de e-mail van verzoekster heeft gereageerd.

Daarmee is de klacht naar het oordeel van de Nationale ombudsman gegrond wegens schending van goede informatieverstrekking en het vereiste van maatwerk.

De Nationale ombudsman verbindt aan dit oordeel de aanbeveling om in gesprek te gaan met verzoekster om te bezien of zij het nog zinvol acht de beslagvrije voet per 19 juli 2016 te corrigeren. Daarnaast beveelt hij aan dat bij elke vaststelling of correctie van de beslagvrije voet een berekening mee wordt gezonden waaruit blijkt op welke gegevens deze is gebaseerd.

Ten slotte doet hij de aanbeveling dat de Belastingdienst de burger proactief informeert en zich coulant en ruimhartig opstelt in situaties waarin de burger een melding maakt dat hij onder de voor hem geldende beslagvrije voet heeft geleefd.

Naschrift
Het is schokkend dat uitgerekend de overheid zich zo rigide opstelt en mensen met schulden verder in de problemen helpt. Eerder heeft de belastingdienst een rapport van de Nationale ombudsman over het niet met terugwerkende kracht aanpassen van de beslagvrije voet naast zich neergelegd. In onderhavige casus is de belastingdienst zelfs niet bereid om de beslagvrije voet aan te passen vanaf het moment van de meldingsdatum omdat het verzoek niet op juiste wijze is ingediend. Het wordt tijd dat medewerkers zich gaan verdiepen in het wat betekent om schulden te hebben en hoe moeilijk het voor veel van hen is om op het juiste moment het juiste te doen. Een leestip:
Weten is nog geen doen, een realistisch perspectief op redzaamheid, een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

Andre Moerman

Meer informatie
Rapport Nationale ombudsman 31 mei 2018, nr. 2018/034
Rapport Nationale ombudsman 26 februari 2015, nr. 2015/039
Achtergrondinfo invordering belastingdienst

Een bewindvoerder beheert de financiën van een man met schulden die dat niet zelf kan. Hij krijgt van de gemeente Velsen bericht over een belastingaanslag die nog open staat en uitstel van betaling. De bewindvoerder reageert niet op die brief. Vervolgens krijgt de cliënt een dwangbevel per post thuisbezorgd. De bewindvoerder krijgt hiervan geen kopie. Volgens de gemeente is dit technisch niet mogelijk. Daarover dient hij een klacht bij de ombudsman in. De ombudsman vindt het van belang dat de bewindvoerder op de hoogte is van alles wat de bewindvoering aangaat. Door het dwangbevel niet naar de bewindvoerder te sturen, heeft de gemeente gehandeld in strijd met het vereiste van maatwerk


Verzoeker is door de rechter benoemd als bewindvoerder van de heer Verbeek.*
Verzoeker informeert de gemeente over het bewind. De gemeente laat hem
daarna weten dat de heer Verbeek nog een belastingaanslag aan de
gemeente moet betalen en biedt daarvoor uitstel van betaling tot eind
juli 2016. Als betaling uitblijft stuurt een deurwaarderskantoor in
opdracht van de gemeente in november 2016 voor het openstaande bedrag
een dwangbevel per post naar het adres van de heer Verbeek. Verzoeker
dient over die gang van zaken een klacht in, waarna de gemeente een
betalingsregeling met hem treft. De kosten voor het dwangbevel hoeft hij niet te betalen.

Verzoeker, bewindvoerder, klaagt erover dat de
gemeente Velsen een dwangbevel voor de inning van een belastingschuld
van een persoon die onder zijn bewind staat, aan deze persoon heeft
toegestuurd en niet (ook) aan hem als bewindvoerder.

De ombudsman vindt dat van de gemeente c.q. de deurwaarder verwacht had mogen worden dat zij het dwangbevel naar verzoeker zou sturen en in kopie naar de
heer Verbeek. Personen die onder bewind staan, vormen een kwetsbare
groep. Het gaat om mensen die hun financiële zaken niet meer zelf kunnen regelen. Het is belangrijk dat overheden oog hebben voor het
perspectief van die burger. Een bewindvoerder neemt tijdens het bewind
beslissingen over geld en goederen van de onder zijn bewind gestelde
persoon. Ook vertegenwoordigt hij deze persoon bij de vervulling van
zijn taak in en buiten rechte. Het dwangbevel is een executoriale titel
en kan daardoor gevolgen hebben voor de goederen van de onder bewind
gestelde persoon. Het is van belang dat de bewindvoerder op de hoogte is van al datgene wat de bewindvoering aangaat.

De gemeente heeft gehandeld in strijd met het vereiste van maatwerk.

De Nationale ombudsman heeft met instemming kennisgenomen van het feit dat de gemeente in deze zaak heeft gezorgd voor een goede maatwerkoplossing door alsnog een betalingsregeling te treffen zonder verdere kosten voor de heer Verbeek. Ook heeft de ombudsman met instemming kennis genomen
van het feit dat de gemeente haar werkwijze en de Leidraad op dit punt
gaat aanpassen. De ombudsman geeft de gemeente daarbij in overweging om
het dwangbevel zelf naar de bewindvoerder te sturen en de kopie ervan
naar de onder bewindgestelde persoon.

