Toewijzing dwangakkoord? Toewijzing proceskosten!

16 september 2018 - Schuldinfo

Wanneer één of meer schuldeisers niet instemmen met een schuldregeling kan de rechter worden gevraagd om de schuldregeling op te leggen. Bij een toewijzing van het verzoek kan de weigerende schuldeiser in de proceskosten worden veroordeeld. Zo kwam de rechtbank Midden-Nederland tot het oordeel dat PB Tankcollect in de proceskosten moest worden veroordeeld omdat ze alleen bereid is te onderhandelen bij een aanbod van 50% of hoger. Eigenlijk vreemd want uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij een toewijzing van een dwangakkoord een proceskostenveroordeling standaard zou moeten zijn. Positief aan deze uitspraak is dat de rechtbank de proceskosten toewijst, terwijl bij het verzoek om een dwangakkoord geen rechtsbijstand is verleend, maar de ondersteuning heeft plaatsgevonden vanuit schuldhulpverlening. Zeer terecht want er gaat bij schuldhulpverlening veel tijd en dus geld gemoeid met dit soort procedures. Andere rechtbanken zouden hier een voorbeeld aan moeten nemen.


Aanleiding
Een 29-jarige, alleenstaande man woont zelfstandig, met begeleiding. Hij heeft een bijstandsuitkering en een totale schuldenlast van 15 concurrente en 2 preferente vorderingen met een totale schuldhoogte van € 32.414,89. Stichting de Tussenvoorziening heeft namens hem een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers. Dit akkoord houdt – samengevat – in dat verzoeker gedurende 36 maanden zijn afloscapaciteit reserveert. Doorbetaling van het gereserveerde bedrag vindt plaats op grond van een pondspondsgewijze verdeling. Dat zal kunnen resulteren in een uitkering van 11,59 % aan de concurrente schuldeisers. Aan de preferente schuldeisers wordt het dubbele geboden.

De voorgestelde schuldregeling is door alle schuldeisers behalve PB Tankcollect aanvaard. Independer heeft het voorstel aanvaard onder de voorwaarde dat iedere schuldeiser akkoord is, zodat ook Independer als weigeraar moet worden aangemerkt. Stichting de Tussenvoorziening heeft namens betrokkene de rechtbank verzocht Independer en PB Tankcollect te bevelen in te stemmen met de voorstelde schuldregeling.

De beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat uit het verzoek voldoende is gebleken dat het bod het uiterste is waartoe hij financieel in staat moet worden geacht. Gelet op de omstandigheden van dit geval, waaronder de persoonlijke problematiek van verzoeker en het feit dat hij thans (met een onderbouwing) door de gemeente ontheven is van zijn sollicitatieverplichting, heeft de rechtbank niet de verwachting dat verzoeker zodanige inkomsten kan generen dat in een schuldsaneringsregeling minimaal eenzelfde percentage kan worden uitgedeeld. Het is voldoende aannemelijk gemaakt dat verzoeker op dit moment niet in staat is fulltime in een (regulier) dienstverband te werken. Een sterke toename van inkomsten is dan ook niet te verwachten.
 
Nu de vooruitzichten voor Independer en PB Tankcollect als schuldeisers bij aanvaarding van het akkoord gunstiger zijn dan bij verwerping daarvan, is het uitgangspunt dat Independer en PB Tankcollect op grond van de inhoud van de aangeboden schuldregeling in redelijkheid niet tot weigering van instemming met deze schuldregeling hebben kunnen komen. Immers moet er op grond van deze vooruitzichten van uit worden gegaan dat Independer en PB Tankcollect geen belang hebben bij de weigering van de instemming, terwijl verzoeker en de overige schuldeisers wel belang hebben bij aanvaarding van de schuldregeling. Daarbij weegt mee dat de vorderingen van Independer en PB Tankcollect een relatief klein deel (0,61% resp. 0,91%) van de totale schuldenlast vertegenwoordigen.

Het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord wordt toegewezen.