* naam is gefingeerd

Meer informatie
Rapport Nationale ombudsman 10 april 2018, nr. 2018/018
Achtergrondinfo: curator c.q. bewindvoerder is aanspreekpunt

Een vrouw vraagt twee keer vlak na elkaar schuldhulpverlening aan bij de gemeente Tilburg. De gemeente beëindigt het tweede traject zonder een beëindigingsregeling te treffen. Ze klaagt erover dat de gemeente haar tijdens de klachtbehandeling onvoldoende informatie heeft verstrekt en te traag heeft gehandeld. De Nationale ombudsman vindt dat de gemeente inderdaad tekort is geschoten in de informatieverstrekking en in het tweede traject niet voortvarend heeft gehandeld. De klacht is deels gegrond.


Verzoekster doorloopt twee trajecten schuldhulpverlening bij de gemeente Tilburg.
Tijdens het eerste traject houdt verzoekster volgens de gemeente vol dat zij geen minnelijke regeling wil. De schuldhulp blijft daarom beperkt
tot enkele gesprekken met de frontoffice. Het traject wordt na vijf
maanden afgesloten met een brief waarin staat dat het dossier wordt
gesloten omdat verzoekster geen minnelijke regeling wil. Verzoekster
meldt zich kort daarna opnieuw aan voor schuldhulp.

In het tweede traject wordt haar aanvankelijk opnieuw alleen hulp verleend door de
frontoffice. De reden hiervan is dat verzoekster volgens de gemeente ook nu volhoudt dat zij geen minnelijke regeling wil. Ze is zelf bezig met
initiatieven om geld bij elkaar te krijgen. Deze initiatieven staan in
de weg aan het treffen van een schuldregeling. Volgens verzoekster wilde zij echter wel een minnelijke regeling. Ze wilde daarnaast kijken wat
zij in eigen kring kon regelen. Als de gemeente haar uiteindelijk laat
weten dat zij tot een duidelijke keuze moet komen: wel of niet een
minnelijke regeling, kiest zij voor een minnelijke regeling. Haar
dossier wordt dan alsnog overgedragen aan de backoffice.

Door
capaciteitsproblemen bij de backoffice wordt haar dossier pas vijf
maanden later opgepakt. Twee maanden daarna blijkt dat de belangrijkste
schuldeiser niet akkoord gaat en dat er dus geen minnelijke regeling tot stand komt. Verzoekster heeft intussen een klacht ingediend over de
trage werkwijze van de gemeente. Tijdens het gesprek over haar klacht
krijgt zij te horen dat het voorstel voor de minnelijke regeling is
afgewezen. Verzoekster is boos over het feit dat zij dit niet direct te
horen heeft gekregen. Zij dient haar klacht in bij de Nationale
ombudsman. De klacht van verzoekster gaat over de trage werkwijze van de gemeente, over de slechte informatievoorziening en over de
klachtbehandeling die volgens haar niet professioneel is verlopen.

De Nationale ombudsman is van mening dat de gemeente in het tweede traject heeft gehandeld in strijd met het vereiste van voortvarendheid.
Verzoekster heeft tijdens dat traject te lang in onzekerheid verkeerd
over waar zij aan toe was.

Zowel in het eerste als in het tweede
traject heeft de gemeente ook gehandeld in strijd met het vereiste van
goede informatieverstrekking. Door niet te voorzien in algemene
informatie op schrift bij de start van de schuldhulpverlening gaat de
gemeente Tilburg er ten onrechte van uit dat burgers die in de schulden
zitten de informatie die zij tijdens de eerste gesprekken ontvangen
kunnen bevatten en vasthouden. Daarmee doet de gemeente geen recht aan
de realiteit van mensen die in de schulden zitten. De gemeente had
voorts op beslissende momenten aan verzoekster een gemotiveerde
beschikking moeten toezenden. Daarmee had de gemeente kunnen en moeten
voorkomen dat verschillende inzichten ontstonden over het doel en de
aard van de schuldhulpverlening. Ook had de gemeente verzoekster met
enige regelmaat schriftelijk moeten informeren over de stand van zaken
in haar dossier, over welke hulp haar wel en niet kon worden geboden en
over wat van haar werd verwacht als zij meer of andere schuldhulp
wenste.

Ten slotte is de Nationale ombudsman van mening dat de
gemeente de formele klachtenprocedure had moeten volgen toen verzoekster aangaf niet tevreden te zijn met de informele reactie op haar klacht.
Door dit niet te doen heeft de gemeente ook gehandeld in strijd met het
vereiste van fair play.

Meer informatie
rapport Nationale ombudsman, 23 mei 2018
achtergrondinfo schuldhulpverlening

Actueel

Troostgedicht door Boudewijn Betzema
19 oktober 2018

Fatal error: Call to undefined function md_clone_excerpt() in /var/www/vhosts/sallandsedialoog.nl/httpdocs/wp-content/themes/md-clone/archive.php on line 80