Proceskostenveroordeling
Verzoeker heeft verzocht de weigerachtige schuldeisers te veroordelen in de kosten van de procedure op grond van artikel 287a lid 6 Fw. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de kostenveroordeling uit artikel 287a lid 6 Fw een stimulans moet zijn om in het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen. Independer heeft steeds inhoudelijk verweer gevoerd en heeft na ontvangst van het volledige verzoekschrift haar standpunt bijgesteld. De rechtbank zal haar daarom niet in de proceskosten veroordelen. PB Tankcollect is echter in haar schriftelijke weigering niet ingegaan op de omstandigheden van de onderhavige casus. Zij voert een algemene – principiële – weigeringsgrond aan en is eerst bereid te onderhandelen bij een aanbod van 50% of hoger, terwijl een dergelijk aanbod in het kader van het minnelijk traject zeldzaam is. Het staat PB Tankcollect weliswaar vrij om te weigeren, maar bij een weigering op deze gronden lijkt het reeds op voorhand niet mogelijk om met PB Tankcollect tijdens het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen. PB Tankcollect heeft daarnaast geen verweerschrift ingediend en is evenmin ter zitting verschenen. De rechtbank acht het daarom wenselijk PB Tankcollect in de kosten van de procedure te veroordelen.

Uit artikel 285 Fw vloeit voort dat het minnelijk traject moet worden begeleid door het college van burgemeester en wethouders, een gemeentelijke kredietbank of de krachtens de in artikel 48, eerste lid, onderdeel d van de Wet op het consumentenkrediet toegelaten personen. De rechtbank zal de proceskosten daarom begroten naar analogie van de artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin rechtsbijstand verplicht is.

Gezien de aard van deze procedure zal de rechtbank aansluiten bij het tarief voor een eenvoudig kort geding. De kosten aan de zijde van verzoeker worden tot op heden begroot op € 633,–.

Altijd veroordeling proceskosten
In onderhavige uitspraak worden de proceskosten toegewezen vanwege de bijzonder weigerachtige opstelling van PB Tankcollect. Een criterium dat door veel rechtbanken wordt gehanteerd. Opmerkelijk want uit de wettekst en wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bij toewijzing van het dwangakkoord een standaard proceskostenveroordeling voor ogen had.

In de wettekst staat:
“Indien de rechtbank het verzoek toewijst, veroordeelt de rechtbank de schuldeiser die instemming met de schuldregeling heeft geweigerd, in de kosten.”

Een directief geformuleerde bepaling die geen ruimte laat voor afwijzing. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat dit geen toevallige formulering is maar een bewuste keus om de totstandkoming van het minnelijk traject te stimuleren. Er staat:
“In het zesde lid wordt de kostenveroordeling opgenomen. Als een in de minnelijke fase voorbereide maar niet tot stand gekomen schuldregeling alsnog met behulp van de rechter wordt aangenomen of vastgesteld, worden de schuldeisers die de regeling in de minnelijke fase hebben afgewezen, veroordeeld in de kosten (zoals de griffierechten) van de aanvraagprocedure. De rechter heeft immers vastgesteld dat die weigering onterecht was. Deze kostenveroordeling moet een stimulans zijn om in het minnelijk traject tot een schuldregeling te komen.”

Ook indien verzoek ingediend vanuit schuldhulpverlening
De bedoeling van de wetgever is hiermee duidelijk. Er zijn echter voor een verzoek om een dwangakkoord geen griffierechten verschuldigd en het verzoek wordt meestal ingediend met hulp en ondersteuning vanuit de gemeentelijke schuldhulpverlening of instelling die in opdracht van de gemeente het minnelijk traject uitvoert. De klant hoeft hier niet voor te betalen, maar de schuldhulpverlening kost natuurlijk wel geld. Aan elk verzoek tot toepassing van een dwangakkoord worden uren besteed die niet aan andere mensen met schulden besteed kunnen worden.

Het is zeer terecht dat de rechtbank Midden-Nederland bij een verzoek ondersteund vanuit schuldhulpverlening wel tot een proceskostenveroordeling komt en deze begroot naar analogie van de artikelen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarin rechtsbijstand verplicht is. Anders zou de weigerachtige schuldeiser geen nadeel van z’n eigen opstelling ondervinden, terwijl dit wel de bedoeling van de wetgever is. Bovendien worden er wel degelijk kosten gemaakt!

Tip
Dien je een verzoek om een dwangakkoord in, verzoek altijd om een veroordeling in de proceskosten en verwijs naar deze uitspraak:

Rb Midden-Nederland 12 september 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:4361